ECLI:NL:CRVB:2020:1374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoeken tot herziening kortingen WIA-uitkeringen wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontvangt sinds 2010 een WIA-uitkering en werd vanaf 2013 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Het UWV heeft kortingen toegepast op de uitkeringen over de jaren 2011, 2012 en 2013 vanwege inkomsten als commanditair vennoot, met terugvorderingen tot gevolg. Deze besluiten zijn onherroepelijk geworden.
In 2015 werd eveneens een korting toegepast, maar na bezwaar stelde het UWV vast dat over dat jaar geen inkomsten in mindering moesten worden gebracht. Appellant verzocht vervolgens om herziening van de kortingen over de jaren 2011-2013, welke verzoeken door het UWV werden afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat rechterlijke uitspraken en eerdere omstandigheden geen nieuwe feiten vormen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de besluiten evident onredelijk zijn vanwege het ontbreken van onderzoek naar de feitelijke situatie, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de afwijzing van het hoger beroep.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De bestreden besluiten blijven daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verzoeken tot herziening van de kortingen op de WIA-uitkeringen wordt bevestigd.