Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4420

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
05/054822-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 SrArt. 31 SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 420ter Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewoontewitwassen met goudtransacties en bankrekeningen

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 3 september 2019 tot en met 31 maart 2020. Verdachte maakte samen met anderen een gewoonte van het witwassen van ruim een miljoen euro via bankrekeningen van verschillende vennootschappen en het omzetten van geld in goud.

Het bewijs bestond uit financiële transacties, tapgesprekken, chatberichten, verklaringen van betrokkenen en analyses van bankgegevens. Verdachte had feitelijke zeggenschap over de bankrekeningen en was betrokken bij het contact met banken en advocaten om geblokkeerde gelden vrij te krijgen. De rechtbank stelde vast dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van de gelden en dat sprake was van nauwe samenwerking met medeverdachten.

De rechtbank wees het verzoek tot het horen van een getuige af omdat deze geen belastende verklaring kon afleggen en het proces eerlijk was verlopen. Verdachte werd vrijgesproken van het handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De strafmaat werd vastgesteld op 30 maanden gevangenisstraf, met een korting wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd verdachte ontzet van het recht tot het uitoefenen van het beroep van bestuurder van een vennootschap voor 90 maanden. De vordering tot gevangenneming en ongeanonimiseerde publicatie van het vonnis werden afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf en 90 maanden beroepsverbod voor medeplegen gewoontewitwassen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/054822-23
Datum uitspraak : 4 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] (hierna: [verdachte] ),
geboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] te [woonplaats ] .
Raadsman: mr. S. Kriekaard, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
Inhoudsopgave
1 De inhoud van de tenlastelegging3
2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs4
2.1 Inleiding4
2.2 De standpunten5
2.2.1 Het standpunt van de officier van justitie5
2.2.2 Het standpunt van de verdediging5
2.3 Beoordeling door de rechtbank6
2.3.1 Inleiding6
2.3.2 Door [medeverdachte 1] gebruikte identiteiten, telefoonnummers en panden7
2.3.3 [bedrijf] BV ( [bedrijf] BV)9
2.3.4 [bedrijf] BV ( [bedrijf] )16
2.3.5 De criminele herkomst en de wetenschap van [verdachte]22
2.3.6 Witwashandelingen van [verdachte]23
2.3.7 Medeplegen24
2.3.8 Gewoonte en handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf24
2.3.9 Conclusie24
2.4 Het verzoek tot het horen van [getuige]25
2.4.1 Het verzoek van de verdediging en het standpunt van de officier van justitie25
2.4.2 De beoordeling door de rechtbank25
3 De bewezenverklaring26
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde28
5 De strafbaarheid van het feit28
6 De strafbaarheid van de verdachte28
7 De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel28
7.1 Het standpunt van de officier van justitie28
7.2 Het standpunt van de verdediging28
7.3 De beoordeling door de rechtbank29
8 De toegepaste wettelijke bepalingen31
9 De beslissing32

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij,
in of omstreeks de periode van 3 september 2019 tot en met 31 maart 2020 te
- Winterswijk en/of
- Duiven en/of
- Amsterdam en/of
- Oldeholtpade, gemeente Weststellingwerf en/of
- Haaksbergen
- ( elders) in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of witwassen heeft
gepleegd in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, hierin bestaande dat hij,
verdachte, en/of zijn mededader(s),
(een) voorwerp(en), bestaande uit een of meer (grote) geldbedrag(en) tot een totaal
van ongeveer EUR 1.086.290 (A), althans enig geldbedrag en/of een grote
hoeveelheid goud en/goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen met een (totale)
waarde van EUR 1.569.686 (B) en/of een hoeveelheid contant geld van in totaal EUR
31.908 (C),
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet,
door:
A:
- een of meer Nederlandse bankrekeningen, op naam van één of meer
rechtspersonen, althans op een andere naam dan van hem, verdachte, te (laten)
openen en/of aan te houden en/of vervolgens op één of meer van die rekeningen
een of meer (grote) geldbedragen te ontvangen, te weten:
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf]
BV een of meer bedragen tot een totaal van EUR 588.300 (AH067) en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf]
BV een of meer bedragen tot een totaal van EUR 382.990 (AH074) en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , ten name van [bedrijf]
een of meer bedragen tot een totaal van EUR 115.000 (AH244),
en/of
B:
- voor een of meer grote bedrag(en) goud en/of goudgranulaat en/of (andere)
edelmetalen aan te kopen, te weten:
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal) EUR 858.697 (AH067) en/of EUR 9.594 (AH070) bij [bedrijf] BV,
althans bij één of meer onder die rechtspersoon geregistreerde handelsnamen en/of
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal) EUR 597.621 (AH070) en/of EUR 9.020 (AH070) bij [bedrijf] BV, althans bij één
of meer onder die rechtspersoon geregistreerde handelsnamen en/of
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal) EUR 94.754 (AH070) bij [bedrijf] BV
en/of
C:
- een of meer bedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) EUR 28.253 (AH067) en/of EUR
3.655 (AH070) contant op te nemen,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat dit/deze
geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit
enig(e) misdrijf.
2
Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
2.1
Inleiding
Op 5 oktober 2020 is door de Eenheid Oost-Nederland een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam Dwerguil. De start van het onderzoek was een rapport van de Financial Intelligence Unit (FIU) dat op 5 oktober 2020 aan het onderzoeksteam ter beschikking werd gesteld. In dit rapport zijn dertien verdachte transacties gemeld (door de Bunq Bank en betaalprovider Mollie BV) die betrekking hebben op de rechtspersoon [bedrijf] . Uit hierop volgend onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [bedrijf] onderdeel uitmaakt van een groter geheel van ondernemingen en daaraan gerelateerde bankrekeningen (door het onderzoeksteam het Dwerguil-cluster genoemd). Dit cluster is volgens de politie verantwoordelijk voor het in de periode van september 2019 tot en met februari 2021 witwassen van ruim 7 miljoen euro aan vermeende fraudegelden, door deze gelden te ontvangen en vervolgens ruim 6,4 miljoen euro om te zetten in edelmetalen, contanten en cryptocurrency. Onduidelijk is waar deze edelmetalen (goud) en contanten uiteindelijk gebleven zijn en wat er gebeurd is met het geld dat overgeboekt werd naar een cryptocurrency exchange.
In het onderzoek Dwerguil zijn door het openbaar ministerie naast verdachte, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) gedagvaard.
Uit het dossier kan worden afgeleid dat volgens de politie het Dwerguil-cluster bestaat uit verschillende vennootschappen en eenmanszaken, al dan niet onder gebruikmaking van één of meerdere handelsnamen. Het gaat dan om:
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] BV),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] ) en
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] ).
Ook zou gebruik gemaakt zijn van bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de personen [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ).
De verschillende geldstromen en vennootschappen/ondernemingen zullen hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de tenlastelegging, aan de orde komen.
2.2
De standpunten
2.2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en dat gewoontewitwassen bewezen kan worden, gelet op het duur en intensiteit van de handelingen. [verdachte] wist dat de verworven en voorhanden gekregen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren en dat deze gelden werden omgezet in goud. Ook het medeplegen kan bewezen worden, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met andere personen. Van het handelen in beroep of bedrijf heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevraagd, nu daarvan geen sprake was.
2.2.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde en daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.
Niet bewezen kan worden dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de betrokken gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn. Een dergelijk vermoeden kan niet blijken uit de FIU-registraties, terwijl er bovendien niet meer dan twee aangiftes van investeringsfraude boven tafel zijn gekomen. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten verder onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door na te gaan of er meer aangiftes van investeringsfraude zijn gedaan, en op nader onderzoek gerichte verzoeken van de verdediging zijn afgewezen.
Ook is het zo dat [medeverdachte 1] de enige medeverdachte is die kan verklaren over de transacties en dat de door hem gegeven verklaring, gelet op wat de FIU zelf heeft gemeld over de op zichzelf niet vreemde investeringen in goud in coronatijd, niet als ‘op voorhand hoogst onwaarschijnlijk’ kan worden bestempeld. Het had daarom op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om nader onderzoek te doen.
Mocht de rechtbank oordelen dat wel sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, dan geldt dat [verdachte] geen feitelijke zeggenschap heeft gehad over de aan [bedrijf] BV en [bedrijf] gekoppelde bankrekeningen, zodat het verwerven, voorhanden hebben, overdragen of omzetten van de op deze rekeningen inkomende en uitgaande geldbedragen niet bewezen kan worden.
Mocht de rechtbank hierover anders oordelen, dan geldt ten aanzien van beide bedrijven dat enkel het voorhanden hebben bewezen kan worden. Het dossier biedt immers onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [verdachte] betrokken was bij de inkomende gelden en het bestellen en aankopen van goud. De onderzoeksbevindingen die zien op de goudaankopen bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV zeggen niets over enige betrokkenheid van [verdachte] bij die goudaankopen en hebben wat betreft [bedrijf] BV en [bedrijf] BV ook betrekking op een datum/periode die is gelegen na de ten laste gelegde periode.
Bewijs dat [verdachte] kan worden gelinkt aan de contante opnames ontbreekt. Ook ontbreekt bewijs dat [verdachte] enige wetenschap had van het witwassen via [bedrijf] BV en [bedrijf] .
2.3
Beoordeling door de rechtbank
2.3.1
Inleiding
Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen in vereniging door in de periode van 3 september 2019 tot en met 31 maart 2020 op diverse rekeningen ongeveer € 1.086.290,00 te ontvangen, voor een € 1.569.686,00 edelmetalen aan te kopen en € 31.908,00 om te zetten in contanten, terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.
Alvorens in te gaan op de verschillende ten laste gelegde geldstromen zal de rechtbank in paragraaf 0 ingaan op het gebruik door [medeverdachte 1] van identiteiten van andere personen, een SkyECC-account, telefoonnummers en panden, zodat in de overige paragrafen verwezen kan worden naar vaststellingen gedaan in deze paragraaf. In de paragrafen 2.3.3 en 2.3.4 zal de rechtbank telkens per bankrekening op naam van de betrokken vennootschap de ten laste gelegde geldstromen (in- en uitgaand) en de aankopen van edelmetalen bespreken. Ook zal de rechtbank in die paragrafen ingaan op de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten bij die geldstromen en de vraag beantwoorden of sprake is van een vermoeden van criminele herkomst. Daarna zal de rechtbank in de paragrafen 2.3.5 en met 2.3.7 beoordelen of de geldstromen afkomstig zijn uit enig misdrijf en of verdachte en zijn medeverdachten dat wisten, welke witwashandelingen verdachte heeft verricht en of sprake is van medeplegen. Tot slot zal de rechtbank in paragraaf 2.3.8 ingaan op de vraag of verdachte en zijn medeverdachten een gewoonte hebben gemaakt van witwassen en/of zij hebben witgewassen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf en in paragraaf 2.3.9 een conclusie trekken ten aanzien van het ten laste gelegde feit.
2.3.2
Door [medeverdachte 1] gebruikte identiteiten, telefoonnummers en panden
2.3.2.1
De door [medeverdachte 3] gebruikte namen voor [medeverdachte 1]
[medeverdachte 3] herkent de foto van [medeverdachte 1] als de persoon die zichzelf [alias medeverdachte] of [alias medeverdachte] noemt. [medeverdachte 3] denkt dat hij zoiets als [roepnaam medeverdachte] heet. [2] [medeverdachte 3] heeft de nummers van [medeverdachte 1] opgeslagen in zijn telefoon onder de namen [alias medeverdachte] ( [telefoonnummer] ), [alias medeverdachte] (+ [telefoonnummer] en
[telefoonnummer] ) en [alias medeverdachte] ( [telefoonnummer] ). [3] De naam [alias medeverdachte] en het daaraan gekoppelde telefoonnummer + [telefoonnummer] , die naar voren komen in whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias medeverdachte] is van de [alias medeverdachte] waarvan de politie hem ‘zojuist’ de foto heeft laten zien, van [medeverdachte 1] of [roepnaam medeverdachte] dus. [4] Ook de persoon die in whatsapp-chats door [medeverdachte 3] ‘ [alias medeverdachte] ’ wordt genoemd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] is [alias medeverdachte] . [5] Hetzelfde geldt voor de persoon die in chats door [medeverdachte 3] ‘ [alias medeverdachte] ’ wordt genoemd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [6] [roepnaam medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) noemt hij inmiddels [medeverdachte 1] . [7]
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de persoon die door [medeverdachte 3] (in zijn telefoon) [alias medeverdachte] , [alias medeverdachte] ( [alias medeverdachte] ), [alias medeverdachte] , [roepnaam medeverdachte] , [medeverdachte 1] en [roepnaam medeverdachte] wordt genoemd [medeverdachte 1] is.
2.3.2.2
Telefoonnummers
2.3.2.2.1 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Zoals uit paragraaf 2.3.2.1 volgt staat het telefoonnummer [telefoonnummer] in de telefoon van [medeverdachte 3] opgeslagen onder de naam [alias medeverdachte] en is dit [medeverdachte 1] .
[persoon 1] verklaart dat [medeverdachte 1] hem heeft gebeld met het nummer [telefoonnummer] . Met [roepnaam medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) bedoelt hij [medeverdachte 1] . [8]
In het dossier bevinden zich verschillende uitgewerkte tapgesprekken van het telefoonnummer + [telefoonnummer] waarbij de verbalisant aangeeft dat hij de stem van [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) herkent. [9] In enkele van die gesprekken noemt de beller zich [roepnaam medeverdachte] [10] of [medeverdachte 1] uit [woonplaats ] [11] .
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] .
2.3.2.2.2 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Zoals uit paragraaf 2.3.2.1 volgt is de [alias medeverdachte] uit de whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias medeverdachte] , die gekoppeld is aan het telefoonnummer [telefoonnummer] , [alias medeverdachte] . De persoon die [medeverdachte 3] [alias medeverdachte] noemt, is [medeverdachte 1] .
Tussen [alias medeverdachte] en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) vindt de volgende whatsapp-conversatie plaats:
28-09-2020 [alias medeverdachte] aan [medeverdachte 3] Ben vanavond terug
(…)
28-09-2020 [alias medeverdachte] aan [medeverdachte 3] Zit in vliegtuig
(…)
14-10-2020 [alias medeverdachte] aan [medeverdachte 3] Ik ga morgen ff naar Turkije
(…)
21-10-2020 [alias medeverdachte] aan [medeverdachte 3] Ik ben morgen terug [12]
Uit de analyse van de passagierslijsten ontvangen van Turkish Airlines volgt dat [medeverdachte 1] op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam is gevlogen, op 15 oktober 2020 van Amsterdam naar Istanbul en op 22 oktober 2020 van Istanbul naar Amsterdam. [13]
In de telefoon van [naam] is het telefoonnummer [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam ( [roepnaam medeverdachte] 3). [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam medeverdachte] ’ [medeverdachte 1] is. [14]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] en daarmee ook de persoon die in de telefoon van [medeverdachte 3] staat opgeslagen onder de naam ‘ [alias medeverdachte] ’ (zie paragraaf 2.3.2.1) en in de telefoon van [naam] onder de naam ( [roepnaam medeverdachte] 3).
2.3.2.2.3 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Het telefoonnummer + [telefoonnummer] staat in de Samsung S10 van [verdachte] opgeslagen onder de naam [alias medeverdachte] . Het nummer + [telefoonnummer] staat in die telefoon opgeslagen onder de naam [alias medeverdachte] . De chats tussen [alias medeverdachte] en [verdachte] lopen tot 1 mei 2020. De chats tussen [alias medeverdachte] en [verdachte] lopen vanaf 1 mei 2020. [15] Op 1 mei 2020 stuurt [alias medeverdachte] het bericht “Nieuw nummer” naar [verdachte] . [16]
In paragraaf 0 heeft de rechtbank vastgesteld dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] .
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] en dus de persoon die door [verdachte] in zijn telefoon is vermeld als [alias medeverdachte] / [alias medeverdachte] .
2.3.2.3
Locatie [adres] te [plaats]
Zoals hierna zal blijken, waren meerdere vennootschappen die betrokken zijn bij de in de tenlastelegging genoemde geldstromen gevestigd op het adres [adres] te [plaats] .
De verhuurder van het pand gelegen aan [adres] te [plaats] , [verhuurder] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] een oud huurder is van het pand in [plaats] en dat hij hem daar wel eens zag. Ook [verdachte] kwam wel eens in [plaats] (de rechtbank begrijpt: het pand aan [adres] ). [17]
[naam] heeft verklaard dat hij [verhuurder] kent van [adres] , daar is [verhuurder] eigenaar van (de rechtbank begrijpt: het pand aan [adres] te [plaats] ). [naam] heeft daar een postadres. [bedrijf] en [bedrijf] BV staan ingeschreven op dat adres. Hij betaalt 200 euro huur aan [verhuurder] . Daarvoor krijgt hij een brievenbus en kan hij gebruik maken van de ruimte die [medeverdachte 1] huurt. [medeverdachte 1] krijgt hierdoor korting op de huur die hij aan [verhuurder] betaalt. Met [roepnaam medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) bedoelt hij [medeverdachte 1] . [18]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat, als hij het heeft over “op kantoor”, zij dan zaten aan [adres] te [plaats] . [19]
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [medeverdachte 1] een ruimte huurde in het pand gelegen aan [adres] te [plaats] en dat hij daar ook wel eens was. De betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij het pand aan [adres] te [plaats] blijkt verder uit de telefoongesprekken tussen hem en [verdachte] direct nadat op 8 september 2021 de doorzoeking van dat pand had plaatsgevonden. De rechtbank verwijst naar de weergave van deze gesprekken in paragraaf 2.3.3.5.
2.3.3
[bedrijf] BV ( [bedrijf] BV)
2.3.3.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV, in het dossier ook aangeduid als [bedrijf] , had vanaf
14 juni 2020 als vestigingsadres [adres] te [plaats] . In de periode van 25 april 2019 tot en met 14 juni 2019 was de vennootschap gevestigd op het adres [adres] te Haaksbergen. [20] Dit is tevens het woonadres van [verdachte] . [21]
Op 5 juni 2019 was [medeverdachte 2] één dag bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] BV. Van 29 februari 2016 tot 18 oktober 2019 was de [stichting] bestuurder van [bedrijf] BV. Na 18 oktober 2019 stonden er geen bestuurders van de vennootschap [bedrijf] BV geregistreerd. [22] [verdachte] was van 3 december 2018 tot en met 16 juni 2020 de enige bestuurder van de [stichting] . [23]
Op 4 februari 2020 is de vennootschap [bedrijf] BV opgeheven ten gevolge van een faillissement. [24]
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank blijkt dat het account van [bedrijf] BV bij die bank op 8 juli 2019 is geopend. [medeverdachte 2] stond bij de bank geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder. [25] Hij was ook de enige gemachtigde tot de rekeningen bij de Bunq-bank van [bedrijf] BV. [26]
2.3.3.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in totaal een bedrag van € 382.990,00 ontvangen van zestien Duitse bankrekeningen en één Oostenrijkse bankrekening op naam van particulieren. [27]
In de periode van 3 september 2019 tot en met 29 januari 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in totaal een bedrag van € 588.300,00 ontvangen van 47 Duitse en drie Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren.
Daarnaast komt op deze bankrekening in de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 in totaal een bedrag van € 323.000,00 binnen vanaf de hiervoor genoemde bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV.
Verder komt op deze bankrekening in de periode van 9 augustus 2019 tot en met 22 januari 2019 in totaal een bedrag van € 214.866,00 binnen vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV. [28]
2.3.3.3
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
In de periode van 25 september 2019 tot en met 16 januari 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in negentien transacties voor een totaalbedrag van € 836.643,82 geld overgemaakt naar [bedrijf] BV. [29]
Verder wordt in de periode van 6 september 2019 tot en met 28 januari 2020 in 79 transacties in totaal een bedrag van € 25.062,50 contant opgenomen in Nederland (onder andere in Amsterdam en Winterswijk) en Duitsland. [30]
In de periode van 5 augustus 2019 tot en met 4 februari 2020 wordt in 29 transacties een bedrag van € 200.976,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [31]
Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV wordt in de periode van 21 januari 2020 tot en met 28 januari 2020 in totaal een bedrag van € 59.990,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [32]
Uit de stukken ontvangen van [bedrijf] BV volgt dat door [bedrijf] BV in de periode van 25 september 2019 tot en met 20 januari 2020 21 goudbestellingen zijn gedaan. [33] [bedrijf] BV was een dochteronderneming van [bedrijf] BV en was net als die vennootschap gevestigd aan het adres [adres] te [plaats] . Naast [bedrijf] BV waren er, in ieder geval op 20 januari 2020, geen andere aandeelhouders of bestuurders van [bedrijf] BV. [34] Het door [bedrijf] BV bestelde goud werd betaald vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV [35] , met uitzondering van de betaling op 20 januari 2020. Die betaling was afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [36]
2.3.3.4
Betrokkenheid [medeverdachte 2] bij de geldstromen
Uit paragraaf 2.3.3.1 volgt dat [medeverdachte 2] één dag bestuurder en enig aandeelhouder is geweest van [bedrijf] BV. Hij heeft als bestuurder het account van [bedrijf] BV geopend bij de Bunq-bank en stond als enige als gemachtigde tot de rekeningen geregistreerd.
[medeverdachte 2] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als contactpersoon en eigenaar van [bedrijf] BV. [37]
2.3.3.5
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen
Zoals onder 2.3.3.1 besproken was [verdachte] in de periode dat de in de tenlastelegging bedoelde geldstromen plaatsvonden tot 18 oktober 2019 via [stichting] de enige bestuurder van [bedrijf] BV. Aan wie hij het (indirecte) bestuur van [bedrijf] BV heeft overgedragen, kan niet worden afgeleid uit het register van de Kamer van Koophandel noch uit enig ander processtuk. Daarnaast stond de vennootschap voorafgaand aan de geldstromen ingeschreven op het woonadres van [verdachte] .
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [verdachte] edelmetalen heeft opgehaald bij [bedrijf] BV, maar wel dat hij dat heeft gedaan bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV voor de vennootschappen [bedrijf] BV [38] en [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) [39] . Ook heeft hij bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV edelmetalen besteld namens [bedrijf] en/of stond hij als contactpersoon bij [bedrijf] geregistreerd. [40]
Op 8 september 2021 heeft in het kader van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) uit Duitsland een doorzoeking plaatsgevonden op onder andere het adres [adres] te [plaats] (het vestigingsadres van zowel [bedrijf] BV als van [bedrijf] BV) en het adres [adres] te [woonplaats ] (het woonadres van [verdachte] , tevens het vestigingsadres van [bedrijf] BV tot en met 14 juni 2019). [41]
Na deze doorzoeking probeert [medeverdachte 1] (+ [telefoonnummer] ) om 12:43 uur telefonisch contact te leggen met het telefoonnummer in gebruik bij [verdachte] (+ [telefoonnummer] [42] ). [43] Om 13:26 uur vindt er via het telefoonnummer dat in gebruik is bij [naam] (+ [telefoonnummer] ) een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) en [verdachte] ( [verdachte] ). In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
“ [naam] zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij vast [verdachte] moest hebben, maar dat ze allebei hun telefoon in de auto hadden laten liggen. [naam] geeft de telefoon aan [verdachte] .
[medeverdachte 1] : [verdachte] , groot probleem, [NTV], niks mee te maken
[verdachte] : Wat zeg je?
[medeverdachte 1] : Er is een probleem, we hebben er in principe niks mee te maken.
[verdachte] : Wat?
[medeverdachte 1] : Ze hebben een inval gedaan in [plaats]
[verdachte] : In [plaats] ? Ja bij mij ook.
[medeverdachte 1] : Bij jou ook?
[verdachte] : Ja
[medeverdachte 1] : Oh?
[verdachte] : Want ik kon je niet bereiken, dus vandaar.
[medeverdachte 1] : En wat hebben ze gedaan?
[verdachte] : Nou, eerlijk gezegd ze hebben niks meegenomen
[medeverdachte 1] : Maar wat kwamen ze doen dan?
[verdachte] : Ja dat hebben ze niet verteld. Het kwam van de Statsanwaltschaft Dresden. Ik heb geen idee.
[medeverdachte 1] : Oke, maar wat was er dan?
[verdachte] : Weet ik ook niet
[medeverdachte 1] : Zijn jouw telefoons meegenomen?
[verdachte] : Ja, nee ook niet. Ze hebben mijn telefoon meegenomen, maar ehh... Ja, dat vertel ik je... kan ik niet over de telefoon vertellen want die wordt afgeluisterd natuurlijk
[medeverdachte 1] : Ja, daarom. Maar was was het probleem dan?
[verdachte] : Weet ik niet, ik weet niet wat er aan de hand is? Ik heb hier de administratie van die GmbH liggen en álles laten liggen. Er is wat anders aan de hand maar daar hebben wij nieks mee te maken.
[medeverdachte 1] : Ze kwamen in [plaats] voor [bedrijf] . Met een man of 15-20.
[verdachte] : Ja, daar loopt een onderzoek op he, op [bedrijf] .
[medeverdachte 1] : Maar waarvoor?
[verdachte] : Ja dat weet ik niet, dat weet ik niet. Ik heb geen idee.
[medeverdachte 1] : Zal die [naam] (FON: [naam] ) niks uitgespookt hebben?
[verdachte] : Ik heb geen idee, ik weet ook niet waarvoor ze kwamen”
Onder het tapgesprek staat vermeld dat de tweede uitluisteraar in plaats van ‘ [naam] ’ verstaat. [44]
Om 15:09 uur belt [medeverdachte 1] wederom uit met het nummer van [naam] . In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
“ [naam] neemt op: [naam] spreekt u mee
[medeverdachte 1] : [naam] , mag ik meneer [verdachte] ?
(…)
[verdachte] komt ondertussen aan de lijn.
[medeverdachte 1] : [verdachte] , zullen we even afspreken in Doetinchem?
[medeverdachte 1] : [verdachte] , heb je hem terug?
[verdachte] : Wie?
[medeverdachte 1] : De telefoon
[verdachte] : Uh.. Natuurlijk. Die ene wel, die ander niet, maar die andere mocht niet.
[medeverdachte 1] : Heb je de goeie in handen?
[verdachte] : Ja
[medeverdachte 1] : Oke, zullen we in Doetinchem afspreken? Ik had net een telefoon voor je gekocht, nieuwe simkaart, nieuwe telefoon.
[verdachte] : Ja dat is helemaal goed, maar die simkaart die heb ik nog
[medeverdachte 1] : Nee ik heb nieuwe telefoon gekocht met nieuwe simkaart
[verdachte] : Ja prima, maar dan kan die oude simkaart van mij erin dan kan ik bankieren ermee
[medeverdachte 1] : Oke ik neem alles mee. Eh.. Café de Veemarkt.
[verdachte] : Ja weet ik. In Haaksbergen?” [45]
Een uur later, om 16:11 uur, belt [medeverdachte 1] wederom met [verdachte] via de telefoon van [naam] . In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
“ [verdachte] : Ja?
[medeverdachte 1] : Ze staan hier te observeren
[verdachte] : Ja
[medeverdachte 1] : Ga maar naar café Masselink
[verdachte] : Masselink?
[medeverdachte 1] : Café Masselink.
[verdachte] : Oke, prima
[medeverdachte 1] : Ik ga even afschudden want ze zijn al vanaf [plaats] achter ons aan en nu staan ze hier te observeren
[verdachte] : Oke, prima, yo yo
[medeverdachte 1] : Café Masselink” [46]
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. [verdachte] was weliswaar niet in de gehele periode dat de geldstromen en goudaankopen via [bedrijf] BV plaatsvonden als (indirect) bestuurder betrokken bij de vennootschap, maar zijn betrokkenheid bij de vennootschap en de bankrekening voor die gehele periode volgt wel uit zijn meer algemene betrokkenheid de tapgesprekken die zijn opgevangen na de doorzoeking op 8 september 2021, ruim nadat de ten laste gelegde geldstromen plaatsvonden. Uit die gesprekken volgt dat [verdachte] weet dat de doorzoekingen plaatsvonden voor “ [bedrijf] ” en kennelijk ook dat er met die onderneming of ondernemingen iets aan de hand is dat de politie niet mag weten. Immers, [verdachte] zegt op bepaalde momenten dat hij niet wil praten over de telefoon, omdat die “natuurlijk” afgeluisterd wordt. Dat [verdachte] en ook [medeverdachte 1] betrokken zijn bij dingen die verborgen moeten blijven, blijkt ook uit het feit dat [medeverdachte 1] een nieuwe telefoon met simkaart voor [verdachte] heeft aangeschaft en dat [medeverdachte 1] observanten (de rechtbank begrijpt: een observatieteam van de politie) heeft moeten “afschudden”.
Daar komt nog het volgende bij.
Zoals uit paragraaf 2.3.3.1 volgt, was [medeverdachte 2] slechts één dag, op 5 juni 2019, enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] BV. [verdachte] was via [stichting] gedurende de hele periode van 3 december 2018 tot en met 18 oktober 2019 indirect bestuurder van [bedrijf] BV. Op 8 juli 2019 is er op naam van [bedrijf] BV door [medeverdachte 2] een account geopend bij de Bunq-bank. [medeverdachte 2] was op dat moment weliswaar formeel niet meer betrokken bij de vennootschap, maar kennelijk is dat door de bank niet onderkend en kon hij het account openen. [medeverdachte 2] moet daarbij gebruik hebben gemaakt van zijn registratie als bestuurder van [bedrijf] BV (ook al duurde dat maar één dag). Het kan niet anders dan dat de één dag durende rol van [medeverdachte 2] als bestuurder bij [bedrijf] BV is gebruikt voor het openen van het account bij de Bunq-bank, met als bedoeling het afschermen van anderen, waaronder [verdachte] . [medeverdachte 2] werd gebruikt als katvanger. Nu [verdachte] zowel voor als na 5 juni 2019 (indirect) de enige bestuurder was van [bedrijf] BV, in samenhang bezien met de hiervoor besproken telefoongesprekken, is de rechtbank van oordeel dat hij moet hebben geweten dat [medeverdachte 2] gebruikt werd als katvanger.
2.3.3.6
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen en goudaankopen
Uit de voorgaande paragraaf en de omstandigheid dat [medeverdachte 1] huurder was van een ruimte in het pand aan [adres] te [plaats] (zie paragraaf 2.3.2.3), in welk pand ook [bedrijf] BV en [bedrijf] BV gevestigd waren, volgt de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij [bedrijf] BV en de geldstromen en goudaankopen via deze vennootschap. Die betrokkenheid volgt verder uit het volgende.
Op 4 oktober 2019 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV een betaling gedaan aan Thuisbezorgd.nl. Deze betaling zag op een bestelling die geleverd moest worden een persoon genaamd ‘ [medeverdachte 1] ’, met het e-mailadres [e-mailadres] op het adres [adres] te [woonplaats ] , het woonadres van [medeverdachte 1] . [47] [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit zijn e-mailadres is. [48]
Uit het onderzoek van de politie volgt dat er vanaf de bankrekening [rekeningnummer] dagelijks één of meerdere transacties zijn verricht, met uitzondering van de periode van 24 oktober 2019 tot 26 oktober 2019 waarin [medeverdachte 1] in Spanje verbleef. [49]
Uit de gegevens verstrekt door de Bunq-bank blijkt dat het telefoonnummer + [telefoonnummer] zowel gekoppeld is aan de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] als aan het account van [bedrijf] BV. Verder volgt uit de informatie van de Bunq-bank, in combinatie met de resultaten van een CIOT-bevraging, dat onder andere vanaf het IP-adres gekoppeld aan het adres [adres] te [plaats] is ingelogd op de bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV. [50] Zoals volgt uit paragraaf 2.3.2.3 huurde [medeverdachte 1] een ruimte in het pand aan dit adres en was hij ook wel eens in dit pand.
2.3.3.7
Vermoeden van criminele herkomst
Op 3 februari 2020 ontving de Bunq-bank van de Swiss Financial Market Supervisory Authority (hierna: FINMA) een bericht dat de overboekingen van de Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen naar [bedrijf] BV vermoedelijk te maken hadden met oplichtingspraktijken. [51]
Zoals hiervoor vermeld is [bedrijf] BV een dag later, per 4 februari 2020, opgeheven als gevolg van een faillissement. [naam] , medewerker van de Bunq-bank, heeft verklaard dat zij zagen dat vlak voor het faillissement de gelden van de vier bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV overgeboekt werden naar de vennootschap [bedrijf] BV. Dit bedrag werd vervolgens doorgeboekt naar [bedrijf] (zie paragraaf 2.3.4) en vrijwel direct daarna naar een bankrekening van [bedrijf] [52] , een handelsnaam van [bedrijf] BV. [53]
Zoals hiervoor besproken is [medeverdachte 2] één dag, op 5 juni 2019, enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap geweest.
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij nooit iets voor de vennootschap heeft gedaan. Hij had niet de beschikking over de bankrekening en was ook niet betrokken bij de afwikkeling van het faillissement. Hij gebruikte in die tijd veel drugs. [54]
Verder was [verdachte] via [stichting] tot en met 18 oktober 2019 bestuurder en hebben er daarna geen bestuurders meer geregistreerd gestaan. Uit het zevende faillissementsverslag van 2 september 2021 van [bedrijf] BV blijkt dat [verdachte] tegen de curator heeft gezegd dat hij nooit werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf] BV en dat hij ook niets weet van de activiteiten van de vennootschap. De bank van [bedrijf] BV heeft de curator laten weten dat [medeverdachte 2] de contactpersoon en tevens de gemachtigde tot de bankrekeningen was van de vennootschap. [medeverdachte 2] is in het kader van het faillissement gehoord door de rechter-commissaris. Hij heeft toen aangegeven dat hij niet de feitelijk leidinggevende was en dat hij (vrijwel) niets kan vertellen over de activiteiten van [bedrijf] BV. [55]
Verder volgt uit het faillissementsverslag dat de curator op het moment van verslaglegging op 2 september 2021 niet de beschikking heeft gekregen over een boekhouding. Ook beschikte de curator op dat moment slechts over een jaarrekening over het boekjaar 2017, in welke jaarrekening bovendien geen winst- en verliesrekening was opgenomen. [56] Bij de Belastingdienst zijn de (fiscale) gegevens gevorderd van [bedrijf] BV over de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2022. Daaruit volgt dat over die periode geen omzetgegevens bekend zijn van de vennootschap. [57]
Zoals volgt uit paragraaf 2.3.3.3 stond [medeverdachte 2] ook bij [bedrijf] BV geregistreerd als de contactpersoon en eigenaar van [bedrijf] BV.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, bezien in combinatie met de inkomende geldstromen afkomstig van de Duitse en Oostenrijkse natuurlijke personen en de eerdergenoemde telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , is de rechtbank van oordeel dat er een gerechtvaardigd vermoeden is dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 2.3.3.2 en 2.3.3.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
2.3.4
[bedrijf] BV ( [bedrijf] )
2.3.4.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV maakte tevens gebruik van de handelsnamen [bedrijf] , [bedrijf] en [bedrijf] . De vennootschap stond geregistreerd als gevestigd op [adres] te [plaats] en heeft sinds 17 december 2019 ook geregistreerd gestaan als gevestigd op het adres [adres] te [woonplaats ] (het woonadres van [verdachte] ). [58] Uit de gegevens van de KvK kan de rechtbank niet afleiden wanneer het vestigingsadres is overgegaan naar [adres] te [plaats] . Van 19 juli 2012 tot 10 december 2019 had [naam] een volledige volmacht om te handelen namens de vennootschap. Vanaf 17 december 2019 tot de ontbinding van de vennootschap op 31 augustus 2020 was [verdachte] enig aandeelhouder en enig bestuurder van de vennootschap. [59]
Het account van [bedrijf] bij de Bunq-bank is op 3 januari 2020 geopend. Bij die bank staat [verdachte] geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder. [60]
2.3.4.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 25 maart 2020 tot en met 31 maart 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] een bedrag van € 115.000,00 ontvangen afkomstig van vijf Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Op 6 en 7 april 2020 wordt in totaal € 124.395,93 (€ 50.000 + € 74.395,93) afgeschreven door de ABN AMRO-bank, omdat sprake zou zijn van fraude. Op 17 april 2020 wordt door de ABN AMRO-bank een bedrag van € 9.395,93 teruggestort naar de rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] , omdat er ten aanzien van dit geldbedrag toch geen sprake zou zijn van fraude. [61] Per saldo is het gehele bedrag afkomstig van de vijf Duitse bankrekeningen op naam van particulieren (€ 124.395,93 -/- € 9.395,93 = € 115.000,00), dus weer afgeboekt door de ABN AMRO-bank. Dat neemt niet weg, dat het volledige bedrag wel (korte tijd) op de bankrekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] heeft gestaan.
De vennootschap [bedrijf] BV had onder de handelsnaam [bedrijf] de bankrekening [rekeningnummer] . Op deze bankrekening kwamen onder andere de volgende geldbedragen binnen:
 in de periode van 28 januari 2020 tot en met 18 maart 2020 twee bedragen van € 548.004,44 en € 52.850,00 afkomstig van twee verschillende bankrekeningen op naam van [bedrijf] ;
 op 30 januari 2020 een bedrag van € 2.900,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.3);
 in de periode van 5 februari 2020 tot en met 13 maart 2020 in veertien transacties een bedrag van in totaal € 140.450,00 afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [62]
2.3.4.3
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
Naast de onder paragraaf 2.3.4.2 genoemde afboeking door de ABN AMRO-bank is in de periode van 25 maart 2020 tot en met 25 mei 2020 in negen transacties een bedrag van in totaal € 16.300,00 contant opgenomen van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] .
Van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] zijn de volgende betalingen gedaan:
 in de periode van 30 januari 2020 tot en met 18 maart 2020 in 21 transacties in totaal een bedrag van € 597.621,61 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV);
 in de periode van 28 januari 2020 tot en met 6 februari 2020 in twee transacties in totaal een bedrag van € 94.754,50 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV;
 op 11 maart 2020 een bedrag van € 9.594,40 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV;
 op 11 maart 2020 een bedrag van € 9.020,00 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV;
 op 3 maart 2020 een bedrag van € 2.000,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] ;
 in de periode van 30 januari 2020 tot en met 13 maart 2020 in negen transacties een bedrag van in totaal € 17.785,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] .
Daarnaast werd van deze bankrekening in de periode van 6 februari 2020 tot en met 17 maart 2020 in elf transacties in totaal een bedrag van € 3.655,99 contant opgenomen, onder andere in Winterswijk en Arnhem. [63]
Uit deze uitgaande geldstromen volgt dat er vanaf de rekeningen op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] in totaal € 606.641,61 (€ 597.621,61 + € 9.020,00) is betaald aan [bedrijf] BV. Dit is € 105,87 minder (€ 606.747,48 -/- € 606.641,61) dan het bedrag genoemd in tabel 4 op pagina 31-32 van het dossier, welke tabel de basis vormt voor het in de tenlastelegging genoemde bedrag aan goudaankopen bij [bedrijf] BV. De rechtbank zal hierna daarom uitgaan van een bedrag dat is omgezet in goud dat € 105,87 lager ligt dan het bedrag genoemd in de tenlastelegging.
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat [bedrijf] in de periode van 30 januari 2020 tot en met 23 juli 2020 goud heeft gekocht bij [bedrijf] BV voor een totaalbedrag van € 1.252.936,41. [64] Deze goudbestellingen zijn betaald vanaf de bankrekeningen op naam van [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] BV, [bedrijf] BV, [bedrijf] en [bedrijf] . [65] [verdachte] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] sinds 17 december 2019. [66] Hij was de eerste contactpersoon van [bedrijf] . [verdachte] is ook een paar keer bij [bedrijf] BV geweest. [67] Ook [naam] stond geregistreerd als contactpersoon. [68]
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden afgeleid dat de hiervoor genoemde overboeking van € 9.594,40 zag op een goudaankoop van [bedrijf] bij [bedrijf] BV. [69] [verdachte] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als de contactpersoon van [bedrijf] . [70]
Uit de gegevens van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat [bedrijf] in de periode van 23 januari 2020 tot en met 6 februari 2020 voor een bedrag van € 132.219,50 vier keer goud heeft gekocht bij [bedrijf] BV. Deze goudaankopen zijn naast de betalingen vanaf de bankrekening op naam van [bedrijf] , ook voldaan vanaf een bankrekening op naam van [bedrijf] . Het goud van deze aankopen is opgehaald door [verdachte] (op 28 januari 2020) en [medeverdachte 2] (op 23 januari 2020 en 6 februari 2020). [71]
2.3.4.4
Betrokkenheid van [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen
Zoals uit paragraaf 2.3.4.1 volgt was [verdachte] in de periode dat de in de tenlastelegging bedoelde geldstromen en goudaankopen plaatsvonden enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf] BV. Verder volgt uit die paragraaf dat het account van [bedrijf] bij de Bunq-bank is geopend in de tijd dat [verdachte] bestuurder was en dat hij bij die bank ook geregistreerd staat als bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap.
Daarnaast stond de vennootschap in ieder geval voorafgaand en mogelijk ook gedurende een deel van de periode dat de geldstromen en goudaankopen plaatsvonden, ingeschreven op het woonadres van [verdachte] .
Ook stond [verdachte] als contactpersoon van [bedrijf] geregistreerd bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV, is hij een paar keer bij [bedrijf] BV geweest en heeft hij namens [bedrijf] goud opgehaald bij [bedrijf] BV (zie de paragrafen 2.3.3.5 en 2.3.4.3).
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank, bezien in combinatie met de CIOT-gegevens, volgt verder dat de bankgegevens van [bedrijf] van 3 januari tot en met 6 januari 2020 825 maal zijn benaderd via een IP-adres dat staat geregistreerd op het woonadres van [verdachte] ( [adres] te [woonplaats ] ). [72]
Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verdachte] op de hoogte was van de Bunq-bankrekening op naam van [bedrijf] en daar ook toegang toe had.
Dat [verdachte] op de hoogte was van het bestaan van de bankrekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] bij de ABN AMRO-bank en de op die bankrekening binnenkomende geldbedragen leidt de rechtbank af uit de volgende chatgesprekken tussen hem en [alias medeverdachte] (+ [telefoonnummer] ; in gebruik bij [medeverdachte 1] , zie paragraaf 2.3.2.2.3):
20 maart 2020
[medeverdachte 1] Kun jij langs abn daar vragen of ze internet bankieren willen aanzetten
[verdachte] Kan dat niet via de telefoon
[medeverdachte 1] Je kan proberen
(…)
[verdachte] Oké. Bel even
25 maart 2020
[medeverdachte 1] Kun je nog een keer met abn bellen
[medeverdachte 1] Doet nog niet [73]
Zoals volgt uit paragraaf 2.3.4.2 komt op 25 maart 2020 de eerste van de vijf betalingen binnen vanaf de Duitse rekeningen op naam van particulieren. Uit die paragraaf volgt verder dat op 6 en 7 april 2020 de ABN AMRO-bank het bedrag van € 124.395,93 afboekt, omdat sprake zou zijn van fraude.
Vervolgens vinden de volgende chatgesprekken plaats tussen [alias medeverdachte] ( [medeverdachte 1] ) en [verdachte] :
6 april 2020
[verdachte] Weet je ook welke andere mensen geld naar pmr overgeboekt hebben ca de mensen uit Duitsland
[medeverdachte 1] [bedrijf]
15 april 2020
[verdachte] Gisteren gesproken met abn:
Goed gesprek gehad. Afgesproken dat we een brief moeten schrijven waarom het geld wel in orde is. We kunnen dar allerlei redenen voor opgeven. Wacht niet te lang.
Doen we het zelf om met een advocaat.
[medeverdachte 1] We doen met advocaat
(…)
[verdachte] Heb de advocaat bericht en ik wacht op antwoord.
Hij wil een opdrachtbevestiging sturen en een voorschot nota. Houd je op de hoogte.
1 mei 2020
[verdachte] Tel met abn-amro dd. 01.05.2020
Langdurig gesprek gevoerd. Uitkomst is alsvolgt: ik moet aantonen dat het geld aan de firma of aan mij toebehoord en dan wordt het vrij gegeven. Heb gezegd dat het dan niks met crimineel geld uit te staan heeft. Dat klopt zei de ABN man. Bewijskan zijn een app naar mij , een eventuele rekening en meerdere mogelijkheden.het moet schriftelijk verstuurd worden naar het adres op de brief van de bank welke de advocaat heeft. Dus kort gezegd , aantonen dat het ontvangen geld daadwerkelijk op de juiste rekening is aangekomen. Wil de man van laisser ook wel ontmoeten [74]
Op 24 april 2020 vindt er een betaling plaats van € 1.500,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [75]
Wat verder opvalt is dat de ABN AMRO-rekening op naam staat van [bedrijf] BV / [bedrijf] . [naam] heeft verklaard dat hij denkt dat [bedrijf] een nieuwe naam is voor een oude BV die hij heeft verkocht aan [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ). [76] De rechtbank leidt daaruit af dat deze handelsnaam pas is toegevoegd, nadat [naam] de vennootschap heeft overgedragen aan [verdachte] en dat het dus [verdachte] moet zijn geweest die deze handelsnaam heeft doorgegeven aan de ABN AMRO-bank.
Gelet op de inhoud van de weergegeven chatgesprekken en de betaling aan [bedrijf] vanaf de ABN AMRO-rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] , stelt de rechtbank vast dat de chatgesprekken zien op de afboeking door de ABN AMRO-rekening van het bedrag van € 124.395,93, omdat sprake zou zijn van fraude. De rechtbank stelt op basis van deze gesprekken verder het volgende vast. [verdachte] moet voorafgaand aan de eerste betaling afkomstig van Duitse rekeningen op naam van particulieren op de hoogte zijn geweest van het bestaan van de ABN AMRO-rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] en had daar ook toegang toe. Ook wist [verdachte] dat de geldbedragen van mensen uit Duitsland binnenkwamen op die rekening.
2.3.4.5
Betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de geldstromen en goudaankopen
Zoals volgt uit paragraaf 2.3.4.1 stond [bedrijf] BV gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . Zoals volgt uit paragraaf 2.3.2.3 was [medeverdachte 1] huurder van een ruimte in het pand aan [adres] te [plaats] en was hij ook wel eens in dit pand.
Zoals in de voorgaande paragraaf vermeld heeft [naam] verklaard dat hij denkt dat [bedrijf] een nieuwe naam is voor een oude BV die hij heeft verkocht aan [verdachte] (“ [verdachte] ”). [naam] verklaart verder dat [roepnaam medeverdachte] de BV heeft gebruikt die hij aan [verdachte] heeft verkocht. Met [roepnaam medeverdachte] bedoelt hij [medeverdachte 1] . [77] [medeverdachte 1] heeft [naam] verteld dat hij werkzaam was voor PMR (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] ). [78]
Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] hebben in de periode van 29 januari 2020 tot en met 12 februari 2020 vier overboekingen plaatsgevonden naar een bankrekening op naam van Zalando Payments GmbH. Uit gegevens ontvangen van Zalando bleek dat dit om vier aankopen ging op naam van [alias medeverdachte] , met als aflever- en factuuradres ‘ [roepnaam medeverdachte] [medeverdachte 1] , [adres] [woonplaats ] ’, het woonadres van [medeverdachte 1] . [79] Over deze betalingen heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij dan kon beschikken over de rekening. Wat hij bestelde ging van zijn provisie af. [80]
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank, bezien in combinatie met de CIOT-gegevens, volgt verder dat de bankgegevens van [bedrijf] van 8 januari tot en met 31 maart 2020 964 maal zijn benaderd via een IP-adres dat staat geregistreerd op [adres] te [plaats] . [81]
[medeverdachte 1] heeft (schriftelijk) verklaard dat hij af en toe handelde in edelmetalen via [bedrijf] . [82] Hij deed inkoop en verkoop (de rechtbank begrijpt: van edelmetalen) voor [bedrijf] . Daar kreeg hij een provisie voor. [83] Hij handelde daarbij voor zichzelf en kwam voor die handel bij [bedrijf] . [84]
Dat [medeverdachte 1] op de hoogte was van en toegang had tot de ABN ARMO-rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] , en dat hij op de hoogte was van de bedragen die binnenkwamen op die bankrekening en de afboeking door de ABN AMRO-bank, omdat sprake zou zijn van fraude, leidt de rechtbank af uit de chatgesprekken tussen hem en [verdachte] , zoals die zijn weergegeven in de voorgaande paragraaf. Uit die chatgesprekken leidt de rechtbank ook af dat [medeverdachte 1] [verdachte] aanstuurde door hem te vertellen wat hij moest doen.
2.3.4.6
Vermoeden van criminele herkomst
Zoals besproken in paragraaf 0 volgt uit het bericht van FINMA dat de overboekingen van de Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen naar [bedrijf] BV vermoedelijk te maken hadden met oplichtingspraktijken. Verder is in die paragraaf ingegaan op de verklaring van [naam] , waaruit kan worden opgemaakt dat de bankrekening op naam van [bedrijf] onderdeel is van een geldstroom van [bedrijf] BV, via [bedrijf] en [bedrijf] naar [bedrijf] BV, een geldstroom die vermoedelijk te maken had met oplichtingspraktijken. Dat er (grote) geldbedragen heen en weer gaan tussen bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] en [bedrijf] volgt ook uit de in- en uitgaande geldstromen zoals besproken in de paragrafen 2.3.4.2 en 2.3.4.3. Dat er sprake was van een mogelijke criminele herkomst van de geldstroom via de ABN AMRO-bankrekening op naam van de vennootschap volgt ook uit de afboeking (blokkade) van die geldstroom door de ABN AMRO-bank en het feit dat slechts een klein deel van het geblokkeerde geld wordt vrijgegeven (zie paragraaf 2.3.4.2).
Verder valt op dat de goudbestellingen door [bedrijf] bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV afkomstig waren van meerdere vennootschappen die hiervoor al aan de orde zijn gekomen of hierna nog worden besproken en die door de politie in het dossier worden aangeduid als behorend tot het Dwerguil-cluster.
Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat de omzet van [bedrijf] BV een opvallende stijging vertoont vanaf 2020. In de jaren 2016 tot en met 2019 bedroeg die omzet steeds tussen de € 61.500,00 en € 43.214,00, met een maximum van € 107.000,00 in 2017. In 2020 was de omzet € 10.348.810,00 [85] , terwijl de vennootschap op 30 augustus van dat jaar is ontbonden. Het jaar 2020 is ook het jaar dat de geldstromen plaatsvinden zoals besproken in de paragrafen 2.3.4.2 en 2.3.4.3.
Gelet hierop, en ook gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 1] bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV (alleen [medeverdachte 1] ), [bedrijf] BV is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 2.3.4.2 en 2.3.4.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
2.3.5
De criminele herkomst en de wetenschap van [verdachte]
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van het onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de op artikel 420bis Sr en verder toegesneden tenlastelegging, gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het betreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet hoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
De rechtbank heeft hiervoor telkens en voor iedere aan [verdachte] ten laste gelegde geldstroom overwogen dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de voorwerpen genoemd op de tenlastelegging. Ter terechtzitting heeft hij over [bedrijf] BV verklaard van niets te weten en “daar” nooit geld te hebben gezien. Voor [bedrijf] BV heeft hij geen bankrekening geopend. Hij heeft de vennootschap overgenomen op vertrouwensbasis en is niet nagegaan wat er in de vennootschap zat. Bij gebreke van een verklaring die voldoet aan de genoemde eisen, is de rechtbank, gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, van oordeel dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
De verdediging heeft opgemerkt dat [medeverdachte 1] de enige is die een verklaring kan afleggen over de herkomst van de geldbedragen en dat [medeverdachte 1] wijst naar [naam] (hierna: [naam] ) en [naam] (hierna: [naam] ). De rechtbank merkt daarover het volgende op.
Zoals uit het voorgaande blijkt, is [verdachte] betrokken bij en had hij wetenschap van de geldbedragen die onderdeel uitmaken van de tenlastelegging. Zoals in de volgende paragraaf zal worden besproken heeft hij ten aanzien van die geldbedragen ook witwashandelingen verricht. Gelet daarop is het de verantwoordelijkheid van [verdachte] zelf om zich te vergewissen van de herkomst van die geldbedragen en mag van hem worden verwacht dat hij daarover een verklaring geeft die voldoet aan de voornoemde eisen. Dat [medeverdachte 1] en [naam] ( [naam] is inmiddels overleden) mogelijk ook een verklaring kunnen geven over die herkomst doet daar niet aan af.
[verdachte] moet ook hebben geweten dat de geldbedragen afkomstig waren uit misdrijf. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, moet hij op de hoogte zijn geweest van de bankrekeningen waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstromen zijn gelopen. Ten aanzien van [bedrijf] BV wist [verdachte] dat de doorzoekingen aan [adres] te [plaats] en zijn woonadres te maken hadden met [bedrijf] BV en dat er met die vennootschap iets aan de hand was dat de politie niet mag weten. Ook moet hij hebben geweten dat [medeverdachte 2] als katvanger werd gebruikt voor de rekening die uit naam van [medeverdachte 2] is geopend bij de Bunq-bank op naam van [bedrijf] BV, zijnde een constructie die was bedoeld om onder anderen [verdachte] af te schermen. [verdachte] was bovendien op de hoogte van de geldbedragen die vanaf Duitse bankrekeningen binnenkwamen op de bankrekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] en dat de ABN AMRO-bank deze geldbedragen in verband bracht met fraude. [verdachte] was verder betrokken bij de goudaankopen van [bedrijf] BV en [bedrijf] BV bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV.
2.3.6
Witwashandelingen van [verdachte]
Voor het (als pleger) ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Als het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is ten laste gelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Ook dan is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen (vgl. HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112, rechtsoverwegingen 2.4.1 en 2.4.2).
Het ‘voorhanden hebben’ vereist feitelijke zeggenschap over het voorwerp en strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Het is daarbij niet nodig dat de verdachte altijd direct over het voorwerp kan beschikken. Voor het (als pleger) ‘verwerven’ van een voorwerp gaat het om het verrichten van een handeling die tot gevolg heeft dat de feitelijke zeggenschap over een voorwerp wordt verkregen (vgl. HR 10 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:871, rechtsoverweging 2.4).
Zoals in de voorgaande paragraaf is overwogen, moet [verdachte] op de hoogte zijn geweest van de bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV en [bedrijf] BV / [bedrijf] waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstromen zijn gelopen. Op het moment dat de geldbedragen binnenkwamen op die rekeningen was hij ook de enige (indirect) bestuurder van de vennootschappen en had hij daarmee feitelijke zeggenschap over de betreffende bankrekeningen. [verdachte] wist bovendien dat op de bankrekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] geldbedragen binnenkwamen vanaf Duitse bankrekeningen. Uit de chat tussen hem en [medeverdachte 1] , zoals aangehaald in paragraaf 2.3.4.4, volgt verder dat [verdachte] voorafgaand aan de overboekingen uit Duitsland contact heeft gehad met de ABN AMRO-bank om ervoor te zorgen dat gebankierd kon worden via internet. Nadat de gelden door de ABN AMRO-bank geblokkeerd waren in verband met vermoedens van fraude had hij contact met de bank en met een advocaat om er voor te zorgen dat het geld zou worden vrijgegeven. [verdachte] was verder betrokken bij de goudaankopen van [bedrijf] BV bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde geldbedragen op de bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV en [bedrijf] BV / [bedrijf] voorhanden heeft gehad.
De rechtbank stelt verder vast dat [verdachte] een actieve rol had (contact met de bank en een advocaat over het aanzetten van internetbankieren en het deblokkeren van het geld) bij het verwerven van de ten laste gelegde geldbedragen die zijn gelopen via de bankrekeningen van [bedrijf] BV en bij het aankopen van goud dat betaald is via die vennootschap (overdragen en omzetten).
Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat [verdachte] zelf enige bemoeienis heeft gehad bij de overige ten laste gelegde witwashandelingen, dan wel feitelijke zeggenschap heeft gehad over het goud dat is aangekocht via de bankrekening op naam van [bedrijf] BV en de contante opnames via de bankrekeningen van [bedrijf] BV en [bedrijf] BV. De rechtbank zal hem in zoverre daarom vrijspreken van het tenlastegelegde.
2.3.7
Medeplegen
Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , en daarmee van medeplegen.
2.3.8
Gewoonte en handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf
Gelet op de hoogte, frequentie en de lange periode (negen maanden) dat [verdachte] heeft witgewassen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De rechtbank zal hem daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
2.3.9
Conclusie
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] in de periode van 3 september 2019 tot en met 31 maart 2020 tezamen en in vereniging met anderen een gewoonte heeft gemaakt van witwassen door (girale) geldbedragen te verwerven en voorhanden te hebben en die geldbedragen vervolgens over te dragen en/of om te zetten in goud, als volgt.
(Girale) geldbedragen (in de tenlastelegging genoemd onder A):
(Aankoop)waarde goud (in de tenlastelegging genoemd onder B):
2.4
Het verzoek tot het horen van [getuige]
2.4.1
Het verzoek van de verdediging en het standpunt van de officier van justitie
De raadsman heeft ter terechtzitting het verzoek tot het horen van [getuige] (geboren op [geboortedag] 1974; hierna: [getuige] ) herhaald.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
2.4.2
De beoordeling door de rechtbank
Het verzoek tot het horen van [getuige] is na een verzoek daartoe van de verdediging op 29 september 2023 door de rechtbank toegewezen. Desondanks heeft de verdediging geen gebruik kunnen maken van haar ondervragingsrecht.
De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen verklaring van [getuige] bevindt en dat een (belastende) verklaring zijnerzijds door de rechtbank dus ook niet als bewijs is gebruikt. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat uitlatingen van personen in chatberichten ook niet worden aangemerkt als een buiten de aanwezigheid van de verdediging afgelegde getuigenverklaring. Overigens heeft de rechtbank de zich in het dossier bevindende SkyECC-berichten ook niet gebruikt voor het bewijs. Dat betekent dat [getuige] niet kan worden beschouwd als een zogenaamde Keskin-getuige.
Dat neemt niet weg dat de rechtbank voordat zij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van Pro het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal de rechtbank hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij de beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of, en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
De raadsman heeft het herhaalde verzoek tot het horen van [getuige] ter terechtzitting nauwelijks toegelicht. Hij heeft volstaan met de opmerking dat hij zich aansluit bij het door de raadsman van [medeverdachte 1] gedane verzoek tot het horen van [getuige] , met de toevoeging dat hij “eerder heeft meegemaakt dat een getuige belastend over een cliënt van hem verklaart”. Hoewel dat wel op zijn weg had gelegen, heeft hij niet nader gemotiveerd wat bij de huidige stand van zaken in de strafzaak van [verdachte] het (verdedigings)belang is bij het (alsnog) horen van [getuige] .
De rechtbank ziet aanleiding terug te grijpen op de motivering die de raadsman eerder (in een brief van 29 augustus 2023) voor het verzoek tot het horen van [getuige] heeft gegeven, aannemende dat die motivering nog altijd aan de wens tot het horen van [getuige] ten grondslag ligt. Die motivering komt erop neer dat onder anderen [getuige] girale gelden zou hebben ontvangen van of hebben verzonden naar bankrekeningen die gelinkt worden aan ‘het cluster’ (AH111-004, pag. 100898). De verdediging wenst [getuige] onder meer te bevragen over zijn beschikkingsmacht over deze gelden, over de reden van deze geldstromen, en of [verdachte] daar enige betrokkenheid bij heeft gehad.
Waar het gaat om de herkomst van de ten laste gelegde voorwerpen (“de reden van deze geldstromen”) verwijst de rechtbank naar wat zij daarover in paragraaf 2.3.5 heeft overwogen over de eigen verantwoordelijkheid van [verdachte] als het gaat om het geven van een verklaring over de herkomst van de voorwerpen. Dat [getuige] mogelijk ook een verklaring kan geven over die herkomst doet daaraan niet af. Waar het gaat om de betrokkenheid van [verdachte] bij de ten laste gelegde voorwerpen geldt naar het oordeel van de rechtbank voorts dat aan een (mogelijke) verklaring van [getuige] daarover, binnen het geheel van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen over die betrokkenheid, geen gewicht toekomt.
Daarbij komt nog dat op 18 februari 2026 een getuigenverhoor met [getuige] in Duitsland gepland was. Voorafgaand aan dat verhoor hebben [getuige] en zijn raadsman herhaaldelijk aangegeven dat [getuige] gelet op zijn verschoningsrecht geen enkele vraag zal beantwoorden. De rechter-commissaris heeft op basis van het ‘Anklageschrift’ jegens [getuige] ook vastgesteld dat aan [getuige] inderdaad het verschoningsrecht toekomt. De verdediging is vervolgens akkoord gegaan met het afdoen van het onderzoek door de rechter-commissaris middels een proces-verbaal van bevindingen.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat ook zonder de mogelijkheid tot het horen van [getuige] het strafproces als geheel eerlijk is verlopen, als vereist op grond van artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank wijst het verzoek tot het alsnog horen van [getuige] daarom af.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij,
in
of omstreeksde periode van 3 september 2019 tot en met 31 maart 2020 te
- Winterswijk en
/of
- Duiven en
/of
-
Amsterdam en/of
- Oldeholtpade, gemeente Weststellingwerf en
/of
- Haaksbergen
,
-
(elders
)in Nederland,
(telkens
)tezamen en in vereniging met een ander,
althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt
en/of witwassen heeft
gepleegd in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, hierin bestaande dat hij,
verdachte, en
/ofzijn mededader
(s
),
(een)voorwerp
(en
), bestaande uit een of meer (grote) geldbedrag
(en
)tot een totaal
van ongeveer EUR 1.086.290 (A),
althans enig geldbedragen
/ofeen grote
hoeveelheid goud
en/goudgranulaat en/of (andere) edelmetalenmet een
(totale
)
waarde van EUR
710.990,51(B)
en/of een hoeveelheid contant geld van in totaal EUR
31.908 (C),
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet,
door:
A:
-
een of meerNederlandse bankrekeningen, op naam van
één of meer
rechtspersonen,
althans op een andere naam dan van hem, verdachte,te (laten)
openen en
/ofaan te houden en
/ofvervolgens op
één of meer vandie rekeningen
een of meer(grote) geldbedragen te ontvangen, te weten:
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf]
BV
een of meerbedragen tot een totaal van EUR 588.300
(AH067)en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf]
BV
een of meerbedragen tot een totaal van EUR 382.990
(AH074)en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , ten name van [bedrijf]
een of meerbedragen tot een totaal van EUR 115.000
(AH244),
en
/of
B:
- voor
een of meergrote bedrag
(en
)goud
en/of goudgranulaat en/of (andere)
edelmetalenaan te kopen, te weten:
• goud
en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalenvoor een bedrag van
(in
totaal
) EUR 858.697 (AH067) en/ofEUR 9.594
(AH070)bij [bedrijf] BV,
althans bij één of meer onder die rechtspersoon geregistreerde handelsnamenen
/of
• goud
en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalenvoor een bedrag van
(in
totaal
)EUR 597.621
(AH070)en
/ofEUR 9.020
(AH070)bij [bedrijf] BV
, althans bij één
of meer onder die rechtspersoon geregistreerde handelsnamenen
/of
• goud
en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalenvoor een bedrag van
(in
totaal
)EUR 94.754
(AH070)bij [bedrijf] BV
en/of
C:
- een of meer bedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) EUR 28.253 (AH067) en/of EUR
3.655 (AH070) contant op te nemen,
terwijl hij, verdachte, en
/ofzijn mededader
(s
), (telkens) wist
(en
)dat
dit/deze
geldbedrag
(en
)- onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig
was/waren uit
enig
(e)misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie als bijkomende straffen gevorderd een beroepsverbod in de zin van artikel 28 Sr Pro voor de duur van vijf jaar voor de uitoefening van werkzaamheden als bestuurder van een vennootschap en de ongeanonimiseerde publicatie van de uitspraak op Rechtspraak.nl. Ook heeft zij de gevangenneming gevorderd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht een fors lagere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist en daartoe het volgende aangevoerd.
Er is sprake van een discrepantie tussen de zaak van verdachte en de zaken van anderen, die binnen het Dwerguil-cluster ook bestuurder van een bedrijf zijn geweest en weleens goud hebben opgehaald. De zaken van die anderen zijn namelijk geseponeerd. De rol van [verdachte] wordt door het openbaar ministerie overschat.
Er dient voorts rekening te worden houden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Hij is een man van bijna tachtig jaar oud, waardoor zijn fysieke gesteldheid hem steeds meer in de steek laat. Ook wordt zijn echtgenote wegens dementie steeds afhankelijker van hem.
Verder is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van anderhalf jaar.
De vordering tot gevangenneming dient te worden afgewezen, waarbij de raadsman wijst op het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:987). De eerdere veroordelingen van [verdachte] voor fraudezaken liggen ver in het verleden. Er is geen sprake van een concreet recidivegevaar en er is daarom geen noodzaak om [verdachte] bij vonnis direct gevangen te laten nemen. Ook de gevorderde ongeanonimiseerde publicatie van de uitspraak dient te worden afgewezen.
7.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
[verdachte] heeft samen met anderen in de periode van 3 september 2019 tot en met 31 maart 2020 een gewoonte gemaakt van het witwassen van meerdere geldbedragen van in totaal € 1.086.290,00 en het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 710.990,51 door dat geldbedrag over te dragen en om te zetten in goud. Het geld was afkomstig van Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren. Het geld kwam binnen op bankrekeningen van vennootschappen waar [verdachte] als (indirect) bestuurder bij betrokken was. Hij stelde die vennootschappen beschikbaar aan [medeverdachte 1] en had op zijn verzoek contact met de bank bij blokkade van de rekening. Door dit handelen heeft [verdachte] bijgedragen aan het doorbreken van de zogenaamde ‘papertrail’ en ervoor gezorgd dat er geen zicht meer was op het van misdrijf afkomstige geld. Hij deed dit enkel ten behoeve van zijn eigen financiële gewin. Meermalen vroeg hij [medeverdachte 1] geld en kreeg hij dit geld vervolgens ook.
Witwassen betreft een ernstig strafbaar feit. Het werkt faciliterend voor andere kwalijke misdrijven, vormt een bedreiging voor de legale economie en tast het vertrouwen in het financiële en economische verkeer aan. [verdachte] heeft er geen blijk van gegeven de ernst van zijn handelen in te zien en heeft daarvoor ook geen verantwoordelijkheid genomen. Dit spreekt niet in zijn voordeel.
Over het strafblad van [verdachte] merkt de rechtbank op dat hij in 2016 is veroordeeld voor oplichting, het medeplegen van oplichting en het medeplegen van witwassen. Dit maakt dat sprake is van recidive. Verder is artikel 63 Sr Pro van toepassing wegens een veroordeling in 2025 tot 120 uur taakstraf waarvan 60 uur voorwaardelijk voor schuldwitwassen en valsheid in geschrift, gepleegd op 13 februari 2019.
Voorts dient rekening te worden gehouden met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn. Ingeval van overschrijding van de redelijke termijn is vermindering van de op te leggen straf de aangewezen sanctie. De duur van de redelijke termijn is blijkens vaste jurisprudentie mede afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, waaronder begrepen de gelijktijdige berechting van meerdere zaken tegen een verdachte. Ook andere omstandigheden kunnen verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van in beginsel twee jaren is aangevangen op 2 mei 2023, de datum waarop de dagvaarding aan [verdachte] is betekend. Vanaf die datum kon hij er rekening mee houden dat hij zou worden vervolgd. Tussen die datum en de datum van dit eindvonnis ligt een periode van ruim drie jaren en één maand. De rechtbank ziet geen omstandigheden die rechtvaardigen dat voor de redelijke termijn een langere termijn dan twee jaren in acht wordt genomen. Daarmee is in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim een jaar en één maand. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdediging, dient dit gecompenseerd te worden door verkorting van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feiten het feit dat sprake is van recidive, acht de rechtbank alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. Bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,00 en hoger geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van ten minste 24 maanden. Verder weegt de rechtbank, naast het feit dat sprake is van recidive, ten nadele van [verdachte] mee dat hij, in tegenstelling tot [medeverdachte 3] , ook betrokken is geweest bij het verwerven van het (girale) geldbedrag en het omzetten van de geldbedragen in goud. Wel is bij [verdachte] sprake van een lager witgewassen geldbedrag dan bij [medeverdachte 3] .
De rechtbank beseft dat het ondergaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een ontwrichtend effect zal hebben op het leven van [verdachte] , maar ziet geen zodanige klemmende persoonlijke omstandigheden dat van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden afgezien. Wel zal de rechtbank in strafmatigende zin rekening houden met het feit dat verdachte behoorlijk op leeftijd is. Alles afwegende zou naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden zonder meer passend zijn. . Wegens de overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar en één maand zal de rechtbank hierop een korting van (ruim) tien procent toepassen. Daarmee komt de rechtbank uit op een passende gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Het verschil in strafmaat ten opzichte van [medeverdachte 2] laat zich verklaren door de recidive op het strafblad van [verdachte] en de andere en verdergaande rol die [verdachte] heeft gehad. Ook ten aanzien van [medeverdachte 3] ziet de rechtbank een verschil in rollen hetgeen is meegewogen in de strafmaat.
De vordering tot gevangenneming
De vordering tot gevangenneming zal de rechtbank afwijzen. Er is weliswaar sprake van ernstige bezwaren, maar er zijn geen gronden aanwezig.
Dat sprake is van recidive, maakt in dit geval nog niet dat de recidivegrond van toepassing is. Sinds de pleegdata waarop de recidive ziet zijn meerdere jaren verstreken en datzelfde geldt voor de pleegdata waarop de veroordeling van 2025 ziet. Na 2021 is [verdachte] niet opnieuw bij politie en justitie in beeld gekomen voor misdrijven. De uit het strafblad blijkende recidive vormt geen reden om de recidivegrond aan te nemen. De rechtbank weegt bovendien mee dat [verdachte] niet in verzekering of voorlopige hechtenis heeft verbleven voor het bewezenverklaarde feit.
De vordering tot het ongeanonimiseerd publiceren van het vonnis
Op grond van artikel 36 Sr Pro kan de rechtbank krachtens de wet openbaarmaking van de uitspraak gelasten. In het Wetboek van Strafrecht is per titel aangegeven of openbaarmaking van de uitspraak mogelijk is. De titel waarin het artikel 420bis staat vermeld (boek 2 titel XXXA) bevat niet zo’n bepaling. Reeds bij gebreke van een wettelijke grondslag zal de rechtbank niet de openbaarmaking van het vonnis gelasten.
Het gevorderde beroepsverbod
[verdachte] is (indirect) bestuurder geweest van meerdere vennootschappen die zijn gebruikt voor het bewezenverklaarde gewoontewitwassen. Hij stelde die vennootschappen beschikbaar aan [medeverdachte 1] en had op zijn verzoek contact met de bank over geblokkeerde rekeningen. Hij heeft zijn rol als indirect bestuurder van [bedrijf] BV bovendien misbruikt door [medeverdachte 2] één dag als bestuurder te laten optreden van die vennootschap. Daardoor kon [medeverdachte 2] worden gebruikt als de katvanger voor de rekening van de vennootschap. Hij heeft zijn positie als (indirect) bestuurder van de vennootschappen daarmee ernstig misbruikt. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij handelt in vennootschappen door ze op zijn naam te zetten en later weer te verkopen. Uit het strafblad van [verdachte] blijkt verder dat hij meermalen is veroordeeld voor fraudedelicten. De rechtbank ziet in deze omstandigheden reden aan [verdachte] een beroepsverbod op te leggen, inhoudende dat hij voor de duur van 90 maanden wordt ontzet van het recht tot de uitoefening van het beroep van bestuurder van een vennootschap. De rechtbank legt een langer beroepsverbod op aan [verdachte] dan aan [medeverdachte 3] vanwege het strafblad van [verdachte] , waarop meer relevante veroordelingen staan dan op het strafblad van [medeverdachte 3] . Bovendien was [verdachte] bij meer vennootschappen in het Dwerguil-cluster betrokken dan [medeverdachte 3] .
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 28, 31, 47, 63, 420ter en 420quinquies van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 wijst het verzoek tot het horen van [getuige] als getuige af;
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30(dertig)
maanden;
 ontzet verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een vennootschap voor de duur van 90 (negentig) maanden;
 wijst af de vordering tot gevangenneming.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en
mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2026.
Mr. K.A.M. van Hoof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ONRBB20013/Dwerguil, gesloten op 23 februari 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700071, p. 700141.
3.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700099, p. 700144.
4.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700073.
5.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700146.
6.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700149.
7.Verklaring van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris, p. 4.
8.Proces-verbaal van verhoor [persoon 1] , p. 700248, 700252.
9.Tapgesprekken, p. 500041, p. 500050-500051, p. 500055.
10.Tapgesprekken, p. 500051, p. 500076, p. 500083.
11.Tapgesprek, p. 500055.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100602, p. 100609-100610.
13.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100691.
14.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
15.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101941.
16.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101948.
17.Verklaring van [verhuurder] bij de rechter-commissaris, p. 2-4.
18.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700157-700158.
19.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (V01.05), p. 2 (aanvullend dossier).
20.Uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK), p. 100051; proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 25.
21.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 700020, 700022.
22.KvK, p. 100052.
23.KvK, p. 100054.
24.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 22-23.
25.Excel-overzicht AH008-009 (aanvullend dossier, niet genummerd).
26.E-mail d.d. 22 december 2020, p. 100447.
27.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100740.
28.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100725.
29.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100880; KvK, p. 100220.
30.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100881.
31.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100726.
32.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100740.
33.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 30.
34.KvK, p. 101184-101185.
35.Overzicht betalingen, p. 101191-101194; overzicht facturen, p. 101188.
36.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101173.
37.Debiteurenuitdraai [bedrijf] BV, p. 101180.
38.Proces-vervaal van bevindingen, p. 101158; factuur, p. 101162; kopie identiteitsbewijs, p. 101163.
39.Klantoverzicht [bedrijf] , p. 100468; kopie identiteitsbewijs, p. 100471.
40.Klantoverzicht [bedrijf] , p. 100485; overzicht debiteur, p. 101175.
41.EOB, p. 300002; proces-verbaal van bevindingen, p. 101049.
42.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 700023.
43.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101052; tapgesprek p. 500066.
44.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101050; tapgesprek, p. 500069.
45.Tapgesprek, p. 500071.
46.Tapgesprek, p. 500075.
47.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101416.
48.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (V01.05), p. 4 (aanvullend dossier).
49.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101417.
50.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101447-101448.
51.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 400002.
52.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 400002.
53.Proces-verbaal algemeen dossier, p. 8.
54.Verklaring van [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris, p. 2, 5.
55.Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon [bedrijf] BV, ongenummerd (aanvullend dossier).
56.Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon [bedrijf] BV, ongenummerd (aanvullend dossier).
57.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101510, 101512.
58.KvK, p. 100038-100040.
59.KvK, p. 100038-100039, p. 100041.
60.Excel-overzicht AH008-019 (aanvullend dossier, niet genummerd).
61.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101684-101685.
62.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100730-100731.
63.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100731-100732.
64.Overzicht factuurnummers, p. 100492.
65.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24.
66.Gegevens klant [bedrijf] , p. 100485.
67.Verklaring van [naam] bij de rechter-commissaris, p. 2.
68.Overzicht klant [bedrijf] , p. 100485.
69.Liste Aufträge zum Partner, p. 101176.
70.Overzicht debiteur [bedrijf] , p. 101175.
71.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101158.
72.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101508.
73.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101946.
74.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101947-101948.
75.Excel-overzicht AH244-001 (aanvullend dossier, niet genummerd).
76.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700154, p. 700158.
77.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700154, p. 700158.
78.Verklaring van [naam] bij de rechter-commissaris, p. 3.
79.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101504.
80.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , p. 3 (aanvullend dossier).
81.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101508.
82.Schriftelijke verklaring [medeverdachte 1] , ongenummerd (aanvullend dossier).
83.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , p. 10 (aanvullend dossier).
84.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , p. 2 (aanvullend dossier).
85.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101403.