Appellante diende op 6 mei 2020 een aanvraag om bijstand in op grond van de Participatiewet. Het college stelde vast dat de waarde van haar woning € 260.000 bedroeg, met een hypotheekschuld van € 176.000, waardoor een overwaarde van € 84.000 resteerde. Na toepassing van het vrij te laten vermogen van € 52.500 bleef een overwaarde van € 31.500 over.
Appellante stelde dat zij een schuld van € 58.000 aan haar vader had die in mindering moest worden gebracht op de overwaarde. Zij leverde echter onvoldoende bewijs aan om deze schuld als een op de woning drukkende schuld aan te merken. De rechtbank wees het beroep van appellante af en bevestigde het besluit van het college om de aanvraag om bijstand te weigeren omdat alleen bijstand in de vorm van een lening mogelijk was, waarvoor appellante geen toestemming gaf.
In hoger beroep handhaafde de Raad het oordeel van de rechtbank. De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij een op de woning drukkende schuld had en dat de schuld aan haar vader niet opeisbaar was. Omdat de overwaarde hoger was dan de vrijlatingsgrens, kon alleen bijstand in de vorm van een lening worden verstrekt. Appellante wenste dit niet, waardoor de aanvraag terecht werd afgewezen. De Raad kende appellante een vergoeding toe voor proceskosten en griffierecht.