Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4445

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
05/054843-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 420ter SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 28 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewoontewitwassen met ontzetting als bestuurder

In de zaak tegen verdachte is bewezen verklaard dat hij in de periode van 3 september 2019 tot en met 16 april 2020 samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van witwassen. Dit betrof het verwerven, voorhanden hebben, overdragen en omzetten van grote geldbedragen, edelmetalen en contanten via diverse bankrekeningen en vennootschappen binnen het zogenaamde Dwerguil-cluster.

Verdachte was formeel bestuurder en/of gemachtigde van meerdere vennootschappen die betrokken waren bij de geldstromen, maar had een beperkte rol en fungeerde vooral als katvanger. Hij wist van de criminele herkomst van de gelden en heeft ook goud opgehaald dat met witgewassen geld was betaald. De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger was en dat sprake was van gewoontewitwassen, maar dat hij niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

De verdediging voerde aan dat verdachte kwetsbaar was en misbruikt als katvanger, en dat er onvoldoende bewijs was voor zijn wetenschap en zeggenschap. Het verzoek tot het horen van een getuige werd afgewezen omdat het proces eerlijk was verlopen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 22 maanden op, met korting wegens overschrijding van de redelijke termijn, en een ontzetting van 46 maanden als bestuurder. De vorderingen tot gevangenneming en ongeanonimiseerde publicatie van het vonnis werden afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf en 46 maanden ontzetting als bestuurder wegens medeplegen van gewoontewitwassen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/054843-23
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] (hierna: [verdachte] ),
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
Raadsvrouw: mr. A. van der Poel, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
Inhoudsopgave
1 De inhoud van de tenlastelegging3
2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs4
2.1 Inleiding4
2.2 De standpunten5
2.2.1 Het standpunt van de officier van justitie5
2.2.2 Het standpunt van de verdediging5
2.3 Beoordeling door de rechtbank6
2.3.1 Inleiding6
2.3.2 Door [medeverdachte 1] gebruikte identiteiten, telefoonnummers en panden7
2.3.3 [bedrijf] BV ( [bedrijf] BV)9
2.3.4 [bedrijf] BV ( [bedrijf] )15
2.3.5 [bedrijf] BV19
2.3.6 Rekeningen op naam van [verdachte]22
2.3.7 De criminele herkomst en de wetenschap van [verdachte]26
2.3.8 Witwashandelingen van [verdachte]27
2.3.9 Medeplegen28
2.3.10 Gewoonte en handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf28
2.3.11 Conclusie28
2.4 Het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van [getuige]29
2.4.1 Het verzoek van de verdediging en het standpunt van de officier van justitie29
2.4.2 De beoordeling door de rechtbank29
3 De bewezenverklaring30
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde32
5 De strafbaarheid van het feit32
6 De strafbaarheid van de verdachte32
7 De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel33
7.1 Het standpunt van de officier van justitie33
7.2 Het standpunt van de verdediging33
7.3 De beoordeling door de rechtbank33
8 De toegepaste wettelijke bepalingen35
9 De beslissing36

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij,
in of omstreeks de periode van 3 september 2019 tot en met 7 juli 2020 te
- Winterswijk en/of
- Duiven en/of
- Amsterdam en/of
- Oldeholtpade, gemeente Weststellingwerf en/of
- Arnhem en/of
- ( elders) in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of witwassen heeft
gepleegd in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, hierin bestaande dat hij,
verdachte, en/of zijn mededader(s),
(een) voorwerp(en), bestaande uit een of meer (grote) geldbedrag(en) tot een totaal
van ongeveer EUR 1.863.548 (A) althans enig geldbedrag en/of een grote
hoeveelheid goud en/goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen met een (totale)
waarde van EUR 947.795 (B) en/of een hoeveelheid contant geld van in totaal EUR
271.965 (C),
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet,
door:
A:
- een of meer Nederlandse bankrekeningen, op naam van één of meer
rechtspersonen, althans op een andere naam dan van hem, verdachte, te (laten)
openen en/of aan te houden en/of vervolgens op één of meer van die rekeningen
een of meer (grote) geldbedragen te ontvangen, te weten:
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf]
BV een of meer bedragen tot een totaal van EUR 588.300 (AH067) en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf]
BV een of meer bedragen tot een totaal van EUR 382.990 (AH074) en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , ten name van [bedrijf]
een of meer bedragen tot een totaal van EUR 558.820 (AH068) en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , ten name van [bedrijf]
BV en/of [bedrijf] BV een of meer bedragen tot een totaal van EUR 241.600
(AH075) en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , ten name van
[bedrijf] BV een of meer bedragen tot een totaal van EUR 91.838
(AH098),
en/of
B:
- voor een of meer grote bedrag(en) goud en/of goudgranulaat en/of (andere)
edelmetalen aan te kopen, te weten:
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal) EUR 858.697 (AH067) en/of EUR 43.535 (AH075) bij [bedrijf] BV,
althans bij één of meer onder die rechtspersoon geregistreerde handelsnamen en/of
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal) EUR 4.841 (AH075) en/of EUR 3.257 ((AH098) bij [bedrijf] BV, althans bij één of
meer onder die rechtspersoon geregistreerde handelsnamen en/of
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal) EUR 37.465 (AH075) bij [bedrijf] BV
en/of
C:
- een of meer bedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) EUR 28.253 (AH067) en/of EUR
221.078 (AH096) en/of EUR 22.634 (AH098) contant op te nemen,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat dit/deze
geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit
enig(e) misdrijf.
2
Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
2.1
Inleiding
Op 5 oktober 2020 is door de Eenheid Oost-Nederland een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam Dwerguil. De start van het onderzoek was een rapport van de Financial Intelligence Unit (FIU) dat op 5 oktober 2020 aan het onderzoeksteam ter beschikking werd gesteld. In dit rapport zijn dertien verdachte transacties gemeld (door de Bunq Bank en betaalprovider Mollie BV) die betrekking hebben op de rechtspersoon [bedrijf] . Uit hierop volgend onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [bedrijf] onderdeel uitmaakt van een groter geheel van ondernemingen en daaraan gerelateerde bankrekeningen (door het onderzoeksteam het Dwerguil-cluster genoemd). Dit cluster is volgens de politie verantwoordelijk voor het in de periode van september 2019 tot en met februari 2021 witwassen van ruim 7 miljoen euro aan vermeende fraudegelden, door deze gelden te ontvangen en vervolgens ruim 6,4 miljoen euro om te zetten in edelmetalen, contanten en cryptocurrency. Onduidelijk is waar deze edelmetalen (goud) en contanten uiteindelijk gebleven zijn en wat er gebeurd is met het geld dat overgeboekt werd naar een cryptocurrency exchange.
In het onderzoek Dwerguil zijn door het openbaar ministerie naast verdachte, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) gedagvaard.
Uit het dossier kan worden afgeleid dat volgens de politie het Dwerguil-cluster bestaat uit verschillende vennootschappen en eenmanszaken, al dan niet onder gebruikmaking van één of meerdere handelsnamen. Het gaat dan om:
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] BV),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] Group),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] , D. [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] ) en
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] ).
Ook zou gebruik gemaakt zijn van bankrekeningen op naam van [verdachte] , [medeverdachte 3] en de personen [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ).
De verschillende geldstromen en vennootschappen/ondernemingen zullen hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de tenlastelegging, aan de orde komen.
2.2
De standpunten
2.2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en dat gewoontewitwassen bewezen kan worden, gelet op de duur en intensiteit van de handelingen. [verdachte] wist dat de verworven en voorhanden gekregen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren en dat deze gelden werden omgezet in goud en contant werden opgenomen. Ook het medeplegen kan bewezen worden, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met andere personen. Van het handelen in beroep of bedrijf heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevraagd, nu daarvan geen sprake was.
2.2.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde en daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.
Niet aannemelijk is geworden dat het geld uit Duitsland en Oostenrijk van misdrijf afkomstig is. Er is immers een verklaring gegeven over de herkomst van dit geld die nader onderzocht had kunnen worden door het horen van [naam] en [getuige] . Dat de verdediging hen niet heeft kunnen horen, kan niet voor rekening van de verdediging komen. Daarbij komt dat uit de FIU-registratie blijkt dat handel in goud een relatief veilige belegging betreft en het dus niet ondenkbaar is dat mensen daarin willen investeren.
Verder volgt uit het onderzoek op geen enkele manier dat [verdachte] gebruik heeft gemaakt of toegang had tot de bankrekeningen van de op de tenlastelegging genoemde bedrijven en de bankrekening op zijn naam. Er is ook geen enkel bewijs waaruit volgt dat [verdachte] degene is geweest die de bankrekeningen heeft geopend. Er is wel gebruik gemaakt van de bankrekeningen, maar de overboekingen en IP-adressen kunnen niet aan [verdachte] worden gekoppeld. Daarbij komt dat [medeverdachte 1] zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft verklaard dat hij toegang had tot en de beschikking had over de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV. Het enkele feit dat [verdachte] een bedrijf op naam heeft, zegt niks over het verwerven, voorhanden hebben of overdragen van geldbedragen die van misdrijf afkomstig zijn. Als [verdachte] geen toegang had tot de bankrekeningen, hij er geen bankpas of pincode van had en ook niet kon internetbankieren of op een andere manier zeggenschap had over de bankrekeningen, dan is er geen enkele feitelijke zeggenschap over het geld. Verder is er onvoldoende informatie om te zeggen dat [verdachte] daadwerkelijk betrokken is geweest bij de goudbestellingen en dus ook niet dat hij enige betrokkenheid had bij het omzetten.
Ook kan niet bewezen worden dat [verdachte] enige wetenschap had van het witwassen.
2.3
Beoordeling door de rechtbank
2.3.1
Inleiding
Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen in vereniging door in de periode van 3 september 2019 tot en met 7 juli 2020 op diverse rekeningen ongeveer € 1.863.548,00 te ontvangen, voor een € 947.795,00 edelmetalen aan te kopen en € 271.965,00 contant op te nemen, terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.
Alvorens in te gaan op de verschillende ten laste gelegde geldstromen zal de rechtbank in paragraaf 2.3.2 ingaan op het gebruik door [medeverdachte 1] van identiteiten van andere personen, telefoonnummers en panden, zodat in de overige paragrafen verwezen kan worden naar vaststellingen gedaan in deze paragraaf. In de paragrafen 2.3.3 tot en met 2.3.6 zal de rechtbank telkens per bankrekening op naam van de betrokken vennootschap, eenmanszaak of natuurlijk persoon de ten laste gelegde geldstromen (in- en uitgaand) en de aankopen van edelmetalen bespreken. Ook zal de rechtbank in die paragrafen ingaan op de betrokkenheid van verdachte en/of zijn medeverdachten bij die geldstromen en de vraag beantwoorden of sprake is van een vermoeden van criminele herkomst. Daarna zal de rechtbank in de paragrafen 2.3.7 tot en met 2.3.9 beoordelen of de geldstromen afkomstig zijn uit enig misdrijf en of verdachte en zijn medeverdachten dat wisten, welke witwashandelingen verdachte heeft verricht en of sprake is van medeplegen. Tot slot zal de rechtbank in paragraaf 2.3.10 ingaan op de vraag of verdachte en zijn medeverdachten een gewoonte hebben gemaakt van witwassen en/of zij hebben witgewassen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf en in paragraaf 2.3.11 een conclusie trekken ten aanzien van het ten laste gelegde feit.
2.3.2
Door [medeverdachte 1] gebruikte identiteiten, telefoonnummers en panden
2.3.2.1
De door [medeverdachte 3] gebruikte namen voor [medeverdachte 1]
[medeverdachte 3] herkent de foto van [medeverdachte 1] als de persoon die zichzelf [alias medeverdachte] of [alias medeverdachte] noemt. [medeverdachte 3] denkt dat hij zoiets als [roepnaam medeverdachte] heet. [2] [medeverdachte 3] heeft de nummers van [medeverdachte 1] opgeslagen in zijn telefoon onder de namen [alias medeverdachte] 1 ( [telefoonnummer] ), [alias medeverdachte] 2 (+ [telefoonnummer] en
[telefoonnummer] ) en [alias medeverdachte] 4 ( [telefoonnummer] ). [3] De naam [alias medeverdachte] en het daaraan gekoppelde telefoonnummer + [telefoonnummer] , die naar voren komen in whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias medeverdachte] is van de [alias medeverdachte] waarvan de politie hem ‘zojuist’ de foto heeft laten zien, van [medeverdachte 1] of [roepnaam medeverdachte] dus. [4] Ook de persoon die in whatsapp-chats door [medeverdachte 3] ‘ [alias medeverdachte] ’ wordt genoemd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] is [alias medeverdachte] . [5] Hetzelfde geldt voor de persoon die in chats door [medeverdachte 3] ‘ [alias medeverdachte] ’ wordt genoemd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [6] [roepnaam medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) noemt hij inmiddels [medeverdachte 1] . [7]
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de persoon die door [medeverdachte 3] (in zijn telefoon) [alias medeverdachte] , [alias medeverdachte] ( [alias medeverdachte] ), [alias medeverdachte] , [roepnaam medeverdachte] , [medeverdachte 1] en [roepnaam medeverdachte] wordt genoemd [medeverdachte 1] is.
2.3.2.2
Telefoonnummers
2.3.2.2.1 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Zoals uit paragraaf 2.3.2.1 volgt, is de [alias medeverdachte] uit de whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias medeverdachte] gekoppeld aan het telefoonnummer + [telefoonnummer] . De persoon die [medeverdachte 3] [alias medeverdachte] noemt, is [medeverdachte 1] .
Op 20 juli 2020 vraagt [alias medeverdachte] aan [medeverdachte 3] : “Kun je om 10 uur op kantoor in [plaats] zijn”. [8] Zoals hierna volgt uit paragraaf 2.3.2.3 huurt [medeverdachte 1] een ruimte in het pand aan [adres] in [plaats] en is hij daar ook wel eens.
In de telefoon van [naam] (hierna: [naam] ) is het telefoonnummer + [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam ( [roepnaam medeverdachte] ). [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam medeverdachte] ’ [medeverdachte 1] is. [9] Op 11 juni 2020 ontvangt [naam] op zijn telefoon een bericht van de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] . In dat bericht staat vermeld “Nieuw nr [roepnaam medeverdachte] ”. [10]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] en daarmee ook de persoon is die in de telefoon van [medeverdachte 3] staat opgeslagen onder de naam [alias medeverdachte] (zie paragraaf 2.3.2.1).
2.3.2.2.2 Telefoonnummer +31 6 33354433
Zoals uit paragraaf 2.3.2.1 volgt is de [alias medeverdachte] uit de whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias medeverdachte] , die gekoppeld is aan het telefoonnummer [telefoonnummer] , [alias medeverdachte] . De persoon die [medeverdachte 3] [alias medeverdachte] noemt, is [medeverdachte 1] .
Tussen [alias medeverdachte] en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) vindt de volgende whatsapp-conversatie plaats:
28-09-2020 [alias medeverdachte] aan [medeverdachte 3] Ben vanavond terug
(…)
28-09-2020 [alias medeverdachte] aan [medeverdachte 3] Zit in vliegtuig
(…)
14-10-2020 [alias medeverdachte] aan [medeverdachte 3] Ik ga morgen ff naar Turkije
(…)
21-10-2020 [alias medeverdachte] aan [medeverdachte 3] Ik ben morgen terug [11]
Uit de analyse van de passagierslijsten ontvangen van Turkish Airlines volgt dat [medeverdachte 1] op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam is gevlogen, op 15 oktober 2020 van Amsterdam naar Istanbul en op 22 oktober 2020 van Istanbul naar Amsterdam. [12]
In de telefoon van [naam] is het telefoonnummer [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam ( [roepnaam medeverdachte] ). [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam medeverdachte] ’ [medeverdachte 1] is. [13]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] en daarmee ook de persoon die in de telefoon van [medeverdachte 3] staat opgeslagen onder de naam ‘ [alias medeverdachte] ’ (zie paragraaf 2.3.2.1) en in de telefoon van [naam] onder de naam ( [roepnaam medeverdachte] ).
2.3.2.3
Locatie [adres] te [plaats]
Zoals hierna zal blijken, waren meerdere vennootschappen die betrokken zijn bij de in de tenlastelegging genoemde geldstromen gevestigd op het adres [adres] te [plaats] .
De verhuurder van het pand gelegen aan [adres] te [plaats] , [verhuurder] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] een oud huurder is van het pand in [plaats] en dat hij hem daar wel eens zag. Ook [medeverdachte 2] kwam wel eens in [plaats] (de rechtbank begrijpt: het pand aan [adres] ). [14]
[naam] heeft verklaard dat hij [verhuurder] kent van [adres] , daar is [verhuurder] eigenaar van (de rechtbank begrijpt: het pand aan [adres] te [plaats] ). [naam] heeft daar een postadres. [bedrijf] en [bedrijf] BV staan ingeschreven op dat adres. Hij betaalt 200 euro huur aan [verhuurder] . Daarvoor krijgt hij een brievenbus en kan hij gebruik maken van de ruimte die [medeverdachte 1] huurt. [medeverdachte 1] krijgt hierdoor korting op de huur die hij aan [verhuurder] betaalt. Met [roepnaam medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) bedoelt hij [medeverdachte 1] . [15]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat, als hij het heeft over “op kantoor”, zij dan zaten aan [adres] te [plaats] . [16]
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [medeverdachte 1] een ruimte huurde in het pand gelegen aan [adres] te [plaats] en dat hij daar ook wel eens was. De betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij het pand aan [adres] te [plaats] blijkt verder uit de telefoongesprekken tussen hem en [medeverdachte 2] direct nadat op 8 september 2021 de doorzoeking van dat pand had plaatsgevonden. De rechtbank verwijst naar de weergave van deze gesprekken in paragraaf 2.3.3.5.
2.3.3
[bedrijf] BV ( [bedrijf] BV)
2.3.3.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV, in het dossier ook aangeduid als [bedrijf] , had vanaf
14 juni 2020 als vestigingsadres [adres] te [plaats] . In de periode van 25 april 2019 tot en met 14 juni 2019 was de vennootschap gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . [17] Dit is tevens het woonadres van [medeverdachte 2] . [18]
Op 5 juni 2019 was [verdachte] één dag bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] BV. Van 29 februari 2016 tot 18 oktober 2019 was de [stichting] bestuurder van [bedrijf] BV. Na 18 oktober 2019 stonden er geen bestuurders van de vennootschap [bedrijf] BV geregistreerd. [19] [medeverdachte 2] was van 3 december 2018 tot en met 16 juni 2020 de enige bestuurder van de [stichting] . [20]
Op 4 februari 2020 is de vennootschap [bedrijf] BV opgeheven ten gevolge van een faillissement. [21]
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank blijkt dat het account van [bedrijf] BV bij die bank op 8 juli 2019 is geopend. [verdachte] stond bij de bank geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder. [22] Hij was ook de enige gemachtigde tot de rekeningen bij de Bunq-bank van [bedrijf] BV. [23]
2.3.3.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in totaal een bedrag van € 382.990,00 ontvangen van zestien Duitse bankrekeningen en één Oostenrijkse bankrekening op naam van particulieren. [24]
In de periode van 3 september 2019 tot en met 29 januari 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in totaal een bedrag van € 588.300,00 ontvangen van 47 Duitse en drie Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren.
Daarnaast komt op deze bankrekening in de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 in totaal een bedrag van € 323.000,00 binnen vanaf de hiervoor genoemde bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV.
Verder komt op deze bankrekening in de periode van 9 augustus 2019 tot en met 22 januari 2019 in totaal een bedrag van € 214.866,00 binnen vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.4). [25]
2.3.3.3
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
In de periode van 25 september 2019 tot en met 16 januari 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in negentien transacties voor een totaalbedrag van € 836.643,82 geld overgemaakt naar [bedrijf] BV. [26]
Verder wordt in de periode van 6 september 2019 tot en met 28 januari 2020 in 79 transacties in totaal een bedrag van € 25.062,50 contant opgenomen in Nederland (onder andere in Amsterdam en Winterswijk) en Duitsland. [27]
In de periode van 5 augustus 2019 tot en met 4 februari 2020 wordt in 29 transacties een bedrag van € 200.976,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 2.3.4). [28]
Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV wordt in de periode van 21 januari 2020 tot en met 28 januari 2020 in totaal een bedrag van € 59.990,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 2.3.4). [29]
Uit de stukken ontvangen van [bedrijf] BV volgt dat door [bedrijf] BV in de periode van 25 september 2019 tot en met 20 januari 2020 21 goudbestellingen zijn gedaan. [30] [bedrijf] BV was een dochteronderneming van [bedrijf] BV en was net als die vennootschap gevestigd aan het adres [adres] te [plaats] . Naast [bedrijf] BV waren er, in ieder geval op 20 januari 2020, geen andere aandeelhouders of bestuurders van [bedrijf] BV. [31] Het door [bedrijf] BV bestelde goud werd betaald vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV [32] , met uitzondering van de betaling op 20 januari 2020. Die betaling was afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 2.3.4). [33]
2.3.3.4
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen
Uit paragraaf 2.3.3.1 volgt dat [verdachte] één dag bestuurder en enig aandeelhouder is geweest van [bedrijf] BV. Hij heeft als bestuurder het account van [bedrijf] BV geopend bij de Bunq-bank en stond als enige als gemachtigde tot de rekeningen geregistreerd.
[verdachte] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als contactpersoon en eigenaar van [bedrijf] BV. [34]
2.3.3.5
Betrokkenheid [medeverdachte 2] bij de geldstromen en goudaankopen
Zoals onder 2.3.3.1 besproken was [medeverdachte 2] in de periode dat de in de tenlastelegging bedoelde geldstromen plaatsvonden tot 18 oktober 2019 via [stichting] de enige bestuurder van [bedrijf] BV. Aan wie hij het (indirecte) bestuur van [bedrijf] BV heeft overgedragen, kan niet worden afgeleid uit het register van de Kamer van Koophandel noch uit enig ander processtuk. Daarnaast stond de vennootschap voorafgaand aan de geldstromen ingeschreven op het woonadres van [medeverdachte 2] .
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [medeverdachte 2] edelmetalen heeft opgehaald bij [bedrijf] BV, maar wel dat hij dat heeft gedaan bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV voor de vennootschappen [bedrijf] BV [35] en [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) [36] . Ook heeft hij bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV edelmetalen besteld namens [bedrijf] en/of stond hij als contactpersoon bij [bedrijf] geregistreerd. [37]
Op 8 september 2021 heeft in het kader van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) uit Duitsland een doorzoeking plaatsgevonden op onder andere het adres [adres] te [plaats] (het vestigingsadres van zowel [bedrijf] BV als van [bedrijf] BV) en het adres [adres] te [plaats] (het woonadres van [medeverdachte 2] , tevens het vestigingsadres van [bedrijf] BV tot en met 14 juni 2019). [38]
Na deze doorzoeking probeert [medeverdachte 1] (+ [telefoonnummer] ) om 12:43 uur telefonisch contact te leggen met het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 2] (+ [telefoonnummer] [39] ). [40] Om 13:26 uur vindt er via het telefoonnummer dat in gebruik is bij [naam] (+ [telefoonnummer] ) een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ). In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
“ [naam] zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij vast [medeverdachte 2] moest hebben, maar dat ze allebei hun telefoon in de auto hadden laten liggen. [naam] geeft de telefoon aan [medeverdachte 2] .
[medeverdachte 1] : [medeverdachte 2] , groot probleem, [NTV], niks mee te maken
[medeverdachte 2] : Wat zeg je?
[medeverdachte 1] : Er is een probleem, we hebben er in principe niks mee te maken.
[medeverdachte 2] : Wat?
[medeverdachte 1] : Ze hebben een inval gedaan in [plaats]
[medeverdachte 2] : In [plaats] ? Ja bij mij ook.
[medeverdachte 1] : Bij jou ook?
[medeverdachte 2] : Ja
[medeverdachte 1] : Oh?
[medeverdachte 2] : Want ik kon je niet bereiken, dus vandaar.
[medeverdachte 1] : En wat hebben ze gedaan?
[medeverdachte 2] : Nou, eerlijk gezegd ze hebben niks meegenomen
[medeverdachte 1] : Maar wat kwamen ze doen dan?
[medeverdachte 2] : Ja dat hebben ze niet verteld. Het kwam van de Statsanwaltschaft Dresden. Ik heb geen idee.
[medeverdachte 1] : Oke, maar wat was er dan?
[medeverdachte 2] : Weet ik ook niet
[medeverdachte 1] : Zijn jouw telefoons meegenomen?
[medeverdachte 2] : Ja, nee ook niet. Ze hebben mijn telefoon meegenomen, maar ehh... Ja, dat vertel ik je... kan ik niet over de telefoon vertellen want die wordt afgeluisterd natuurlijk
[medeverdachte 1] : Ja, daarom. Maar was was het probleem dan?
[medeverdachte 2] : Weet ik niet, ik weet niet wat er aan de hand is? Ik heb hier de administratie van die GmbH liggen en álles laten liggen. Er is wat anders aan de hand maar daar hebben wij nieks mee te maken.
[medeverdachte 1] : Ze kwamen in [plaats] voor [bedrijf] . Met een man of 15-20.
[medeverdachte 2] : Ja, daar loopt een onderzoek op he, op [bedrijf] .
[medeverdachte 1] : Maar waarvoor?
[medeverdachte 2] : Ja dat weet ik niet, dat weet ik niet. Ik heb geen idee.
[medeverdachte 1] : Zal die [naam] (FON: [naam] ) niks uitgespookt hebben?
[medeverdachte 2] : Ik heb geen idee, ik weet ook niet waarvoor ze kwamen”
Onder het tapgesprek staat vermeld dat de tweede uitluisteraar in plaats van ‘ [naam] verstaat. [41]
Om 15:09 uur belt [medeverdachte 1] wederom uit met het nummer van [naam] . In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
“ [naam] neemt op: [naam] spreekt u mee
[medeverdachte 1] : [naam] , mag ik meneer [medeverdachte 2] ?
(…)
[medeverdachte 2] komt ondertussen aan de lijn.
[medeverdachte 1] : [medeverdachte 2] , zullen we even afspreken in Doetinchem?
[medeverdachte 1] : [medeverdachte 2] , heb je hem terug?
[medeverdachte 2] : Wie?
[medeverdachte 1] : De telefoon
[medeverdachte 2] : Uh.. Natuurlijk. Die ene wel, die ander niet, maar die andere mocht niet.
[medeverdachte 1] : Heb je de goeie in handen?
[medeverdachte 2] : Ja
[medeverdachte 1] : Oke, zullen we in Doetinchem afspreken? Ik had net een telefoon voor je gekocht, nieuwe simkaart, nieuwe telefoon.
[medeverdachte 2] : Ja dat is helemaal goed, maar die simkaart die heb ik nog
[medeverdachte 1] : Nee ik heb nieuwe telefoon gekocht met nieuwe simkaart
[medeverdachte 2] : Ja prima, maar dan kan die oude simkaart van mij erin dan kan ik bankieren ermee
[medeverdachte 1] : Oke ik neem alles mee. Eh.. Café de Veemarkt.
[medeverdachte 2] : Ja weet ik. In Haaksbergen?” [42]
Een uur later, om 16:11 uur, belt [medeverdachte 1] wederom met [medeverdachte 2] via de telefoon van [naam] . In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd:
“ [medeverdachte 2] : Ja?
[medeverdachte 1] : Ze staan hier te observeren
[medeverdachte 2] : Ja
[medeverdachte 1] : Ga maar naar café Masselink
[medeverdachte 2] : Masselink?
[medeverdachte 1] : Café Masselink.
[medeverdachte 2] : Oke, prima
[medeverdachte 1] : Ik ga even afschudden want ze zijn al vanaf Duiven achter ons aan en nu staan ze hier te observeren
[medeverdachte 2] : Oke, prima, yo yo
[medeverdachte 1] : Café Masselink” [43]
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. [medeverdachte 2] was weliswaar niet in de gehele periode dat de geldstromen en goudaankopen via [bedrijf] BV plaatsvonden als (indirect) bestuurder betrokken bij de vennootschap, maar zijn betrokkenheid voor die gehele periode volgt wel uit zijn meer algemene betrokkenheid bij de goudaankopen en de tapgesprekken die zijn opgevangen na de doorzoeking op 8 september 2021, ruim nadat de ten laste gelegde geldstromen en goudaankopen plaatsvonden. Uit die gesprekken volgt dat [medeverdachte 2] weet dat de doorzoekingen plaatsvonden voor “ [bedrijf] ” en kennelijk ook dat er met die onderneming of ondernemingen iets aan de hand is dat de politie niet mag weten. Immers, [medeverdachte 2] zegt op bepaalde momenten dat hij niet wil praten over de telefoon, omdat die “natuurlijk” afgeluisterd wordt. Dat [medeverdachte 2] en ook [medeverdachte 1] betrokken zijn bij dingen die verborgen moeten blijven, blijkt ook uit het feit dat [medeverdachte 1] een nieuwe telefoon met simkaart voor [medeverdachte 2] heeft aangeschaft en dat [medeverdachte 1] observanten (de rechtbank begrijpt: een observatieteam van de politie) heeft moeten “afschudden”.
Daar komt nog het volgende bij.
Zoals uit paragraaf 2.3.3.1 volgt, was [verdachte] slechts één dag, op 5 juni 2019, enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] BV. [medeverdachte 2] was via [stichting] gedurende de hele periode van 3 december 2018 tot en met 18 oktober 2019 indirect bestuurder van [bedrijf] BV. Op 8 juli 2019 is er op naam van [bedrijf] BV door [verdachte] een account geopend bij de Bunq-bank. [verdachte] was op dat moment weliswaar formeel niet meer betrokken bij de vennootschap, maar kennelijk is dat door de bank niet onderkend en kon hij het account openen. [verdachte] moet daarbij gebruik hebben gemaakt van zijn registratie als bestuurder van [bedrijf] BV (ook al duurde dat maar één dag). Het kan niet anders dan dat de één dag durende rol van [verdachte] als bestuurder bij [bedrijf] BV is gebruikt voor het openen van het account bij de Bunq-bank, met als bedoeling het afschermen van anderen, waaronder [medeverdachte 2] . [verdachte] werd gebruikt als katvanger. Nu [medeverdachte 2] zowel voor als na 5 juni 2019 (indirect) de enige bestuurder was van [bedrijf] BV, in samenhang bezien met de hiervoor besproken telefoongesprekken, is de rechtbank van oordeel dat hij moet hebben geweten dat [verdachte] gebruikt werd als katvanger.
2.3.3.6
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen en goudaankopen
Uit de voorgaande paragraaf en de omstandigheid dat [medeverdachte 1] huurder was van een ruimte in het pand aan [adres] te [plaats] (zie paragraaf 2.3.2.3), in welk pand ook [bedrijf] BV en [bedrijf] BV gevestigd waren, volgt de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij [bedrijf] BV en de geldstromen en goudaankopen via deze vennootschap. Die betrokkenheid volgt verder uit het volgende.
Op 4 oktober 2019 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV een betaling gedaan aan Thuisbezorgd.nl. Deze betaling zag op een bestelling die geleverd moest worden een persoon genaamd ‘ [medeverdachte 1] ’, met het e-mailadres [e-mailadres] op het adres [adres] te [woonplaats] , het woonadres van [medeverdachte 1] . [44] [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit zijn e-mailadres is. [45]
Uit het onderzoek van de politie volgt dat er vanaf de bankrekening [rekeningnummer] dagelijks één of meerdere transacties zijn verricht, met uitzondering van de periode van 24 oktober 2019 tot 26 oktober 2019 waarin [medeverdachte 1] in Spanje verbleef. [46]
Uit de gegevens verstrekt door de Bunq-bank blijkt dat het telefoonnummer + [telefoonnummer] zowel gekoppeld is aan de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] als aan het account van [bedrijf] BV. Verder volgt uit de informatie van de Bunq-bank, in combinatie met de resultaten van een CIOT-bevraging, dat onder andere vanaf het IP-adres gekoppeld aan het adres [adres] te [plaats] is ingelogd op de bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV. [47] Zoals volgt uit paragraaf 2.3.2.3 huurde [medeverdachte 1] een ruimte in het pand aan dit adres en was hij ook wel eens in dit pand.
2.3.3.7
Vermoeden van criminele herkomst
Op 3 februari 2020 ontving de Bunq-bank van de Swiss Financial Market Supervisory Authority (hierna: FINMA) een bericht dat de overboekingen van de Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen naar [bedrijf] BV vermoedelijk te maken hadden met oplichtingspraktijken. [48]
Zoals hiervoor vermeld is [bedrijf] BV een dag later, per 4 februari 2020, opgeheven als gevolg van een faillissement. [naam] , medewerker van de Bunq-bank, heeft verklaard dat zij zagen dat vlak voor het faillissement de gelden van de vier bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV overgeboekt werden naar de vennootschap [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.4). Dit bedrag werd vervolgens doorgeboekt naar [bedrijf] en vrijwel direct daarna naar een bankrekening van [bedrijf] [49] , een handelsnaam van [bedrijf] BV. [50]
Zoals hiervoor besproken is [verdachte] één dag, op 5 juni 2019, enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap geweest.
[verdachte] heeft verklaard dat hij nooit iets voor de vennootschap heeft gedaan. Hij had niet de beschikking over de bankrekening en was ook niet betrokken bij de afwikkeling van het faillissement. Hij gebruikte in die tijd veel drugs. [51]
Verder was [medeverdachte 2] via [stichting] tot en met 18 oktober 2019 bestuurder en hebben er daarna geen bestuurders meer geregistreerd gestaan. Uit het zevende faillissementsverslag van 2 september 2021 van [bedrijf] BV blijkt dat [medeverdachte 2] tegen de curator heeft gezegd dat hij nooit werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf] BV en dat hij ook niets weet van de activiteiten van de vennootschap. De bank van [bedrijf] BV heeft de curator laten weten dat [verdachte] de contactpersoon en tevens de gemachtigde tot de bankrekeningen was van de vennootschap. [verdachte] is in het kader van het faillissement gehoord door de rechter-commissaris. Hij heeft toen aangegeven dat hij niet de feitelijk leidinggevende was en dat hij (vrijwel) niets kan vertellen over de activiteiten van [bedrijf] BV. [52]
Verder volgt uit het faillissementsverslag dat de curator op het moment van verslaglegging op 2 september 2021 niet de beschikking heeft gekregen over een boekhouding. Ook beschikte de curator op dat moment slechts over een jaarrekening over het boekjaar 2017, in welke jaarrekening bovendien geen winst- en verliesrekening was opgenomen. [53] Bij de Belastingdienst zijn de (fiscale) gegevens gevorderd van [bedrijf] BV over de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2022. Daaruit volgt dat over die periode geen omzetgegevens bekend zijn van de vennootschap. [54]
Zoals volgt uit paragraaf 2.3.3.3 stond [verdachte] ook bij [bedrijf] BV geregistreerd als de contactpersoon en eigenaar van [bedrijf] BV.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, bezien in combinatie met de inkomende geldstromen afkomstig van de Duitse en Oostenrijkse natuurlijke personen en de eerdergenoemde telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , is de rechtbank van oordeel dat er een gerechtvaardigd vermoeden is dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 2.3.3.2 en 2.3.3.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
2.3.4
[bedrijf] BV ( [bedrijf] )
2.3.4.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV, in het zaaksdossier ook aangeduid als [bedrijf] , maakte tevens gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . Vanaf 1 april 2019 was de vennootschap gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . [55] Van 24 mei 2019 tot de ontbinding van de vennootschap op 22 mei 2020 stond [verdachte] geregistreerd als bestuurder van de vennootschap. [56]
De rechtbank leidt uit het dossier af dat met de in de tenlastelegging genoemde [bedrijf] BV, feitelijk de vennootschap [bedrijf] BV wordt bedoeld.
Het account van [bedrijf] BV de bij de Bunq-bank is op 9 mei 2019 geopend. [naam] stond bij Bunq-bank geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder. [57]
2.3.4.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 16 januari 2020 tot en met 25 maart 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] in totaal een bedrag van € 241.600,00 ontvangen afkomstig van negen Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. In de periode van 28 januari 2020 tot en met 18 maart 2020 komt er in 26 transacties een bedrag van in totaal € 412.100,00 binnen vanaf de andere bankrekening, [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf] .
Verder komen de volgende geldbedragen binnen op de bankrekening:
 in de periode van 5 augustus 2019 tot en met 4 februari 2020 in 29 transacties in totaal een bedrag van € 200.976,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.3);
 in de periode van 21 januari 2020 tot en met 28 januari 2020 in drie transacties in totaal een bedrag van € 59.990,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.3);
 in de periode van 28 januari 2020 tot en met 25 februari 2020 in vier transacties in totaal een bedrag van € 10.909,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.5);
 in de periode van 30 januari 2020 tot en met 13 maart 2020 in negen transacties in totaal een bedrag van € 17.785,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] ;
 in de periode van 31 mei 2019 tot en met 21 november 2019 in vier transacties in totaal een bedrag van € 5.200,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] . [58]
In de periode van 23 januari 2020 tot en met 2 april 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] in totaal een bedrag van € 558.820,00 ontvangen afkomstig van één Oostenrijkse en 38 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren.
Daarnaast komt op 3 maart 2020 een geldbedrag van € 2000,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] .
In de periode van 31 januari 2020 tot en met 17 februari 2020 komt in totaal een bedrag van € 13.630,00 binnen vanaf de hiervoor genoemde bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] . [59]
2.3.4.3
Uitgaande geldstroom en goudaankopen
Op 20 januari 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van
[bedrijf] BV / [bedrijf] een bedrag van € 43.535,80 overgemaakt naar [bedrijf] BV. Op 23 januari 2020 en 6 februari 2020 wordt in totaal een bedrag van € 37.465,00 overgemaakt naar [bedrijf] en op 11 maart 2020 een bedrag van € 4.841,90 naar [bedrijf] [60] ( [bedrijf] BV). De rechtbank wijst in dit verband op de overboekingen van in totaal € 214.866,20 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV, zoals beschreven in paragraaf 2.3.3.2 en de overboeking naar de andere bankrekeningen op naam van [bedrijf] , zoals beschreven in paragraaf 2.3.4.2.
Naast het hiervoor beschreven geldbedrag van in totaal € 412.100,00 dat vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] wordt overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van
[bedrijf] BV / [bedrijf] , worden vanaf laatstgenoemde bankrekening nog de volgende betalingen gedaan:
 in de periode van 12 februari 2020 tot en met 13 maart 2020 in vijf transacties in totaal een bedrag van € 52.850,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] ;
 in de periode van 7 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 in twee transacties een bedrag van in totaal € 1.100,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.5). [61]
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV, welk bedrijf gevestigd is in [plaats] in de gemeente Weststellingwerf [62] , kan worden opgemaakt dat de hiervoor genoemde betaling van € 4.841,90 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] zag op een goudbestelling van [bedrijf] [63] .
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de betaling van € 43.535,80 zag op een goudbestelling van [bedrijf] BV. [64]
Uit de gegevens van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de twee betalingen van in totaal € 37.465,00 zagen op een goudbestelling van [bedrijf] en dat die bestellingen zijn opgehaald door [verdachte] . [65]
2.3.4.4
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen
In de periode van 31 mei 2019 tot en met 21 november 2019 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] in vier transacties in totaal € 5.200,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] . [66] Dat [verdachte] ook zelf gebruik maakte van deze bankrekening op zijn naam volgt uit paragraaf 2.3.6.3. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat [verdachte] op de hoogte moet zijn geweest van het bestaan van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] op het moment dat de geldstromen als bedoeld in de tenlastelegging plaatsvonden. Hij was toen ook bestuurder was van de vennootschap [bedrijf] BV.
Dat [verdachte] op de hoogte was van het bestaan van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] kan de rechtbank niet vaststellen. Het account bij de Bunq-bank is geopend voordat [verdachte] op 24 mei 2019 bestuurder werd. De rechtbank zal deze bankrekening en de geldstromen over deze bankrekening in het vervolg van dit vonnis daarom buiten beschouwing laten en spreekt [verdachte] in zoverre vrij.
2.3.4.5
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen en goudaankopen
[bedrijf] BV was gevestigd aan [adres] te [plaats] . Zoals volgt uit paragraaf 2.3.2.3 was [medeverdachte 1] huurder van een ruimte in het pand aan [adres] te [plaats] en was hij ook wel eens in dit pand. De betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij [bedrijf] BV en de geldstromen en goudaankopen via deze vennootschap volgt verder uit het volgende.
Uit de gegevens verstrekt door de Bunq-bank blijkt dat het telefoonnummer + [telefoonnummer] zowel gekoppeld is aan de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] als aan het account van [bedrijf] . [67] Verder volgt uit de informatie van de Bunq-bank, in combinatie met de resultaten van een CIOT-bevraging, dat vanaf het IP-adres dat gekoppeld is aan de [adres] te [plaats] (het woonadres van [medeverdachte 1] ) in de periode van 28 april 2020 tot en met 8 september 2020 73 maal is ingelogd op het Bunq-account van [bedrijf] , en ook dat op dat account in de periode van 26 mei 2020 tot en met 12 juni 2020 10 maal is ingelogd vanaf het IP-adres dat gekoppeld is aan [adres] te [plaats] . [68]
Uit het onderzoek van de politie volgt dat er diverse betalingen zijn verricht via de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] die overeen komen met betalingen verricht via de bankrekening op naam van [naam] (de rechtbank begrijpt: [naam] ), de echtgenote van [medeverdachte 1] . [69]
2.3.4.6
Vermoeden van criminele herkomst
Zoals besproken in paragraaf 2.3.3.7 volgt uit het bericht van FINMA dat de overboekingen van de Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen naar [bedrijf] BV vermoedelijk te maken hadden met oplichtingspraktijken. Verder is in die paragraaf ingegaan op de verklaring van [naam] , waaruit kan worden opgemaakt dat de bankrekening op naam van [bedrijf] onderdeel is van een geldstroom van [bedrijf] BV, via [bedrijf] en [bedrijf] naar [bedrijf] BV. Dat er grote geldbedragen heen en weer gaan tussen bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] en de hierna te bespreken ondernemingen volgt ook de in- en uitgaande geldstromen zoals besproken in de paragrafen 2.3.4.2 en 0.
[verdachte] heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij bestuurder is geweest van [bedrijf] BV. Hij gebruikte in die tijd veel drugs en was er niet bij. Hij was zo onder invloed dat hij alles deed wat hem werd gevraagd. Hij denkt dat er misbruik van hem is gemaakt. [70]
Opvallend is dat de betalingen aan [bedrijf] BV en [bedrijf] BV vanaf de bankrekeningen op naam van [bedrijf] zagen op goudaankopen door de vennootschap [bedrijf] BV, handelend onder de namen [bedrijf] en [bedrijf] , terwijl die vennootschappen formeel geen relatie met elkaar hebben.
Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat de omzet van [bedrijf] BV achtereenvolgens € 4.300,00 in 2017, € 10.900 in 2018 en € 86.550,00 in 2019 bedroeg. In 2020 was er geen omzet (opgegeven). [71] De rechtbank merkt op dat de omzetstijging van 2019 ten opzichte van 2017 en 2018 opvallend is. Bovendien valt op dat in het jaar dat de gelden vanaf de Duitse bankrekeningen op naam van particulieren binnenkomen (2020), welke gelden bovendien een totale omvang hebben die ligt ruim boven het omzetcijfer van 2018, er geen omzet is opgegeven bij de Belastingdienst. Ook valt op dat kort na de binnenkomst en het vervolgens weer uitstromen van deze gelden, de vennootschap wordt ontbonden.
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 1] bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en de hierna nog te bespreken ondernemingen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 2.3.4.2 en 0 afkomstig zijn uit enig misdrijf.
2.3.5
[bedrijf] BV
2.3.5.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV maakte tevens gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . [verdachte] was vanaf 7 januari 2020 de enige bestuurder van [bedrijf] BV. [naam] was de enig aandeelhouder. De vennootschap was gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . [72] De vennootschap is opgeheven per 31 maart 2021. [73]
2.3.5.2
Inkomende geldstroom
In de periode van 23 maart 2020 tot en met 16 april 2020 komt er op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in negentien transacties een geldbedrag van in totaal € 125.803,00 binnen afkomstig van Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. [74] De rechtbank merkt op dat op de tenlastelegging van [verdachte] tot een bedrag van € 91.838,00 ten laste is gelegd.
Daarnaast komt er in de periode van 21 november 2020 tot en met 3 december 2020 in vijf transacties een bedrag binnen van in totaal € 49.748,50 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . In de periode van 7 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 komt in vijf transacties een bedrag van € 11.900,02 binnen vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] . [75]
2.3.5.3
Uitgaande geldstroom en goudaankopen
Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV vinden onder andere de volgende uitgaande geldstromen plaats:
 op 23 maart 2020 een bedrag van € 3.257,97 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV);
 in de periode van 30 juli 2020 tot en met 5 december 2020 wordt in 27 transacties een bedrag van in totaal € 22.634,32 contant opgenomen vanaf de bankrekening;
 in de periode van 12 maart 2020 tot en met 3 juli 2020 in 57 transacties een bedrag van € 159.314,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] ;
 in de periode van 27 januari 2020 tot en met 25 februari 2020 in vier transacties een bedrag van € 10.909,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] (zie paragraaf 2.3.4);
 op 25 maart 2020 een bedrag van € 10.050,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] . [76]
Uit de stukken ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de overboeking op 23 maart 2020 van € 3.257,97 naar de rekening op naam van [bedrijf] zag op een goudbestelling op naam van [bedrijf] . [77]
2.3.5.4
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen
Zoals uit paragraaf 2.3.5.1 volgt was [verdachte] de enige bestuurder van de vennootschap op het moment dat de hiervoor genoemde in- en uitgaande geldstromen van en naar de bankrekening op naam van de vennootschap en de genoemde goudaankoop plaatsvonden.
[verdachte] moet ook, voorafgaand aan de inkomende geldstromen vanaf de Duitse bankrekeningen op naam van particulieren, op de hoogte zijn geweest van het bestaan van de ING-rekening op naam van [bedrijf] BV. Vanaf die bankrekening worden namelijk vanaf 12 maart 2020 overboekingen gedaan naar de ING-rekening op naam van [verdachte] (zie paragraaf 2.3.5.3). Dat [verdachte] gebruik maakte van die ING-rekening op zijn naam volgt uit paragraaf 2.3.6.3.
2.3.5.5
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen en goudaankopen
Uit de gegevens verstrekt door de Bunq-bank blijkt dat het telefoonnummer + [telefoonnummer] zowel gekoppeld is aan de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] als aan het account van [bedrijf] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] BV). [78]
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias medeverdachte] (telefoonnummer + [telefoonnummer] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , zie de paragrafen 2.3.2.1 en 2.3.2.2.1). In die chats wordt op 16 juni 2020 onder andere het volgende gezegd:
“ [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] : Heb jij gegeven van de bv s voor mij? Dan maak ik facturen en debiteuren lijst en ga ik het regelen
(…)
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] : Je krijgt zo van mij de gegevens”
Vervolgens stuurt [alias medeverdachte] ( [medeverdachte 1] ) de KvK-uittreksels van onder andere de vennootschappen [bedrijf] BV, [bedrijf] BV, [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.5), [bedrijf] / [bedrijf] en [bedrijf] BV. [79]
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn verder whatsapp-gesprekken aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias medeverdachte] (telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , zie de paragrafen 2.3.2.1 en 2.3.2.2.2). Op 30 oktober 2020 stuurt [alias medeverdachte] ( [medeverdachte 1] ) via whatsapp een foto van het rijbewijs op naam van [verdachte] en de identiteitskaart op naam van [naam] naar [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ). Direct daarna vindt de volgende chatcommunicatie plaats tussen [alias medeverdachte] ( [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ):
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] [bedrijf] BV
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] [adres] [plaats]
[medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] Alleen bankpas nog dan als het kan
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Ben ik aan het zoeken
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Verstuurd
(…)
[medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] Wat is je e-mailadres?
(…)
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] [e-mailadres] [80]
Op 31 oktober 2020 stuurt [alias medeverdachte] ( [medeverdachte 1] ) via whatsapp een foto van de bankpas op naam van [bedrijf] BV / [naam] en het bankrekeningnummer [rekeningnummer] naar [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ). [81]
In de periode van 29 maart 2020 vinden er zes betalingen plaats vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV aan Lebara. Daarbij is als contactgegeven vermeld [e-mailadres] (de rechtbank: het e-mailadres dat [medeverdachte 1] via whatsapp heeft doorgegeven aan [medeverdachte 3] als zijnde zijn e-mailadres). [82] De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het e-mailadres [e-mailadres] .
In de periode van 23 tot en met 27 november 2020 worden vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV zes pinbetalingen in Turkije verricht, waaronder betalingen aan naar de bankrekening op naam van Titanic Hotel Antalya en Titanic OT Yeni Mag Antalya. [83] [medeverdachte 1] is op 22 november 2020 naar Turkije gevlogen en op 28 november 2020 vanuit Turkije naar Amsterdam. [84]
2.3.5.6
Vermoeden van criminele herkomst
Het bedrag van in totaal € 125.803,00 dat binnenkomt op de bankrekening op naam van [bedrijf] BV is afkomstig van negentien Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en PMR Holding BV en die in verband worden gebracht met fraude.
[verdachte] heeft verklaard dat hij enkel op papier eigenaar was van [bedrijf] BV. Hij kreeg daar een aantal honderden euro’s voor. Hij heeft nooit vragen gesteld. Hij gebruikte in die periode veel drugs. [85]
Verder valt op dat, zoals volgt uit paragraaf 2.3.5.5, het rijbewijs van [verdachte] , het legitimatiebewijs van [naam] en de betaalpas op naam van [bedrijf] BV / [naam] via whatsapp door [medeverdachte 1] zijn verstuurd aan [medeverdachte 3] .
Ook valt op dat de betaling aan [bedrijf] BV niet ziet op een goudaankoop door [bedrijf] BV zelf, maar op een goudaankoop door [bedrijf] (zie paragraaf 2.3.5.3).
Tot slot is het opvallend dat, zoals hierna zal volgen uit paragraaf 2.3.6.2, het bedrag van in totaal € 159.314,00 dat vanaf de rekening op naam van [bedrijf] BV wordt overgeboekt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] , vervolgens contant wordt opgenomen.
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen/personen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 2.3.5.2 en 2.3.5.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
2.3.6
Rekeningen op naam van [verdachte]
2.3.6.1
Inkomende geldstromen
Op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] zijn onder andere de volgende inkomende geldstromen te zien:
 in de periode van 29 mei 2019 tot en met 1 februari 2021 in negentien transacties € 27.370,00 aan contante stortingen;
 in de periode van 12 maart 2020 tot en met 3 juli 2020 in 57 transacties € 159.314,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.5);
 in de periode van 13 juli 2019 tot en met 5 februari 2020 in 29 transacties € 17.377,33 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.3);
 op 15 mei 2020 in twee transacties € 10.000,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] . [86]
2.3.6.2
Uitgaande geldstromen
In de periode van 23 maart 2020 tot en met 7 juli 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] in 75 transacties in totaal € 196.965,00 contant opgenomen. Verder wordt in de periode van 7 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 in vijf transacties een bedrag van € 11.900,02 overgeschreven naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV. [87]
2.3.6.3
Betrokkenheid [verdachte]
is de tenaamgestelde van de bankrekening [rekeningnummer] van welke rekening de contante opnames zijn gedaan die onderdeel uitmaken van de tenlastelegging. Dat [verdachte] gebruik maakte van de bankrekening volgt uit het volgende.
Op 23 maart 2020 en 10 april 2020 wordt in drie transacties € 530,00, € 200,00 en € 0,01 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] en als omschrijving “Miete januari” en “Anzahlung miete februari”. In de periode van 9 augustus 2019 tot en met 27 november 2019 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in drie transacties € 1.775,00 overgemaakt naar dezelfde bankrekening op naam van [naam] en met als omschrijving onder andere “Mitte August [verdachte] ” en “Miete november Wohnung + parkplatz”.
Op 6 mei 2020 is een bedrag van € 161,40 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] met als omschrijving “940157651 [adres] , [verdachte] und [naam] ” (naar de rechtbank begrijpt een adres).
Op 12 juni 2020 en 7 juli 2020 wordt vanaf de bankrekening een bedrag van beide keren € 881,00 overgeschreven naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van SuCasa GmbH met als omschrijving “Miete Juni [/Juli] [verdachte] und [naam] . [adres] ” (de rechtbank begrijpt: de huur voor de maanden juni en juli voor het pand [adres] ten behoeve van [verdachte] en zijn toenmalige partner [naam] ). Uit het politiesysteem volgt dat [naam] sinds 16 juli 2020 ingeschreven staat op het adres [adres] te [plaats] . [88]
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] in de periode van 23 maart 2020 tot en met 7 juli 2020 huurbetalingen worden voldaan ten behoeve van [verdachte] en zijn toenmalige partner [naam] .
Verder wordt vanaf deze bankrekening op 7 juli 2020 een bedrag van € 12,98 overgeboekt naar de bankrekening op naam van 1u1 Telekom GmBH en met als omschrijving “KD-Nr. [nummer] - RG-Nr. [nummer] [naam] ”. Verder hebben er via de bankrekening negen transacties plaatsgevonden met de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] , de zus van [verdachte] . [89]
[verdachte] heeft verklaard dat hij op de ING-bankrekening eindigend op ‘ [nummer] ’ wel eens contant geld heeft gestort. Dat was zijn eigen geld. Hij heeft ook wel eens kleinere bedragen gepind. [90]
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat op het moment dat de contante opnames plaatsvonden die onderdeel uitmaken van de tenlastelegging, [verdachte] de beschikking had over de bankrekening [rekeningnummer] op zijn naam.
2.3.6.4
Betrokkenheid [medeverdachte 1]
[verdachte] heeft op de vraag of hij weet wat de reden was van de overboeking van € 10.000,00 vanaf de bankrekening op naam van [medeverdachte 3] naar zijn bankrekening met nummer [rekeningnummer] verklaard dat hij in die periode veel drugs heeft gebruikt en niet weet wat er allemaal in die tijd is gebeurd. Hem werd gevraagd om een rekening en bankpasjes en die gaf hij (alleen) aan [medeverdachte 1] en [naam] . Hij had niet veel contact met [naam] , dat liep via [medeverdachte 1] . Hij gaf [medeverdachte 1] toegang tot zijn bankrekeningen, omdat hij ernaar vroeg en ze nodig had. Hij stelde daar nooit vragen over. [91]
Zoals volgt uit paragraaf 2.3.5.5 had [medeverdachte 1] de beschikking over een afbeelding van het rijbewijs van [verdachte] . Hij stuurde immers een afbeelding van dat rijbewijs naar [medeverdachte 3] .
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias medeverdachte] (telefoonnummer + [telefoonnummer] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , zie de paragrafen 2.3.2.1 en 2.3.2.2.1). Tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias medeverdachte] ( [medeverdachte 1] ) vindt de volgende chatcommunicatie plaats:
24 juli 2020
[medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] Krijg contant nu niet voor elkaar misschien morgen, overmaken is geen probleem
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Je krijgt nu betaalverzoek
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Van [naam]
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Van 10
(…)
[medeverdachte 3] stuurt een afbeelding van een bankoverschrijving van de Rabobankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] . Op de overschrijving is te zien dat middels een betaalopdracht een bedrag van € 10.000,00 is overgeboekt naar de bankrekening [rekeningnummer] .
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Oké thanx
(…)
29 juli 2020
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Kunnen we morgen afrekenen
[medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] Bank nog steeds geblokkeerd maar heb denk ik andere mogelijkheden om af te rekenen. Laat het je zsm eten
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Maar lukt dat morgen
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Heb het zwaar nodig
[medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] Laat ik je vanavond weten
(…)
30 juli 2020
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Heb niks van je gehoord gisterenavond
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Lukt het vandaag nog
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Wij zijn evt rond 18 uur in Doetinchem
[medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] Ik bel je zo
(…)
31 juli 2020
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Weer niet gebeld??
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Weer niks
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Begin nu echt kwaad te worden
[medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] Ik bel je voor 11 uur terug kan je 100% van op aan
[medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] Dat je belt of betaald
[medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] belt en waarschijnlijk ook oplossing
[medeverdachte 3] een [medeverdachte 1] Spraakbericht: “hé, ik bel jou 100% vandaag of vanavond. Ik heb een oplossing, morgen of maandag is het opgelost, vandaag lukt mij niet. 15 was het hè, wat je nog krijgt van mij. Je zij 14 maar volgens mij had je die 1.000 er niet bij gerekend. Of 24 zei je, en ik heb vorige week 10 gedaan. Ik bel je vanavond nog, ik ben nog heel even in gesprek” [92]
De rechtbank leidt uit deze whatsapp-communicatie af dat [medeverdachte 3] in periodieke betalingen geld moest (terug)betalen aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] liet [medeverdachte 3] dat geld onder andere terugbetalen via een bankrekening op naam [naam] , naar de rechtbank begrijpt een broer van [verdachte] , maar zoals uit paragraaf 2.3.6.1 volgt ook naar een bankrekening op naam van [verdachte] zelf.
2.3.6.5
Vermoeden van criminele herkomst
De bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] , van welke de contante opnames zijn gedaan, is voor het grootste deel gevoed met contante stortingen en geldbedragen afkomstig van de bankrekeningen [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV en [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV. Deze bankrekeningen zijn op hun beurt weer gevoed met geld afkomstig van Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren, die direct in verband worden gebracht met fraude ( [bedrijf] BV) of gelijkenis vertonen met geldstromen die in verband worden gebracht met fraude ( [bedrijf] BV). De rechtbank heeft mede om die reden over de geldstromen over die bankrekeningen in de paragrafen 2.3.3.7 en 2.3.5.6 al overwogen dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de bedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daar komt wat betreft de geldstromen die is beschreven in de paragrafen 2.3.6.1 en 2.3.6.2 nog het volgende bij.
Zoals hiervoor vermeld heeft [verdachte] verklaard dat hij in die periode veel drugs heeft gebruikt en niet weet wat er allemaal in die tijd is gebeurd. Hem werd gevraagd om een rekening en bankpasjes en die gaf hij (alleen) aan [medeverdachte 1] en [naam] . Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat [verdachte] in die periode ook niet over vermogen beschikte of over een inkomen dat een verklaring kan vormen voor de geldstroom over zijn bankrekening. In 2018 ontving hij een bijstandsuitkering, in 2019 had hij geen inkomen en, naar de rechtbank begrijpt, in 2020 een bruto inkomen van € 1.756,00. [93]
Gelet hierop, en ook gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de hiervoor besproken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de contante opnames die zijn besproken onder paragraaf 2.3.6.2 afkomstig zijn uit enig misdrijf.
2.3.7
De criminele herkomst en de wetenschap van [verdachte]
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van het onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de op artikel 420bis Sr en verder toegesneden tenlastelegging, gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het betreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet hoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
De rechtbank heeft hiervoor telkens en voor iedere aan [verdachte] ten laste gelegde geldstroom overwogen dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] geen verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de ten laste gelegde voorwerpen, laat staan een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Bij gebreke van een dergelijke verklaring van [verdachte] over de herkomst van de voorwerpen, is de rechtbank, gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, van oordeel dat het niet anders kan dan dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
De verdediging heeft opgemerkt dat [naam] (hierna: [naam] ) en [getuige] (hierna: [getuige] ) een verklaring kunnen afleggen over de herkomst van de voorwerpen. De rechtbank merkt daarover het volgende op.
Zoals uit het voorgaande blijkt, is [verdachte] betrokken bij en had hij wetenschap van de bankrekeningen waarover de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen zijn gelopen, met uitzondering van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . Zoals in de volgende paragraaf zal worden besproken, heeft hij ten aanzien van die geldbedragen ook witwashandelingen verricht. Gelet daarop is het de verantwoordelijkheid van [verdachte] zelf om zich te vergewissen van de herkomst van die geldbedragen en mag van hem worden verwacht dat hij daarover een verklaring geeft. Dat, zoals de verdediging stelt, door [naam] en [getuige] mogelijk ook een verklaring kan worden gegeven over die herkomst doet daar niet aan af.
2.3.8
Witwashandelingen van [verdachte]
Voor het (als pleger) ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Als het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is ten laste gelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Ook dan is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen (vgl. HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112, rechtsoverwegingen 2.4.1 en 2.4.2).
Het ‘voorhanden hebben’ vereist feitelijke zeggenschap over het voorwerp en strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Het is daarbij niet nodig dat de verdachte altijd direct over het voorwerp kan beschikken. Voor het (als pleger) ‘verwerven’ van een voorwerp gaat het om het verrichten van een handeling die tot gevolg heeft dat de feitelijke zeggenschap over een voorwerp wordt verkregen (vgl. HR 10 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:871, rechtsoverweging 2.4).
Zoals in de vorige paragraaf is overwogen, moet [verdachte] op de hoogte zijn geweest van de bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV (met uitzondering van de bankrekening [rekeningnummer] ) waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstromen zijn gelopen. Op het moment dat de geldbedragen binnenkwamen was [verdachte] ook de enige bestuurder van de vennootschappen [bedrijf] BV en [bedrijf] BV. Voor de rekeningen op naam van [bedrijf] BV geldt dat hij weliswaar geen bestuurder meer was van die vennootschap op het moment dat de geldbedragen binnenkwamen, maar hij was toen nog wel gemachtigde tot de rekening. Dat betekent dat hij de feitelijke zeggenschap had over alle bankrekeningen. Dat hij mogelijk de bankpassen en inloggegevens van die rekeningen had afgegeven aan iemand anders, doet daar niet aan af.
Uit de gegevens die zijn ontvangen van [bedrijf] BV volgt dat [verdachte] op 23 januari 2020 en 6 februari 2020 goud heeft opgehaald, dat was besteld door [bedrijf] . De bestelling die opgehaald is op 23 januari 2020 (aankoopwaarde € 23.293,00) en een deel van de bestelling die opgehaald is op 6 februari 2020 (aankoopwaarde € 14.172,00) zijn echter via een pinbetaling op de dag van afhalen betaald vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [94] [verdachte] heeft ook verklaard dat hij wel eens goud heeft opgehaald in Amsterdam. [95] Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] zich voor een bedrag van € 37.465,00 (€ 23.293,00 + € 14.172,00) schuldig heeft gemaakt aan het verwerven, voorhanden hebben, overdragen en omzetten van geldbedragen in goud dat is aangekocht bij [bedrijf] BV.
Voor het overige volgt uit de bewijsmiddelen niet dat [verdachte] zelf enige bemoeienis heeft gehad bij de ten laste gelegde witwashandelingen, dan wel feitelijke zeggenschap heeft gehad over het goud dat is aangekocht via bankrekeningen op zijn naam en op naam van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV over de contanten die zijn opgenomen van die bankrekeningen. Dat hij wel eens goud heeft opgehaald bij [bedrijf] BV, zoals hij zelf heeft verklaard (verklaring bij de rechter-commissaris, p. 6) en dat zijn gegevens zijn geregistreerd als contactgegevens voor [bedrijf] BV (p. 101180) is daarvoor onvoldoende. Uit de door [bedrijf] BV verstrekte gegevens blijkt niet wanneer [verdachte] goud zou hebben opgehaald en om welke betalingen het dan zou gaan. Ook de verklaring van [verdachte] dat hij zelf wel eens geld heeft gepind is onvoldoende om vast te stellen dat hij de contante geldbedragen afkomstig van de bankrekening op zijn naam, als bedoeld in de tenlastelegging, heeft verworven en voorhanden heeft gehad. [verdachte] heeft namelijk verklaard dat hij de grote geldbedragen niet heeft opgenomen. Hij heeft naar zijn zeggen alleen kleinere bedragen gepind (verklaring bij de rechter-commissaris, p. 9). De rechtbank zal [verdachte] in zoverre daarom vrijspreken van het tenlastegelegde.
2.3.9
Medeplegen
Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , en daarmee van medeplegen.
2.3.10
Gewoonte en handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf
Gelet op het grote aantal transacties, de hoogte van de geldbedragen, en de periode (tien maanden) dat [verdachte] heeft witgewassen, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De rechtbank zal hem daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
2.3.11
Conclusie
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] in de periode van 3 september 2019 tot en met 16 april 2020 tezamen en in verenging met anderen een gewoonte heeft gemaakt van witwassen door (girale) geldbedragen te verwerven en voorhanden te hebben, en die geldbedragen vervolgens over te dragen en/of om te zetten in goud, als volgt.
(
Girale) geldbedragen (in de tenlastelegging genoemd onder A):
(Aankoop)waarde goud (in de tenlastelegging genoemd onder B):
2.4
Het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van [getuige]
2.4.1
Het verzoek van de verdediging en het standpunt van de officier van justitie
De verdediging heeft (voorwaardelijk) verzocht [getuige] (geboren op [geboortedag] 1974; hierna: [getuige] ) te horen als getuige. De verdediging wil [getuige] horen over de herkomst van de ten laste gelegde voorwerpen, de rol van verdachte bij het tenlastegelegde en, zo begrijpt de rechtbank, de beschikkingsmacht van verdachte over de pas van de bankrekening op naam van [bedrijf] BV.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
2.4.2
De beoordeling door de rechtbank
Het verzoek tot het horen van [getuige] is na een verzoek daartoe van de verdediging op 29 september 2023 door de rechtbank toegewezen. Desondanks heeft de verdediging geen gebruik kunnen maken van haar ondervragingsrecht.
De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen verklaring van [getuige] bevindt en dat een (belastende) verklaring zijnerzijds door de rechtbank dus ook niet als bewijs is gebruikt. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat uitlatingen van personen in chatberichten ook niet worden aangemerkt als een buiten de aanwezigheid van de verdediging afgelegde getuigenverklaring. Dat betekent dat [getuige] niet kan worden beschouwd als een zogenaamde Keskin-getuige.
Dat neemt niet weg dat de rechtbank voordat zij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van Pro het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal de rechtbank hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij de beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
Waar het gaat om de herkomst van de ten laste gelegde voorwerpen verwijst de rechtbank naar wat zij daarover in paragraaf 2.3.7 heeft overwogen over de eigen verantwoordelijkheid van [verdachte] als het gaat om het geven van een verklaring over de herkomst van de voorwerpen. Dat [getuige] mogelijk ook een verklaring kan geven over die herkomst, doet daar niet aan af.
Waar het gaat om de rol van [verdachte] , volgens de verdediging die van katvanger, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat de rol van [verdachte] beperkt is gebleven. Zijn rol zag inderdaad op niet veel meer dan het zijn van katvanger voor de vennootschap [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV. Enkel bij het ophalen van goud bij [bedrijf] BV had [verdachte] een grotere rol dan slechts die van katvanger. Echter, zoals volgt uit het juridisch kader zoals de rechtbank in paragraaf 2.3.8 heeft geschetst, maakt het zijn van katvanger [verdachte] nog niet straffeloos als het gaat om de verdenking van het voorhanden hebben van de geldbedragen op de bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV, voor zover hij ook wetenschap had van die bankrekeningen. Dat [verdachte] beschikkingsmacht had over en wetenschap had van de genoemde bankrekeningen volgt uit de weergegeven bewijsmiddelen in de paragrafen die zien op de specifieke vennootschappen. Dat [getuige] mogelijk gebruik heeft gemaakt van een bankrekening van [bedrijf] BV en de bankpas mogelijk van een ander dan [verdachte] heeft ontvangen, doet daarom niet ter zake.
Daarbij komt nog dat op 18 februari 2026 een getuigenverhoor met [getuige] in Duitsland gepland was. Voorafgaand aan dat verhoor hebben [getuige] en zijn raadsman herhaaldelijk aangegeven dat [getuige] gelet op zijn verschoningsrecht geen enkele vraag zal beantwoorden. De rechter-commissaris heeft op basis van het ‘Anklageschrift’ jegens [getuige] ook vastgesteld dat aan [getuige] inderdaad het verschoningsrecht toekomt en heeft het verhoor daarom geannuleerd.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat ook zonder de mogelijkheid tot het horen van [getuige] het strafproces als geheel eerlijk is verlopen, als vereist op grond van artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank wijst het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van [getuige] daarom af.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij,
in
of omstreeksde periode van 3 september 2019 tot en met
16 april2020 te
- Winterswijk en
/of
- Duiven en
/of
- Amsterdam en
/of
-
Oldeholtpade, gemeente Weststellingwerf en/of
-
Arnhem en/of
-
(elders
)in Nederland,
(telkens
)tezamen en in vereniging met een ander,
althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt
en/of witwassen heeft
gepleegd in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, hierin bestaande dat hij,
verdachte, en
/ofzijn mededader
(s
),
(een)voorwerp
(en
), bestaande uit
een of meer (grote
)geldbedrag
(en
)tot een totaal
van
ongeveerEUR 1.
304.
728(A)
althans enig geldbedragen
/ofeen
grote
hoeveelheid goud
en/goudgranulaat en/of (andere) edelmetalenmet een
(totale
)
waarde van EUR
37.465(B)
en/of een hoeveelheid contant geld van in totaal EUR
271.965 (C),
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet,
door:
A:
-
een of meerNederlandse bankrekeningen, op naam van
één of meer
rechtspersonen,
althans op een andere naam dan van hem, verdachte,te
(laten
)
openen en
/ofaan te houden en
/ofvervolgens op
één of meer vandie rekeningen
een of meer (grote
)geldbedragen te ontvangen, te weten:
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf]
BV
een of meerbedragen tot een totaal van EUR 588.300
(AH067)en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf]
BV
een of meerbedragen tot een totaal van EUR 382.990
(AH074)en
/of

op een rekening met nummer [rekeningnummer] , ten name van [bedrijf]
een of meer bedragen tot een totaal van EUR 558.820 (AH068) en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , ten name van [bedrijf]
BV en/of [bedrijf] BV
een of meerbedragen tot een totaal van EUR 241.600
(AH075)en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , ten name van
[bedrijf] BV
een of meerbedragen tot een totaal van EUR 91.838
(AH098),
en
/of
B:
- voor
een of meergrote bedrag
(en
)goud
en/of goudgranulaat en/of (andere)
edelmetalenaan te kopen, te weten:
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal) EUR 858.697 (AH067) en/of EUR 43.535 (AH075) bij [bedrijf] BV,
althans bij één of meer onder die rechtspersoon geregistreerde handelsnamen en/of
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal) EUR 4.841 (AH075) en/of EUR 3.257 ((AH098) bij [bedrijf] BV, althans bij één of
meer onder die rechtspersoon geregistreerde handelsnamen en/of
• goud
en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalenvoor een bedrag van (in
totaal) EUR 37.465
(AH075)bij [bedrijf] BV
en/of
C:
- een of meer bedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) EUR 28.253 (AH067) en/of EUR

221.078 (AH096) en/of EUR 22.634 (AH098) contant op te nemen,

terwijl hij, verdachte, en
/ofzijn mededader
(s
),
(telkens
)wist
(en
)dat
dit/deze
geldbedrag
(en
)- onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig
was/waren uit
enig
(e)misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie als bijkomende straffen gevorderd een beroepsverbod in de zin van artikel 28 Sr Pro voor de duur van vijf jaar voor de uitoefening van werkzaamheden als bestuurder van een vennootschap en de ongeanonimiseerde publicatie van de uitspraak op Rechtspraak.nl. Ook heeft zij de gevangenneming gevorderd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat rekening moet worden gehouden met de beperkte rol van [verdachte] bij het bewezenverklaarde. [verdachte] was kwetsbaar en is misbruikt als katvanger. Meer dan een paar honderd euro voor het ophalen van het goud heeft hij niet gehad. Van personen die naar voren komen in dit dossier met een vergelijkbare rol is de zaak geseponeerd. Verder heeft [verdachte] geen noemenswaardig strafblad en is hij sinds zijn aanhouding in september 2022 niet voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking geweest. Daarnaast is [verdachte] naar het buitenland verhuisd en heeft hij zijn leven nu op de rit.
De raadsvrouw heeft voorts verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee jaar. Ten aanzien van de gevorderde ongeanonimiseerde publicatie van de uitspraak is om afwijzing verzocht. Datzelfde geldt voor de vordering tot gevangenneming, waarbij is gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:987). De door de Hoge Raad in dat arrest genoemde terughoudendheid geldt nog meer, nu [verdachte] niet in voorlopige hechtenis heeft gezeten in deze zaak. Het gevaar voor recidive kan niet worden aangenomen.
7.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
[verdachte] heeft samen met anderen in de periode van 3 september 2019 tot en met 16 april 2020 een gewoonte gemaakt van het witwassen van meerdere geldbedragen, waaronder een geldbedrag van in totaal € 1.304.728,00 op verschillende bankrekeningen van vennootschappen binnen het Dwerguil-cluster waar hij bij betrokken was. Het geld was afkomstig van Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren. Hij was bestuurder van de vennootschappen waarop dit geld binnenkwam, dan wel gemachtigde tot de bankrekeningen van die vennootschap. Daarmee trad hij op als katvanger. [verdachte] heeft daarnaast een bedrag van € 37.465,00 witgewassen door van dit geld samen met een ander goud aan te kopen en dat goud op te halen bij [bedrijf] BV. Door dit handelen heeft [verdachte] bijgedragen aan het doorbreken van de zogenaamde ‘papertrail’ en ervoor gezorgd dat er geen zicht meer was op het van misdrijf afkomstige geld. Hij deed dit enkel ten behoeve van zijn eigen financiële gewin.
Witwassen betreft een ernstig strafbaar feit. Het werkt faciliterend voor andere kwalijke misdrijven, vormt een bedreiging voor de legale economie en tast het vertrouwen in het financiële en economische verkeer aan. [verdachte] heeft er geen blijk van gegeven de ernst van zijn handelen in te zien en heeft daarvoor ook geen verantwoordelijkheid genomen. Dit spreekt niet in zijn voordeel.
Over het strafblad van [verdachte] merkt de rechtbank op dat geen sprake is van recidive. Het strafblad werkt dus niet strafverhogend. Artikel 63 Sr Pro is van toepassing wegens twee veroordelingen door de kantonrechter en een opgelegde strafbeschikking.
Voorts dient rekening te worden gehouden met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn. Ingeval van overschrijding van de redelijke termijn is vermindering van de op te leggen straf de aangewezen sanctie. De duur van de redelijke termijn is blijkens vaste jurisprudentie mede afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, waaronder begrepen de gelijktijdige berechting van meerdere zaken tegen een verdachte. Ook andere omstandigheden kunnen verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van in beginsel twee jaren is aangevangen op de dag van uitreiking van de dagvaarding op 24 april 2023. Vanaf die datum kon [verdachte] er rekening mee houden dat hij zou worden vervolgd. Tussen die datum en de datum van dit eindvonnis ligt een periode van ruim drie jaren en een maand. De rechtbank ziet geen omstandigheden die rechtvaardigen dat voor de redelijke termijn een langere termijn dan twee jaren in acht wordt genomen. Daarmee is in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim één jaar en één maand. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdediging, dient dit gecompenseerd te worden door verkorting van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank acht, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. Bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,00 en hoger geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van ten minste 24 maanden. Verder weegt de rechtbank mee dat het bewezenverklaarde grotendeels ziet op enkel het voorhanden hebben van het geldbedrag. Ook weegt de rechtbank mee dat de rol van [verdachte] beperkter is dan die van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
De rechtbank beseft dat het ondergaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een ontwrichtend effect zal hebben op het leven van [verdachte] , maar ziet geen zodanige klemmende persoonlijke omstandigheden dat van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden afgezien.
Naar het oordeel van de rechtbank zou een gevangenisstraf van 24 maanden op zichzelf zonder meer passend zijn. Wegens overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een korting toepassen en een gevangenisstraf opleggen van 22 maanden.
De straf wijkt af van de eis van de officier van justitie. De reden daarvan is gelegen in het feit dat de rechtbank komt tot een minder vergaande bewezenverklaring. Ook houdt de rechtbank, mogelijk meer dan de officier van justitie heeft gedaan, in strafmatigende zin rekening met de rol van [verdachte] en de overschrijding van de redelijke termijn.
De vordering tot gevangenneming
De vordering tot gevangenneming zal de rechtbank afwijzen. Er is weliswaar sprake van ernstige bezwaren, maar er zijn geen gronden aanwezig. In het bijzonder merkt de rechtbank op dat de recidivegrond niet aanwezig is. [verdachte] is niet eerder voor vergelijkbare feiten veroordeeld en is sinds zijn aanhouding in september 2022, voor zover de rechtbank kan nagaan, niet opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. De uit het strafblad blijkende recidive vormt geen reden om de recidivegrond aan te nemen. De rechtbank weegt bovendien mee dat [verdachte] niet in verzekering of voorlopige hechtenis heeft verbleven voor het bewezenverklaarde feit.
De vordering tot het ongeanonimiseerd publiceren van het vonnis
Op grond van artikel 36 Sr Pro kan de rechtbank krachtens de wet openbaarmaking van de uitspraak gelasten. In het Wetboek van Strafrecht is per titel aangegeven of openbaarmaking van de uitspraak mogelijk is. De titel waarin het artikel 420bis staat vermeld (boek 2 titel XXXA) bevat niet zo’n bepaling. Reeds bij gebreke van een wettelijk grondslag zal de rechtbank niet de openbaarmaking van het vonnis gelasten.
Het gevorderde beroepsverbod
[verdachte] is bestuurder geweest van drie vennootschappen die zijn gebruikt voor het bewezenverklaarde gewoontewitwassen. Hij stelde die vennootschappen beschikbaar aan [medeverdachte 1] . [verdachte] heeft zijn positie als bestuurder van de vennootschap daarmee misbruikt. De rechtbank ziet daarin reden aan [verdachte] een beroepsverbod op te leggen, inhoudende dat [verdachte] voor de duur van 46 maanden wordt ontzet van het recht tot de uitoefening van het beroep van bestuurder van een vennootschap.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 47, 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 wijst het verzoek tot het horen van [getuige] als getuige af;
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
22(tweeëntwintig)
maanden;
 ontzet verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een vennootschap voor de duur van 46 (zesenveertig) maanden;
 wijst af de vordering tot gevangenneming.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en
mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2026.
Mr. K.A.M. van Hoof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ONRBB20013/Dwerguil, gesloten op 23 februari 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700071, p. 700141.
3.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700099, p. 700144.
4.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700073.
5.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700146.
6.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 700149.
7.Verklaring van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris, p. 4.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100551.
9.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101533.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100602, p. 100609-100610.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100691.
13.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
14.Verklaring van [verhuurder] bij de rechter-commissaris, p. 2-4.
15.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700157-700158.
16.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (V01.05), p. 2 (aanvullend dossier).
17.Uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK), p. 100051; proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 25.
18.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] , p. 700020, 700022.
19.KvK, p. 100052.
20.KvK, p. 100054.
21.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 22-23.
22.Excel-overzicht AH008-009 (aanvullend dossier, niet genummerd).
23.E-mail d.d. 22 december 2020, p. 100447.
24.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100740.
25.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100725.
26.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100880; KvK, p. 100220.
27.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100881.
28.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100726.
29.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100740.
30.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 30.
31.KvK, p. 101184-101185.
32.Overzicht betalingen, p. 101191-101194; overzicht facturen, p. 101188.
33.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101173.
34.Debiteurenuitdraai [bedrijf] BV, p. 101180.
35.Proces-vervaal van bevindingen, p. 101158; factuur, p. 101162; kopie identiteitsbewijs, p. 101163.
36.Klantoverzicht [bedrijf] , p. 100468; kopie identiteitsbewijs, p. 100471.
37.Klantoverzicht [bedrijf] , p. 100485; overzicht debiteur, p. 101175.
38.EOB, p. 300002; proces-verbaal van bevindingen, p. 101049.
39.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] , p. 700023.
40.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101052; tapgesprek p. 500066.
41.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101050; tapgesprek, p. 500069.
42.Tapgesprek, p. 500071.
43.Tapgesprek, p. 500075.
44.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101416.
45.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (V01.05), p. 4 (aanvullend dossier).
46.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101417.
47.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101447-101448.
48.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 400002.
49.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 400002.
50.Proces-verbaal algemeen dossier, p. 8.
51.Verklaring van [verdachte] bij de rechter-commissaris, p. 2, 5.
52.Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon [bedrijf] BV, ongenummerd (aanvullend dossier).
53.Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon [bedrijf] BV, ongenummerd (aanvullend dossier).
54.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101510, 101512.
55.KvK, p. 100056-100057; proces-verbaal van bevindingen zaaksdossier 01, p. 25.
56.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101409, proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 22.
57.Excel-overzicht AH008-005 (aanvullend dossier, niet genummerd).
58.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100741-100742.
59.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100728-100729.
60.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100743.
61.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100729.
62.KvK, p. 100062.
63.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 000024.
64.Liste Auftrage zum Partner, p. 101182.
65.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101158; factuur, p. 101160; kopie van paspoort, p. 101161; factuur, p. 101164; kopie van paspoort, p. 101166.
66.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100742.
67.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101492; excel-overzicht AH149-004 (aanvullend dossier, niet genummerd).
68.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100706.
69.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101492-101493.
70.Verklaring van [verdachte] bij de rechter-commissaris, p. 2, 4-5. Deze verklaring is ter terechtzitting van 14 april 2026 gevoegd in het dossier van [verdachte] .
71.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101409.
72.KvK, p. 100069.
73.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101409; proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 33.
74.Proces-verbaal van bevindingen AH452, aanvullend dossier (niet genummerd).
75.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100853.
76.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100854-100855.
77.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht verkopen aan [bedrijf] , p. 100475; overzicht factuurnummers, p. 100492.
78.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101437; excel-overzicht AH149-004 (aanvullend dossier, niet genummerd).
79.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100524, p. 100531, p. 100533-100542.
80.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100624-100625.
81.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100628-100629.
82.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101435.
83.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100856.
84.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100690.
85.Verklaring van [verdachte] bij de rechter-commissaris, p. 2, 4.
86.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100845-100846.
87.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100847-100848; proces-verbaal van bevindingen, p. 100881.
88.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101486-101487; proces-verbaal van bevindingen, p. 100726.
89.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101487.
90.Verklaring van [verdachte] bij de rechter-commissaris, p. 8-9.
91.Verklaring van [verdachte] bij de rechter-commissaris, p. 2-3, 8.
92.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100552-100554.
93.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101408.
94.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101158; excel-overzicht AH008-005 (aanvullend dossier, niet genummerd); factuur, p. 101160; kopie paspoort, p. 101161; factuur, p. 101164; kopie paspoort,
95.Verklaring van [verdachte] bij de rechter-commissaris, p. 3.