Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:437

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/05/449/213 / HZ ZA 25-76
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:194 lid 2 BWArt. 3:44 lid 4 BWArt. 4:191 lid 1 BWArt. 4:192 lid 2 BWArt. 4:199 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot rekening en verantwoording en verbeurdverklaring erfdeel

Mevrouw is overleden en liet een nalatenschap na die verdeeld moet worden tussen drie erfgenamen, waaronder eiser en gedaagde 1 en 2. Gedaagde 1 had een bankvolmacht en voerde het financiële beheer over de bankrekening van de moeder. Eiser vordert dat gedaagde 1 rekenschap aflegt over 2014 en 2015 en dat haar aandeel in de erfenis wordt verbeurd verklaard wegens vermeend misbruik van de volmacht.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde 2 de nalatenschap niet officieel heeft verworpen en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat gedaagde 1 onrechtmatig heeft gehandeld of de bankrekening voor zichzelf heeft gebruikt. De volmacht geeft gedaagde 1 bevoegdheid tot beheer, waardoor geen sprake is van zaakwaarneming en geen wettelijke verplichting tot rekening en verantwoording bestaat.

Ook de stelling dat de moeder handelingsonbekwaam was in 2014-2015 wordt onvoldoende onderbouwd. De vordering tot verbeurdverklaring wordt afgewezen omdat eiser onvoldoende bewijs levert dat gelden zonder toestemming zijn gebruikt. De rechtbank veroordeelt eiser in de proceskosten wegens onnodige procedurevoering.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/449213 / HZ ZA 25-76
vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.J.E.C. Camps,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.W. Post,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
in [woonplaats] ,
niet in de procedure verschenen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- het B16-formulier namens [eiser] met getekende verklaringen van afgifte,
- het tegen [gedaagde 2] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op [overlijdensdatum 1] is mevrouw [naam moeder] overleden. Zij was gehuwd met de heer [naam vader] . Uit het huwelijk van de vader en de moeder zijn drie kinderen geboren, te weten: [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Het huwelijk van de vader en de moeder is geëindigd door het overlijden van vader op [overlijdensdatum 2] .
2.2.
De moeder heeft bij testament over haar nalatenschap beschikt. Op grond van dit testament zijn partijen de enige erfgenamen. [eiser] en [gedaagde 1] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. [gedaagde 2] heeft geen verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis van de moeder afgelegd over zijn keuze om de nalatenschap te aanvaarden of te verwerpen. In een e-mail van 26 oktober 2024 heeft hij hierover - voor zover relevant - het volgende geschreven:
“Ik ga niet naar Nederland , (wat mij veel geld kost) om dit bij de rechtbank te regelen. Als jullie doorgaan met het proces, is dat jullie keus. En als jullie willen dat ik deze aanvraag van “onterving” bij de rechtbank in Almelo ga doen, dan doen jullie dit maar in mijn naam! En stuur het document op zodat ik dat kan ondertekenen, en kan terugsturen.”
2.3.
De vader en de moeder hebben [gedaagde 1] met ingang van 1 april 2014 een bankvolmacht gegeven. Na het overlijden van de moeder is een geschil ontstaan tussen [eiser] en [gedaagde 1] over cashopnames en betalingen die [gedaagde 1] vanaf de bankrekening van de moeder heeft gedaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - na vermindering van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat [gedaagde 2] zijn recht op het aandeel uit de erfenis van de moeder gerechtelijk/wettelijk heeft verworpen;
te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] als zaakwaarneemster van de moeder verplicht moet worden de bankafschriften over te leggen en rekening en verantwoording af te leggen over alle RABO-bankrekeningen van de moeder over de jaren 2014 en 2015, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag;
te verklaren voor recht dat artikel 3:194 lid 2 BW Pro op [gedaagde 1] van toepassing is omdat zij zaken uit de erfenis en de verdeling van de erfenis van de moeder opzettelijk heeft verzwegen voor de andere erfgenamen en dus haar aandeel in (de rechtbank leest: dat deel van) die erfenis verbeurd verklaard moet worden en aan [eiser] toekomt;
te bepalen dat [gedaagde 1] de somma van € 34.500 terug zal moeten voldoen aan de erfenisboedel, althans enig ander bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro;
te verklaren voor recht dat het bedrag van € 34.500, althans enig ander redelijk geacht bedrag, ten onrechte door erflaatster aan [gedaagde 1] vanaf 2014 tot en met 2020 is betaald;
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten, waaronder de betaling van een bedrag aan salaris gemachtigde en de nakosten.
3.2.
[gedaagde 1] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling, ingegaan.

4.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
4.1.
De procedure gaat over de omvang van de erfenisboedel van de moeder. Daarbij gaat het eerst om de vraag of [gedaagde 2] de nalatenschap van de moeder heeft verworpen. Verder hebben de vader en de moeder [gedaagde 1] met ingang van 1 april 2014 een bankvolmacht gegeven. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] ten onrechte geen rekening en verantwoording heeft afgelegd aan hem en [gedaagde 2] voor het financiële beheer dat zij op grond van deze volmacht heeft gevoerd over de jaren 2014 en 2015. [gedaagde 1] heeft wel de bankafschriften vanaf 2016 tot het overlijden van de moeder overgelegd. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] opzettelijk de bankrekening van de moeder niet alleen ten behoeve van de moeder gebruikt, maar vooral ten behoeve van haarzelf. Daarmee heeft zij volgens [eiser] opzettelijk zaken uit de erfenisboedel verzwegen voor de overige erfgenamen, zodat zij haar aandeel in de nalatenschap van de moeder in zoverre heeft verbeurd en deze bedragen moet terugbetalen aan de erfenisboedel. [gedaagde 1] betwist dat zij gehouden is om rekening en verantwoording af te leggen. Ook betwist zij dat zij de bankrekening van de moeder voor haarzelf heeft gebruikt.
[gedaagde 2] heeft de nalatenschap niet verworpen
4.2.
[eiser] vordert allereerst een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] zijn recht op het aandeel uit de erfenis van de moeder heeft verworpen. [eiser] ziet onder ogen dat [gedaagde 2] de erfenis niet officieel heeft verworpen, maar stelt dat uit zijn e-mail volgt dat hij niets meer wil vorderen uit de erfenis.
4.3.
De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Een erfgenaam kan een nalatenschap verwerpen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis. [1] Die verklaring heeft [gedaagde 2] niet afgelegd. [eiser] had gelet op de uitlatingen van [gedaagde 2] de mogelijkheid de kantonrechter te verzoeken [gedaagde 2] een termijn te geven voor het maken van een keuze om de nalatenschap van de moeder te aanvaarden of te verwerpen. [2] [eiser] heeft echter ook dit niet gedaan. Daarom is van een verwerping officieel geen sprake.
[gedaagde 1] hoeft geen rekening en verantwoording af te leggen
4.4.
[eiser] vordert verder een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] verplicht moet worden de bankafschriften van de moeder over te leggen over de jaren 2014 en 2015 en hierover rekening en verantwoording af te leggen.
4.5.
Het afleggen van rekening en verantwoording is verplicht ingeval dit volgt uit de wet, een rechtshandeling of het ongeschreven recht. [3] [eiser] stelt primair dat [gedaagde 1] bij het voeren van het financiële beheer van het vermogen van de moeder heeft gehandeld als zaakwaarnemer en daarom op grond van de wet gehouden is rekening en verantwoording af te leggen. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Het klopt dat voor een zaakwaarnemer een wettelijke verplichting bestaat om verantwoording af te leggen voor zijn handelen [4] , maar [gedaagde 1] heeft bij het voeren van het financiële beheer van de moeder niet gehandeld als zaakwaarnemer. Van zaakwaarneming is, kort gezegd, sprake wanneer iemand de belangen van een ander behartigt zonder dat daartoe op grond van de wet of een rechtshandeling een bevoegdheid bestaat. [5] Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder aan [gedaagde 1] een volmacht had verleend om haar bankzaken te regelen. [gedaagde 1] was dus op grond van een rechtshandeling (het verlenen van de volmacht door de moeder) bevoegd het financiële beheer van de moeder te voeren. Dat staat aan zaakwaarneming in de weg. Voor een gevolmachtigde (zoals [gedaagde 1] ) bestaat geen wettelijke verplichting om rekening en verantwoording af te leggen. Evenmin is gesteld - en dit is ook niet gebleken - dat in de volmacht een verplichting is opgenomen tot het afleggen van rekening en verantwoording. Zodoende is [gedaagde 1] hiertoe ook niet op grond van een rechtshandeling gehouden.
4.6.
[eiser] heeft verder aangevoerd dat de moeder mentale problemen had. Zij is heel haar leven depressief geweest en ging vanaf 2016 volgens hem verder achteruit. Zij ontving ambulante behandeling voor een depressieve stoornis en volgens [eiser] woonde zij vanaf 2016 tot haar overlijden op gesloten afdelingen van diverse verzorgingstehuizen. [eiser] betwist daarom dat de moeder tot haar overlijden handelingsbekwaam is gebleven. [gedaagde 1] heeft deze stellingen betwist. Het is de rechtbank niet volledig duidelijk wat de strekking is van deze stellingen. Klaarblijkelijk is hij van mening dat [gedaagde 1] mogelijk gebruik heeft gemaakt van de geestelijke toestand van de moeder. Voor zover [eiser] hiermee heeft willen betogen dat [gedaagde 1] , gelet op deze omstandigheden, op grond van het ongeschreven recht gehouden is om rekening en verantwoording af te leggen, slaagt dit betoog niet. Een van de omstandigheden die een rol spelen bij de vraag of er een verplichting op grond van het ongeschreven recht bestaat om rekening en verantwoording af te leggen, is de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen. [6] Dat de moeder al in 2014 en 2015 [7] niet meer in staat was het handelen van [gedaagde 1] te overzien en voor haar belangen op te komen, heeft [eiser] echter onvoldoende onderbouwd. Uit zijn stellingen kan niet afgeleid worden hoe de geestelijke gezondheid van de moeder in 2014 en 2015 was. Daar komt bij dat [gedaagde 1] onweersproken heeft aangevoerd dat de moeder nog in 2020 een euthanasietraject heeft doorlopen en dat in dat kader twee artsen hebben vastgesteld dat de moeder de keuze voor euthanasie weloverwogen heeft gemaakt. Dat duidt niet direct op geestelijke tekortkomingen. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] te weinig concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit afgeleid kan worden dat de moeder in 2014 en 2015 niet in staat was het handelen van [gedaagde 1] te overzien en voor haar belangen op te komen.
4.7.
Tot slot heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in algemene bewoordingen aangevoerd dat zijn vordering tevens is gebaseerd op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro) en misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW Pro). [eiser] heeft echter nagelaten te onderbouwen op welke grond het niet overleggen van de bankafschriften en het niet afleggen van rekening en verantwoording door [gedaagde 1] onrechtmatig jegens hem is of op welke manier [gedaagde 1] in dat kader misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. Voor zover [eiser] het standpunt inneemt dat uit de bankafschriften vanaf 2016 volgt dat [gedaagde 1] onrechtmatig gelden heeft onttrokken aan de bankrekening van de moeder en/of hierbij misbruik van omstandigheden heeft gemaakt en dat [gedaagde 1] daarom eveneens rekening en verantwoording moet afleggen over 2014 en 2015, volgt de rechtbank hem hierin niet. Hierna zal namelijk geoordeeld worden dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde 1] gelden van de rekening van de moeder (zonder toestemming van de moeder) voor haarzelf heeft gebruikt. Er zijn daarom geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat [gedaagde 1] in 2014 en 2015 onrechtmatig gelden heeft onttrokken aan de rekening van de moeder ten behoeve van haarzelf. Zonder dergelijke concrete aanknopingspunten is de vordering om de bankafschriften over 2014 en 2015 over te leggen en daarover rekening en verantwoording af te leggen een fishing expedition.
4.8.
Al het voorgaande leidt ertoe dat deze vordering van [eiser] afgewezen zal worden.
Verbeurdverklaring
4.9.
[eiser] vordert voorts de verbeurdverklaring van het aandeel van [gedaagde 1] in de nalatenschap van de moeder op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro. Hij stelt dat [gedaagde 1] opzettelijk de bankrekening van de moeder niet alleen ten behoeve van de moeder heeft gebruikt, maar vooral ten behoeve van haarzelf. Hiermee heeft zij opzettelijk deze bedragen verzwegen voor de overige erfgenamen. Na het overlijden van de moeder waren de bankrekeningen (vrijwel) leeg. [eiser] begroot het bedrag dat [gedaagde 1] ten behoeve van haarzelf heeft gebruikt en dus heeft verzwegen op € 34.500,00. Dit bedrag bestaat uit € 30.000,00 aan cashopnames en een bedrag van € 4.500,00 dat ten tijde van het overlijden van de moeder nog op haar rekening stond, maar nu nier meer. Daarnaast stelt [eiser] dat [gedaagde 1] verschillende andere betalingen heeft verricht vanaf de bankrekening van de moeder die hij niet heeft meegenomen in deze berekening, waaronder die voor de rijlessen van haar zoon. [gedaagde 1] betwist dat zij deze bedragen voor haarzelf heeft gebruikt. Voor zover enig bedrag wel ten behoeve van haar is gekomen, was dit met toestemming van de moeder.
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat de stelplicht en de bewijslast, dat deze cashopnames en betalingen van de bankrekening van de moeder niet ten behoeve van de moeder zijn gebruikt maar ten behoeve van [gedaagde 1] , op [eiser] rusten. [8] Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Hij heeft aangevoerd dat de moeder vanaf 2016 op gesloten afdelingen van verschillende verzorgingstehuizen heeft gewoond, waar voor haar eten en drinken werd gezorgd. Hierdoor had zij behalve de eigen bijdrage voor deze verzorgingstehuizen weinig eigen kosten. Volgens [eiser] volgt hieruit dat de uitgaven van de bankrekening van de moeder ten behoeve van [gedaagde 1] zijn gedaan. [gedaagde 1] heeft echter gemotiveerd betwist dat de moeder op gesloten afdelingen woonde en daarom weinig eigen kosten had. Zij stelt dat de moeder vanaf 2016 tot haar overlijden voor het grootste deel in een aanleunwoning heeft gewoond, waarvoor zij huur betaalde. Deze huurbetalingen blijken uit de overgelegde bankafschriften over die periode. Volgens [gedaagde 1] werd slechts de warme maaltijd voor de moeder verzorgd. De moeder had eigen kosten voor onder meer haar ontbijt, lunch, lekkernijen, kleding, verzorgingsproducten, uitjes, bezoeken aan vrienden, cadeaus, de kapper en de pedicure. [eiser] heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Verder heeft [gedaagde 1] toegelicht dat het bedrag van € 4.500 dat op het moment ten tijde van het overlijden van de moeder nog op de bankrekening stond, is gebruikt voor de uitvaart van de moeder. [gedaagde 1] heeft hiervan een factuur overgelegd.
4.11.
[gedaagde 1] heeft overigens erkend dat de rijlessen van een van haar kinderen van de bankrekening van de moeder zijn betaald, terwijl zij de rijlessen van haar andere kinderen zelf heeft betaald. Uiteindelijk heeft dat [gedaagde 1] dus een voordeel opgeleverd en in zoverre zijn deze bedragen (mede) ten behoeve van [gedaagde 1] gekomen. Zij heeft echter ter zitting aangevoerd dat dit een uitdrukkelijke wens van de moeder was, omdat zij iets terug wilde doen voor alle hulp die zij van [gedaagde 1] ontving. Ook dit heeft [eiser] niet (gemotiveerd) weersproken.
4.12.
Gelet op het voorgaande kan niet geoordeeld worden dat de cashopnames en de overige betalingen van de rekening van de moeder kennelijk ten behoeve van [gedaagde 1] en zonder toestemming van de moeder zijn gedaan. Daarmee is er geen grond voor toewijzing van de gevorderde verbeurdverklaring van het aandeel van [gedaagde 1] in de erfenis van de moeder. Evenmin is er een grond voor de gevorderde verklaring voor recht dat een bedrag van € 34.500 of enig ander bedrag door de moeder onverschuldigd is betaald aan [gedaagde 1] en de vordering dat [gedaagde 1] dit bedrag terug moet betalen aan de boedel. Deze vorderingen heeft [eiser] namelijk eveneens onderbouwd met de stelling dat dit bedrag ten behoeve van [gedaagde 1] is gebruikt. Daarom zullen ook de overige vorderingen van [eiser] afgewezen worden.
Proceskosten
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] de volledig in het ongelijk gestelde partij is. Artikel 237 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld, met dien verstande dat de rechtbank kan bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt ingeval van procedures tussen broers en zussen. In deze zaak acht de rechtbank dat laatste echter niet passend. Hoewel [gedaagde 1] hiertoe niet gehouden was, heeft zij buiten rechte inzage gegeven in de bankafschriften van de moeder vanaf 2016. Zoals hiervoor geoordeeld gaven deze bankafschriften geen aanleiding om aan te nemen dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld bij het door haar gevoerde financiële beheer voor de moeder. Desondanks heeft [eiser] [gedaagde 1] in deze procedure betrokken, waardoor zij nodeloos (proces)kosten heeft moeten maken. Ook voor de vordering jegens [gedaagde 2] geldt dat deze procedure onnodig is gestart. In de dagvaarding heeft [eiser] immers al erkend dat [gedaagde 2] de nalatenschap van de moeder niet officieel heeft verworpen en vervolgens is ten onrechte evenmin de in dat geval aangewezen procedure bij de kantonrechter doorlopen. De rechtbank ziet in deze omstandigheden aanleiding om [eiser] te veroordelen in de proceskosten. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- griffierecht
1.325,00
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.075,00
4.14.
De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op nihil.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 1] van € 3.075,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Van Eerden niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] , tot op heden begroot op nihil,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling onder r.o. 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Eskes en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
JH/RE

Voetnoten

1.Artikel 4:191 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 4:192 lid 2 BW Pro.
3.Hoge Raad 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1848.
4.Artikel 4:199 lid 2 BW Pro.
5.Artikel 6:198 BW Pro.
6.Hoge Raad 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089.
7.Over deze jaren vordert [eiser] immers de rekening en verantwoording.
8.Artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.