ECLI:NL:RBGEL:2026:4499

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 6572
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.150 Wet IB 2001Art. 3.151 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroepen tegen weigering verliesverrekening en aftrek kosten inkomstenbelasting 2020 en 2021

Belanghebbende voerde beroep aan tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2020 en 2021, waarin de inspecteur negatieve resultaten en kosten niet accepteerde. De inspecteur handhaafde de aanslagen en belastingrente. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen aannemelijk gemaakt verlies heeft dat kan worden doorgeschoven uit eerdere jaren, waaronder de periode tot en met 2000 waarop een vaststellingsovereenkomst uit 2001 betrekking heeft.

De rechtbank stelt vast dat er geen feiten of omstandigheden zijn die wijzen op resterende verliezen uit die periode. Ook is niet gebleken van een tweede vaststellingsovereenkomst. De rechtbank overweegt dat verliesbeschikkingen voor eerdere jaren onherroepelijk zijn en niet meer in deze procedure kunnen worden aangevochten. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat de kosten samenhangen met een bron van inkomen, aangezien de inspecteur al in 2012 heeft vastgesteld dat die bron ontbreekt.

Belanghebbende verzocht ook om verliesverrekening over een bredere periode en teruggave van btw, maar deze verzoeken vallen buiten het bereik van deze procedure. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, handhaaft de aanslagen en belastingrente, en wijst proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 worden ongegrond verklaard en de aanslagen en belastingrente worden gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/6572 en 25/174

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juni 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Almere, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 9 april 2024 en 28 november 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2020 en 2021 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.821 (2020) en € 51.982 (2021).
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslagen heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikkingen € 1.178 (2020) en € 634 (2021) aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen).
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B] .

Feiten

1. Belanghebbende verricht al jarenlang activiteiten als hoofdredacteur van [naam krant]. Ook in 2020 en 2021 heeft hij die activiteiten verricht.
2. Op of omstreeks 6 november 2001 heeft belanghebbende in het kader van zijn faillissement met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten over de hoogte van het bedrag aan concurrente crediteuren, (faillissements)kosten en aftrekbare rente(en) over 1995 tot en met 2001.
3. De inspecteur heeft op 10 april 2012 aan belanghebbende meegedeeld dat er in elk geval met ingang van 1 januari 2012 geen sprake meer is van een bron van inkomen voor zijn activiteiten en dat de kosten die daarmee verband houden daarom niet aftrekbaar zijn.
4. In de aangiften IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2021 heeft belanghebbende negatieve resultaten aangegeven voor de activiteiten verricht onder de naam [naam krant]. Voor de jaren 2015 tot en met 2017 zijn die resultaten aangegeven onder de rubriek Resultaat overige werkzaamheden (ROW) en voor de jaren 2018 tot en met 2021 onder de rubriek Winst uit onderneming (WUO).
5. Op 15 augustus 2021 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 35.563 en bestaat uit pensioen en AOW voor een bedrag van € 48.821 verminderd met een belastbare winst van -/- € 13.258.
6. Op 9 mei 2022 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV 2021 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 33.528 en bestaat uit pensioen en AOW voor een bedrag van € 51.982 verminderd met een belastbare winst van -/- € 18.454.
7. De inspecteur is bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 afgeweken van de aangifte en heeft de negatieve resultaten niet geaccepteerd.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank is van oordeel dat de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 niet te hoog zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht belanghebbende in 2020 en 2021 verliezen verrekenen?
10. Belanghebbende stelt voor de jaren 2020 en 2021 verliezen uit onderneming te hebben die voor aftrek in aanmerking komen. De vso van 6 november 2001 biedt daarvoor de grondslag. Deze vso is volgens belanghebbende niet nagekomen door de inspecteur. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om op grond van artikel 3.150 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) door middel van carry back en carry forward verliesverrekening uit te voeren.
11. De inspecteur is van mening dat er geen aanleiding is om voor de jaren 2020 en 2021 nog kosten en ondernemingsverliezen uit de jaren 1997 tot en met 2000 in aanmerking te nemen op grond van de in 2001 gesloten vso. Die vso ziet enkel op de in aanmerking te nemen kosten voor het jaar 2000. Er is bovendien geen sprake van een bron van inkomen. Met betrekking tot de jaren 2015 en 2016 is dit door het Gerechtshof ook bevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat voor de jaren 2020 en 2021 feitelijke wijzigingen hebben plaatsgevonden waardoor wel sprake zou zijn van een bron van inkomen.
12. De rechtbank begrijpt het standpunt van belanghebbende zo dat er naar zijn mening een verlies is dat stamt uit de periode van de vso en dat dit verlies al die jaren had moeten worden doorgeschoven naar 2020 en 2021.
13. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op grond waarvan geoordeeld moet worden dat er voor de jaren 2000 en 2001, of daarvoor, sprake was van (resterende) verliezen. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van verliezen die zijn doorgeschoven. De inspecteur heeft in het verweerschrift en op de zitting verklaard dat de verliezen die er in 2000 waren, geheel zijn verrekend in 2001 en 2002 en dat er daarna geen verrekenbaar verlies meer resteerde.
14. Voor zover belanghebbende stelt dat er nog een tweede vso is, heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft op de zitting een vso met en zonder handgeschreven aantekeningen laten zien. Het betreft evenwel tekstueel gezien dezelfde overeenkomst. Belanghebbende heeft op de zitting erkend dat de handgeschreven aantekeningen van hemzelf zijn.
15. Voor wat betreft de toepassing van artikel 3.150 van de Wet IB 2001 waar belanghebbende om verzoekt, overweegt de rechtbank dat het verlies uit werk en woning in enig jaar door de inspecteur wordt vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking (verliesbeschikking). [1] Uit de stukken volgt niet dat er verliesbeschikkingen zijn vastgesteld die in de belastingjaren 2020 en 2021 tot verrekening kunnen leiden. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de inspecteur over eerdere jaren een verlies had moeten vaststellen, maar dit heeft verzuimd geldt het volgende. In een aanslag naar een positief belastbaar bedrag ligt tevens een beschikking besloten dat het verlies nihil bedraagt. [2] Belanghebbende had tegen die (impliciete) verliesbeschikkingen op kunnen komen door bezwaar te maken tegen de aanslagen. Inmiddels zijn die verliesbeschikkingen onherroepelijk vast komen te staan. In deze beroepsprocedure kan belanghebbende die dus niet meer aan de orde stellen.
16. Voor wat betreft de aftrek van kosten die belanghebbende voorstaat, volgt uit de stukken dat die ziet op de financieringskosten van een auto (€ 9.360) en de servicekosten van een webportaal (€ 479). Deze kosten kunnen alleen voor aftrek in aanmerking komen als ze samenhangen met activiteiten die zijn aan te merken als een bron van inkomen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. De inspecteur heeft al in 2012 kenbaar gemaakt dat geen sprake (meer) was van een bron van inkomen, omdat voor 2009 tot en met 2011 de resultaten negatief waren. Ook was onwaarschijnlijk, of in elk geval onduidelijk, dat de jaren erna wel een positief voordeel verwacht mocht worden. Voor de jaren vanaf 2015 tot en met 2021 zijn de resultaten nog steeds negatief. Belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat desondanks een positief resultaat te verwachten valt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een bron van inkomen.
17. Gelet op het voorgaande is rechtbank van oordeel dat de inspecteur de aftrek van de negatieve resultaten en de kosten terecht heeft geweigerd. Het beroep slaagt dus niet.
Overige verzoeken van belanghebbende
18. Belanghebbende verzoekt de rechtbank nog om voor de jaren 2015 tot en met 2025 op grond van artikel 3.150 van de Wet IB 2001 door middel van ‘carry back’ en ‘carry forward’ verliesverrekening uit te voeren voor het totale ondernemingsverlies van € 203.325. In deze beroepsprocedure liggen alleen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2020 en 2021 ter beoordeling voor. De rechtbank moet zich in haar oordeel dus beperken tot deze jaren. Met betrekking tot eerdere jaren (2015, 2016, 2018 en 2019) heeft de rechtbank al uitspraak gedaan over deze kwestie.
19. Belanghebbende verzoekt verder om teruggave van btw voor een bedrag van € 43.428. Dit verzoek valt buiten het bereik van deze beroepsprocedure.
20. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

21. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken op 5 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3.151, eerste lid, van de Wet IB 2001.
2.Hoge Raad 16 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU8169 en ECLI:NL:HR:2005:AU8177.