Belanghebbende maakte bezwaar tegen een voorlopige aanslag zuiveringsheffing 2020 van € 2.478, vastgesteld op basis van 50 vervuilingseenheden. De heffingsambtenaar handhaafde de aanslag na bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. Deze verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het hof.
Het hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat een aanvulling op het bezwaarschrift was verzonden, zodat de uitspraak op bezwaar voldoende was gemotiveerd. Verder was het bezwaarschrift, hoewel summier, voldoende om ontvankelijk te zijn en hoefde de heffingsambtenaar belanghebbende niet in de gelegenheid te stellen het bezwaar nader te motiveren. Ook de stelling dat de post overhead ten onrechte als last was aangemerkt en dat de opbrengstlimiet was overschreden, werd verworpen.
Het hof bevestigde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had verschaft in de ramingen van baten en lasten van de zuiveringsheffing en dat belanghebbende geen gemotiveerd betoog had gevoerd om de aanslag te vernietigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.