Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4447

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25_1581
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 PwArt. 18 PwArt. 19 PwArt. 34 PwArt. 44 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op bijstand en maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Eiseres heeft op 23 juli 2024 bijstand aangevraagd, maar het college stelde de ingangsdatum van het recht op bijstand vast op 5 augustus 2024 omdat zij tot die datum een vermogen boven de vermogensgrens had. Eiseres had een lening van haar grootouders van €7.500, die zij op 5 augustus 2024 terugbetaalde om onder de vermogensgrens te komen.

De rechtbank oordeelt dat de lening een schuld van vrijblijvende aard is, omdat de terugbetalingsverplichting niet concreet, objectief en verifieerbaar was vastgelegd. Hierdoor mocht het college het vermogen op 23 juli 2024 meewegen en de ingangsdatum op 5 augustus 2024 stellen.

Daarnaast legde het college een 100%-maatregel voor twee maanden op wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, omdat eiseres het vermogen bewust had verlaagd om eerder bijstand te ontvangen. De rechtbank wijst het verweer van eiseres dat haar autisme dit gedrag verklaart af, omdat zij zelf had onderzocht wat de voorwaarden waren en bewust handelde.

Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, het college handhaaft het besluit en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard; het recht op bijstand gaat in op 5 augustus 2024 en de 100%-maatregel is terecht opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1581

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Kaya),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, het college
(gemachtigden: mr. L. Kikkert en M.W.A. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van het recht op bijstand en de opgelegde maatregel. Eiseres is het niet eens met de ingangsdatum en de maatregel. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het recht op bijstand terecht heeft laten ingaan vanaf 5 augustus 2024. Verder is het college op goede gronden tot het oordeel gekomen dat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, zodat het college terecht is overgegaan tot het opleggen van een maatregel. Eiseres krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 23 juli 2024 bij het college bijstand aangevraagd. Bij besluit van 28 augustus 2024 (primaire besluit) heeft het college aan eiseres bijstand naar de kostendelersnorm toegekend vanaf 5 augustus 2024. De ingangsdatum is 5 augustus 2024 omdat eiseres over de periode van 23 juli 2024 tot en met 4 augustus 2024 een vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens had en zij over die periode dan ook geen recht op bijstand had. Daarnaast heeft het college gedurende twee maanden (september en oktober 2024) een 100%-maatregel opgelegd vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college gebleven bij het primaire besluit.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer 25/1902, op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank doet afzonderlijk uitspraak in de beide beroepen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank stelt de volgende feiten vast.
3.1.
Eiseres heeft op 31 januari 2022 van haar grootouders een lening voor een bedrag van € 7.500 ontvangen. Eiseres is jaarlijks een rente van 2% verschuldigd. Volgens de overeenkomst worden over de aflossing nog nader te bepalen afspraken gemaakt.
3.2.
Op 23 juli 2024 heeft eiseres zich gemeld bij het college om bijstand.
Op 5 augustus 2024 heeft eiseres een bedrag van € 7.500 overgemaakt naar de bankrekening van haar grootouders. Op 6 augustus 2024 heeft het intakegesprek plaatsgevonden. Op dat moment bedroeg het totaal op alle bankrekeningen van eiseres tezamen € 4.146,57.
Het geschil
4. Eiseres kan zich er niet in vinden dat het college het recht op bijstand pas met ingang van 5 augustus 2024 heeft toegekend. Ook kan eiseres zich er niet in vinden dat het college vervolgens een maatregel heeft opgelegd, die inhoudt dat eiseres voor de duur van twee maanden 100% van de voor haar geldende bijstandsnorm niet uitgekeerd krijgt.
4.1.
De rechtbank gaat hierna eerst in op de ingangsdatum. Vervolgens gaat de rechtbank in op de 100%-maatregel.
Ingangsdatum recht op bijstand
Toetsingskader
5. Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege heeft.
Artikel 19, eerste lid, van de Pw bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2 van de Pw, de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand heeft, als
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; én
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw bepaalt dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.
Het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid. In dit geval is de vermogensgrens
€ 7.575.
Artikel 44, eerste lid, van de Pw bepaalt dat, als door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan.
5.1.
Anders gezegd: het college hoeft pas bijstand toe te kennen als eiseres niet genoeg inkomen én te weinig vermogen heeft om in haar levensonderhoud te voorzien. Eiseres mag wel vermogen (spaargeld) hebben, maar om bijstand te krijgen moet dat vermogen minder dan € 7.575 zijn.
Beoordeling
6. Volgens eiseres was haar vermogen op 23 juli 2024 minder dan € 7.575. Ook al had zij op haar bankrekeningen een saldo van meer dan € 7.575, zij had op dat moment ook nog een schuld aan haar grootouders, te weten de lening van € 7.500. Eiseres had dat geld geleend om na haar opleiding een auto te kopen. Omdat eiseres na haar afstuderen niet is gaan werken, had zij ook geen auto nodig. De lening heeft zij daarom op 5 augustus 2024 terugbetaald. Dat heeft zij juist op dat moment gedaan zodat haar vermogen niet te groot zou zijn. Bovendien moest zij die lening ook terugbetalen, dat had eiseres met haar grootouders afgesproken.
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geld heeft geleend van haar grootouders. Daarmee is sprake van een geldlening en daarmee een schuld van familiaire aard. Van zo’n lening wordt aangenomen dat dit een schuld van vrijblijvende aard is. Daarmee wordt bedoeld dat voor die schuld vaak geen verplichting tot terugbetaling bestaat of dat terugbetaling wel moet maar niet duidelijk is wanneer dat dan moet gebeuren zodat voor de geldlener veel vrijheid bestaat om het moment van terugbetalen zelf te kiezen.
6.1.1.
Een belanghebbende heeft echter de mogelijkheid aannemelijk te maken dat sprake is van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling. Dit moet dan wel aan de hand van gegevens die concreet, objectief en verifieerbaar zijn. Een ongedateerde overeenkomst is niet objectief en verifieerbaar. [1]
6.1.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij deze schuld aan haar grootouders moest terugbetalen, laat staan dat zij deze schuld op uiterlijk 5 augustus 2024 moest terugbetalen. Dit volgt namelijk niet uit de leenovereenkomst, want daarin staat dat de lening zal worden afgelost ‘volgens nader te bepalen afspraken’. Er was dus geen sprake van een opeisbare terugbetalingsverplichting die daadwerkelijk werd afgedwongen ten tijde van de aanvraag voor bijstand. Er was weliswaar sprake van een schuld, maar deze was van vrijblijvende aard. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres tegenover de rapporteur van het college én tijdens de zitting heeft verklaard dat zij samen met haar begeleider heeft uitgezocht hoeveel vermogen (spaargeld) zij mocht hebben om recht op bijstand te hebben en dat zij daarom de lening op 5 augustus 2024 heeft terugbetaald. De rechtbank gaat daarom ook voorbij aan de in beroep overgelegde brief van de moeder van eiseres.
6.1.3.
Dat eiseres niet de bedoeling heeft gehad om het college te benadelen, maakt het niet anders. Dat is voor de vraag per wanneer eiseres recht heeft op bijstand namelijk niet relevant.
6.2.
Het voorgaande brengt met zich dat het college terecht rekening mocht houden met het vermogen (spaargeld) dat eiseres op 23 juli 2024 had en dat eiseres pas op
5 augustus 2024 een vermogen had dat lag onder de voor eiseres geldende vermogensgrens. Daarmee heeft het college de ingangsdatum van het recht op bijstand terecht vastgesteld op 5 augustus 2024.
100%-maatregel gedurende twee maanden
Toetsingskader
7. Artikel 18, tweede lid, van de Pw bepaalt dat het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.
Artikel 3.7, eerste lid, van Verzamelverordening inkomensondersteuning, re-integratie en participatie 2023 (de verordening) bepaalt dat als door een verwijtbare gedraging eerder, langer of voor een hoger bedrag een beroep op bijstand wordt gedaan een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan wordt opgelegd. Het derde lid bepaalt dat de hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de hoogte van de financiële benadeling per maand en wordt vastgesteld op (onder c) 100% bij een financiële benadeling van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het vierde lid bepaalt dat de duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de periode waarin deze benadeling plaatsvindt en wordt vastgesteld op (onder b) twee maanden bij een benadelingsperiode van drie tot zes maanden.
7.1.
Anders gezegd: als vaststaat dat recht op bijstand bestaat, dan kan het zo zijn dat het college de bijstand over een bepaalde periode moet verlagen omdat de bijstandsgerechtigde tot het moment waarop hij of zij in aanmerking komt voor bijstand niet verantwoord (verstandig) met (spaar)geld is omgegaan. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als iemand spaargeld heeft uitgegeven aan niet-belangrijke zaken zoals een vakantie of schulden heeft betaald die nog niet betaald hoefden te worden. [2] De bijstand is het vangnet voor wie niet zelf in staat is om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en het recht op bijstand ontstaat pas als de betrokkene eerst de eigen mogelijkheden heeft benut. Daarom is het tonen van besef van verantwoordelijkheid – en het daar naar handelen – essentieel voor het recht op bijstand.
Beoordeling
8. Het college heeft aan eiseres een 100%-maatregel voor de duur van twee maanden opgelegd omdat eiseres het vermogen (spaargeld) dat zij had heeft verkleind om daarmee eerder in aanmerking te komen voor bijstand. Eiseres heeft immers na de melding op 23 juli 2024 dat zij bijstand wil ontvangen de lening aan haar grootouders terugbetaald zonder dat zij daartoe verplicht was. Daardoor is sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
8.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar vanwege haar autisme [3] geen verwijt kan worden gemaakt van het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het spaargeld was immers bedoeld (‘gelabeld’) voor de aanschaf van een auto na haar studie. Omdat eiseres geen auto heeft gekocht of gaat kopen, moet dat geld weer terug naar haar grootouders. Volgens eiseres mocht zij dat geld niet voor iets anders gebruiken. Haar gedachten (autistisch denken) staan dat niet toe.
8.2.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Eiseres heeft zelf tegenover de rapporteur van het college én tijdens de zitting verklaard dat zij samen met haar begeleider heeft uitgezocht wat de voorwaarden zijn om bijstand te kunnen ontvangen. Omdat zij daarvoor over niet te veel vermogen (spaargeld) mocht beschikken, heeft zij zelf besloten om het geleende bedrag op 5 augustus 2024 terug te betalen. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiseres langere tijd heeft nagedacht over de vraag wat zij met het geleende bedrag moest doen. Eiseres had het geleende bedrag dus ook kunnen gebruiken voor de kosten van haar levensonderhoud. Hieruit volgt dan ook dat, anders dan eiseres tijdens de zitting heeft gesteld over haar autisme, geen sprake is van een situatie waarin elke verwijtbaarheid ontbreekt. [4]
8.2.1.
De rechtbank merkt nog op dat eiseres niet heeft gesteld of aannemelijk heeft gemaakt dat haar grootouders er niet mee zouden hebben ingestemd als eiseres met het geleende geld in (sommige) kosten van haar levensonderhoud zou hebben voorzien, zodat eiseres op een later moment behoefte aan bijstand zou hebben gehad.
8.3.
Dat, zoals eiseres nog heeft gesteld, sprake zou zijn geweest van dringende redenen [5] om af te zien van het opleggen van een maatregel en dat het college daar ten onrechte aan voorbij is gegaan, is de rechtbank niet gebleken. Het college heeft gemotiveerd dat en waarom in het geval van eiseres geen sprake is van dringende redenen. Het college heeft hierbij onder meer betrokken dat eiseres door de maatregel haar huis niet verliest, omdat ze inwonend is bij haar moeder en niet meebetaalt in de kosten. Ook heeft het college betrokken dat eiseres genoeg spaargeld heeft om de twee maanden waar de maatregel betrekking op heeft in haar levensonderhoud te voorzien en dat van (andere) bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Eiseres heeft dat niet gemotiveerd weersproken. De moeder van eiseres heeft in haar in beroep overgelegde brief nog geschreven dat de maatregel vanwege de ASS een onevenredige zware impact heeft op eiseres. Hierin heeft het college echter, gelet op het voorgaande, geen dringende reden hoeven zien om af te zien van de maatregel of om de maatregel te matigen.
8.3.1.
Eiseres heeft nog een beroep gedaan op de uitspraak van 13 november 2024 van de rechtbank Den Haag. [6] De rechtbank is echter van oordeel dat deze uitspraak betrekking heeft op een andere situatie. In deze uitspraak was sprake van een situatie waarin betrokkene in een bijstandbehoeftige situatie verkeerde, maar wachtte met het aanvragen van bijstand omdat hij wist dat hij door zijn ontslag tijdelijk geen recht op bijstand had. Hij had hiermee de periode waarover hij een beroep doet op de publieke middelen zelf bekort. Van een dergelijke situatie is bij eiseres geen sprake. Eiseres beschikte tot (en met) 5 augustus 2024 over een te groot vermogen (te veel spaargeld), waardoor zij hoe dan ook niet op een eerder moment recht op bijstand zou hebben gehad. Eiseres heeft dus de periode waarover zij een beroep doet op de publieke middelen niet zelf bekort. Ook niet doordat zij niet al in februari 2024 (na het slagen voor haar opleiding) bijstand heeft aangevraagd. Vanwege de hoogte van haar vermogen had zij destijds namelijk geen recht op bijstand. De rechtbank laat de door eiseres aangehaalde uitspraak dan ook buiten beschouwing.
8.4.
De rechtbank stelt tot slot vast dat niet in geschil is dat de hoogte van 100% en de duur van twee maanden van de maatregel in overeenstemming zijn met de verordening.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het recht op bijstand terecht heeft laten ingaan vanaf 5 augustus 2024. Verder is het college op goede gronden tot het oordeel gekomen dat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, zodat het college terecht is overgegaan tot het opleggen van een maatregel. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.V. van Weert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de volgende uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB): 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:76; 3 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1793; 29 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1177.
2.In rechte nog niet opeisbaar waren, bijvoorbeeld omdat de betaaldatum nog niet bekend was of al was verstreken.
3.Autisme spectrum stoornis, ASS.
4.Artikel 18, negende lid, van de Pw en artikel 3.2 van de verordening.
5.Artikel 18, tiende lid, van de Pw.