ECLI:NL:RBGEL:2026:4190

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/7828 en 24/7829
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Wevers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke vernietiging uitspraak op bezwaar wegens schending hoorplicht bij ambtshalve belastingaanslag

Belanghebbende maakte bezwaar tegen ambtshalve opgelegde aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en Zorgverzekeringswet voor het jaar 2021, inclusief een verzuimboete en belastingrente. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de aanslagen.

De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de hoorplicht niet correct had nageleefd. Hoewel er meerdere pogingen waren gedaan om telefonisch contact te krijgen en een schriftelijke mededeling was gedaan dat belanghebbende het bezwaar mondeling kon toelichten, was dit onvoldoende. De inspecteur had belanghebbende actief moeten uitnodigen voor een hoorgesprek op een vastgesteld tijdstip en plaats.

De rechtbank vernietigde daarom de uitspraak op bezwaar en wees de zaak terug naar de inspecteur voor een nieuwe beslissing waarbij belanghebbende alsnog wordt gehoord. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan belanghebbende.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar wegens schending van de hoorplicht en wijst de zaak terug naar de inspecteur voor nieuwe behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/7828 en 24/7829

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 mei 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 augustus 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.905. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 70 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 5.732. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 33 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen, verzuimboete en belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon A] en [persoon B]. Belanghebbende is niet verschenen. Hij heeft op 31 maart 2026 om 13.36 uur via het Digitale Portaal laten weten niet te zullen verschijnen en verzocht om aanhouding totdat er een termijn is verleend om de gronden van het beroep in te dienen.

Feiten

1. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2021. Aan belanghebbende is op zijn verzoek tweemaal uitstel verleend om aangifte IB/PVV te doen voor het jaar 2021. In eerste instantie is uitstel verleend tot 1 september 2022 en vervolgens is nogmaals uitstel verleend tot 1 december 2022. Het derde uitstelverzoek van 1 december 2022 is bij brief van 22 december 2022 afgewezen.
2. Op 6 januari 2023 heeft de inspecteur een herinnering gestuurd aan belanghebbende om aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 te doen.
3. De inspecteur heeft belanghebbende op 7 februari 2023 aangemaand om aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 te doen. In de aanmaning is vermeld dat de aangifte vóór 21 februari 2023 binnen moet zijn.
4. Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 gedaan.
5. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 ambtshalve opgelegd op basis van een schatting van het belastbaar inkomen.
6. De inspecteur heeft ook de aanslag Zvw voor het jaar 2021 ambtshalve opgelegd.
7. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslagen, verzuimboete en belastingrentebeschikkingen. In zijn pro forma bezwaarschrift en bij de nadere motivering van het bezwaar heeft hij verzocht om te worden gehoord, voordat op het bezwaar wordt beslist.
8. De inspecteur heeft op 23 en 24 juli en 26 augustus 2024 telefonisch contact gezocht met (de gemachtigde van) belanghebbende, maar dat contact is niet tot stand gekomen.
9. Bij brief van 25 juli 2024 heeft de inspecteur zijn voornemen kenbaar gemaakt om het bezwaar af te wijzen. In de brief wordt vermeld dat belanghebbende zijn bezwaar nog mondeling mag toelichten en dat, als hij daarvan gebruik wil maken, hij contact op moet nemen om een afspraak te maken.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf inzake het aanhoudingsverzoek
10. Belanghebbende heeft op 31 maart 2026 om 13.36 uur de rechtbank om aanhouding verzocht, omdat hij geen termijn heeft gekregen om zijn gronden aan te vullen terwijl daarom wel is verzocht. Er is volgens belanghebbende niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 6:6 en Pro 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er kan geen mondelinge behandeling plaatsvinden, omdat de procedure zich nog in de fase van formele ontvankelijkheid bevindt. In het bericht verzoekt belanghebbende de rechtbank alsnog een termijn te geven om gronden te kunnen indienen.
11. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de zaak aan te houden. De rechtbank heeft daarbij het volgende meegewogen. Het doel van artikel 6:6 van Pro de Awb is om te voorkomen dat een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, zonder dat belanghebbende de gelegenheid heeft gehad een pro forma beroep te motiveren. [1] In dit geval heeft de rechtbank het beroepschrift echter ontvankelijk geacht. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift geschreven: “
De inspecteur van de Belastingdienst, verder verweerder, heeft de bezwaarprocedure niet op correcte wijze behandeld en het bezwaarschrift ten onrechte ongegrond verklaard.” De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende daarmee voldoende gronden heeft aangevoerd om hem ontvankelijk te verklaren in zijn beroep. Er is dus niet gehandeld in strijd met artikel 6:6 van Pro de Awb door belanghebbende niet in de gelegenheid te stellen zijn beroepsgronden aan te vullen. Het stond belanghebbende bovendien vrij om tijdens de procedure zijn gronden aan te vullen.
Geschil
12. De rechtbank beoordeelt of in bezwaar de hoorplicht is geschonden en zo ja, of de uitspraak op bezwaar gelet op artikel 6:22 van Pro de Awb moet worden gehandhaafd dan wel dat de zaak voor verdere behandeling moet worden teruggewezen naar de inspecteur. De rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
13. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht is geschonden
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is sprake van een schending van de hoorplicht?
14. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur de bezwaarprocedure niet op correcte wijze heeft behandeld en dat het bezwaarschrift ten onrechte ongegrond is verklaard. De rechtbank vat dat, mede gelet op de stukken in het dossier, op als een beroep op schending van de hoorplicht.
15. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht niet is geschonden, omdat er drie telefonische pogingen en een schriftelijk initiatief (in de vooraankondiging uitspraak op bezwaar) zijn geweest om met (de gemachtigde van) belanghebbende in contact te komen. Het structureel telefonisch onbereikbaar zijn van de gemachtigde komt voor rekening van belanghebbende evenals het niet ophalen van aangetekende brieven en het buiten de reactietermijn reageren op de vooraankondiging. Daarbij beroept de inspecteur zich op een uitspraak van Gerechtshof Den Haag. [2]
16. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van schending van de hoorplicht. De inspecteur heeft weliswaar driemaal telefonisch contact gezocht en schriftelijk laten weten dat belanghebbende contact kon opnemen om een afspraak te maken voor een hoorgesprek, maar dat is niet voldoende. De inspecteur moet belanghebbende in de gelegenheid stellen te worden gehoord door hem daartoe uit te nodigen op een door de inspecteur vastgesteld tijdstip en plaats. [3] De enkele mededeling in de vooraankondiging dat belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten is onvoldoende, zeker nu belanghebbende in reactie daarop nog heeft aangegeven gehoord te willen worden. Dat betekent dat de hoorplicht is geschonden.
17. Op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks de schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten als blijkt dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. [4] De rechtbank is van oordeel dat niet aan deze schending van de hoorplicht kan worden voorbijgegaan. Tussen partijen staan de van belang zijnde feiten niet vast en ook heeft het geschil betrekking op een aangelegenheid waarbij de inspecteur (in ieder geval deels) beleidsvrijheid heeft. Dat betekent de beroepen gegrond zijn.

Conclusie en gevolgen

18. De beroepen zijn gegrond, omdat belanghebbende in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en wijst de behandeling van de zaken terug naar de inspecteur om belanghebbende alsnog te horen en een nieuwe beslissing te nemen.
19. Omdat de beroepen gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Er is sprake van samenhangende zaken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934 en een wegingsfactor van 0,5).
20. Nu de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, krijgt belanghebbende ook het betaalde griffierecht terug.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de inspecteur op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467;
- draagt de inspecteur op het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Uitgesproken op 27 mei 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1102.
2.Gerechtshof Den Haag 24 februari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:359.
3.Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751, r.o. 3.3.
4.Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, r.o. 3.5.3.