ECLI:NL:RBGEL:2026:4856

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 231
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:32 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over duurzaamheid volledige arbeidsongeschiktheid wegens onvoldoende motivering

De zaak betreft een werkgeversberoep tegen het UWV-besluit dat de (ex-)werkneemster volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd waarom en welke verbetering van de belastbaarheid, gerekend vanaf de datum in geding, in en na het eerstkomende jaar kan worden verwacht.

De (ex-)werkneemster kampt met persisterende psychische klachten die ondanks meerdere behandelingen niet zijn afgenomen. Het UWV baseerde haar oordeel op een nieuwe behandeling die nog niet was gestart op de datum in geding, zonder nadere medische informatie op te vragen bij behandelaren. Dit is onvoldoende om een positieve prognose te onderbouwen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:46 en 7:12 van de Awb en draagt het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/231

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

Stichting Azora uit Terborg, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: T.I. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het UWV terecht heeft beslist dat de
(ex-)werkneemster van eiseres nog steeds volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid onzorgvuldig heeft beoordeeld. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.1.
De (ex-)werkneemster heeft geen toestemming gegeven om haar medische gegevens te delen met eiseres. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat alleen de gemachtigde van eiseres kennis mag nemen van de medische stukken. De rechtbank zal voor zover dat voor deze uitspraak nodig is alleen in algemene termen de medische situatie van de (ex-)werkneemster beschrijven.

Procesverloop

2. Eiseres heeft het UWV verzocht de mate en de duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid van de (ex-)werkneemster opnieuw te beoordelen. Het verzoek is op 13 februari 2024, de datum in geding, ontvangen. Het UWV heeft bij besluit van 8 augustus 2024 (het primaire besluit) beslist dat de (ex-)werkneemster onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Met het bestreden besluit van 25 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV daarbij gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres via een videoverbinding en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank stelt het volgende vast.
3.1.
De (ex-)werkneemster heeft zich op 10 december 2019 bij eiseres ziek gemeld voor haar werk als verzorgende IG. Zij heeft op 14 september 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. De aanvraag is beoordeeld door een verzekeringsarts [1] en een arbeidsdeskundige [2] van het UWV. Aan de (ex-)werkneemster is een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. [3] In bezwaar is aan de (ex-)werkneemster met ingang van 7 december 2021 alsnog een WIA-uitkering, horend bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%, toegekend. [4] Vanaf 22 juni 2023 ontvangt de (ex-)werkneemster een loonaanvullingsuitkering. [5]
3.2.
Bij brief van 9 februari 2024 heeft eiseres het UWV verzocht de situatie van de (ex-)werkneemster opnieuw te beoordelen. Na een beoordeling door een arts van het UWV [6] heeft het UWV het primaire besluit genomen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
3.3.
De mate van arbeidsongeschiktheid is in bezwaar medisch [7] en arbeidsdeskundig [8] beoordeeld. Hierna is het bestreden besluit genomen.
Het geschil
4. Niet in geschil is dat (ex-)werkneemster volledig arbeidsongeschikt is. In geschil is de vraag of de arbeidsongeschiktheid van de (ex-)werkneemster moet worden geacht volledig én duurzaam te zijn, zodat zij op grond van artikel 47 van Pro de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering. [9]
Het beoordelingskader
5. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij (zij) die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek of zwangerschap en bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid van artikel 4 van Pro de Wet WIA wordt onder duurzaam verstaan een medische stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Overwegingen
6. Volgens eiseres moet de (ex-)werkneemster in aanmerking worden gebracht voor een IVA-uitkering. Omdat een geringe kans op herstel bestaat, moet de (ex-)werkneemster volledig én duurzaam arbeidsongeschikt worden geacht, aldus eiseres.
6.1.
De (ex-)werkneemster heeft, volgens eiseres, persisterende psychische gezondheidsklachten. Ondanks meerdere behandelingen (vanaf haar jongvolwassenheid) nemen die klachten, en de daarmee samenhangende beperkingen, niet af, maar juist toe. De eerder gevolgde behandelingen hebben bijgedragen aan het in stand houden en verergeren van de klachten. Onlangs is weer een op die klachten gerichte behandeling ingezet, maar tot nu toe ook zonder resultaat, zo geeft eiseres aan.
6.2.
Aan de hand van de drie stappen die zijn neergelegd in het beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen’ (het beoordelingskader) had het UWV moeten aannemen dat verbetering van de gezondheidssituatie van de
(ex-)werkneemster niet valt te verwachten, althans niet in het eerstkomende jaar, zo stelt eiseres.
6.3.
Volgens eiseres is in het geval van de (ex-)werkneemster verbetering van de belastbaarheid niet uitgesloten. Er is wel sprake van een wisselende belastbaarheid, waardoor de mogelijkheden sterk verschillen.
Eiseres wijst erop dat de (ex-)werkneemster al sinds 2011 in wisselende mate last heeft van dezelfde klachten, waardoor zij eerder ook al is uitgevallen voor haar werk. Voor die klachten heeft zij in het verleden, naast opname, een veelvoud aan (farmaco- en psycho)therapie gevolgd. Na de uitval in 2020 heeft de (ex-)werkneemster opnieuw soortgelijke behandelingen gevolgd maar is geen sprake van verbetering.
Door de (verzekerings)artsen (bezwaar en beroep, hierna b&b) wordt verbetering van de gezondheidssituatie verwacht vanwege de behandeling die de (ex-)werkneemster ondergaat, maar waarop de (verzekerings)artsen (b&b) die verwachting baseren kan eiseres niet volgen.
De arts van het UWV heeft niet concreet en gemotiveerd toegelicht waarom deze behandeling wel gaat leiden tot een verbetering van de klachten. In het verleden hebben soortgelijke behandelingen ook niet geleid tot een verbetering van de klachten.
De (verzekerings)artsen hebben ook geen aanvullende medische informatie opgevraagd bij de behandelaren. Dat had wel op hun weg gelegen, nu de behandeling volgens hen een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de
(ex-)werkneemster. De enkele verwijzing naar de door de verzekeringsarts b&b te verwachten verbetering op persoonlijk en sociaal vlak zonder ondersteunende medische stukken biedt niet voldoende motivering, aldus eiseres.
Eiseres wijst daarbij op de ernst en het persisterende karakter van de klachten en het behandelverleden van de (ex-)werkneemster. Daarnaast wijst eiseres erop dat, nu zij werkgever is, op de verzekeringsartsen des te meer de verplichting rust om informatie bij de behandelaren op te vragen en de verwachtingen zorgvuldig te onderbouwen.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
7.1.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. [10] Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
7.2.
Bij het onderzoek naar de duurzaamheid hanteert het UWV het beoordelingskader. Dit beoordelingskader is een hulpmiddel voor de verzekeringsarts bij het beoordelen van de vraag of de arbeidsongeschiktheid als duurzaam is aan te merken. Op grond van dit beoordelingskader wordt duurzaamheid aangenomen indien verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten dan wel niet of nauwelijks valt te verwachten. Daarnaast bevat het beoordelingskader een stappenplan ter vaststelling van de prognose van de arbeidsbeperkingen van de verzekerde, uitgaande van de medische situatie op het moment van beoordeling.
7.2.1.
De verzekeringsarts beoordeelt eerst (stap 1) of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Daarna dient de verzekeringsarts een inschatting te maken in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht (stap 2).
Tot slot zal de verzekeringsarts moeten beoordelen of na het eerstkomende jaar nog verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht en zo ja, in hoeverre (stap 3). Aan de motivering en het oordeel dat de belastbaarheid ná het eerstkomende jaar nog zal verbeteren worden hoge eisen gesteld. Als die inschatting berust op een medische behandeling, dan is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan.
7.3.
Uit de rechtspraak van de CRvB volgt dat bij een werkgeversberoep de positie van de werkgever en de aard van betrokken belangen met zich brengen dat het UWV het besluit ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. Er is niet zozeer sprake van een ander toetsingskader, maar wel van een zwaardere motiveringsplicht. [11]
7.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een of meer ziektebeelden waarvoor behandeling mogelijk is en dat de (ex-)werkneemster daarvoor in het verleden meerdere (vormen van) behandeling(en) heeft gevolgd (maar tot op heden zonder resultaat) (stap 1).
7.5.
Wel is in geschil of de (verzekerings)artsen (b&b) van het UWV de kans op verbetering van de belastbaarheid, gerekend vanaf de datum in geding, tijdens het eerstkomende jaar (stap 2) én na het eerstkomende jaar (stap 3) zorgvuldig hebben beoordeeld en voldoende hebben gemotiveerd.
7.5.1.
De arts heeft overwogen dat de anamnese vergelijkbaar is met de anamnese die is vastgelegd op 23 maart 2023 door de verzekeringsarts b&b en dat al met al geen wezenlijke verandering in het medisch feitencomplex heeft plaatsgevonden. De arts heeft verder overwogen dat de (ex-)werkneemster nog niet is gestart met gerichte behandeling in verband met lange wachttijden en dat zij inmiddels is aangemeld voor een andere gerichte behandeling. Volgens de arts is een wijziging van de belastbaarheid op basis van de huidige bevindingen niet opgetreden.
Ten aanzien van de verbetering van de belastbaarheid heeft de arts overwogen dat de prognose gunstig is en dat, zodra de (ex-)werkneemster de gerichte behandeling ondergaat, de verwachting is dat de belastbaarheid in het komende jaar (
beoordeling stap 2 – toevoeging rechtbank) of daarop volgende jaar (
beoordeling stap 3 – toevoeging rechtbank) wezenlijk kan verbeteren.
7.5.2.
De verzekeringsarts b&b overweegt dat de (ex-)werkneemster sinds half november 2024 een intensieve behandeling volgt, die afwijkt van de eerder gevolgde behandelingen.
Deze behandeling kan leiden tot verbetering van de klachten, de (ex-)werkneemster is ook gemotiveerd tot behandeling. Daardoor zullen de ‘wisselende mogelijkheden’ stabieler worden met vermeerdering van de goede dagen, aldus de verzekeringsarts b&b.
De verzekeringsarts b&b heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) met duurzame beperkingen opgesteld. Deze FML is van kracht na beëindiging van de behandeling.
7.6.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de (verzekerings)artsen (b&b) onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat, waarom en welke verbetering van de belastbaarheid, gerekend van de datum in geding, in het eerstkomende jaar (stap 2) en
ná het eerstkomende jaar (dat wil zeggen: vanaf/na 13 februari 2025) (stap 3) kan worden verwacht.
7.6.1.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel het volgende.
7.6.2.
De rechtbank stelt vast dat de verbetering van de belastbaarheid in het rapport van de verzekeringsarts b&b is gebaseerd op een andere behandeling dan waar de primaire arts vanuit is gegaan. Het bestreden besluit is gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts b&b. De verzekeringsarts b&b heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat, met de net gestarte behandeling, verbetering valt te verwachten. Waarop verzekeringsarts b&b deze verwachting baseert, heeft zij niet inzichtelijk gemotiveerd. Dat deze behandeling anders is dan de in het verleden gevolgde behandelingen en dat de
(ex-)werkneemster gemotiveerd is om deze behandeling te laten slagen, is daarvoor niet voldoende. De rechtbank gaat er van uit dat de (ex-)werkneemster de eerdere behandelingen vanuit dezelfde (positieve) verwachting heeft ondergaan en dat desondanks de behandelingen niet zijn geslaagd.
7.6.3.
De rechtbank overweegt verder dat op de datum in geding er nog geen sprake van was dat de (ex-)werkneemster met de behandeling, die in november 2024 is gestart, zou starten.
Dat klemt omdat bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid, en dus ook de duurzaamheid, uitgegaan moet worden van de medische situatie (feiten en omstandigheden) op de datum in geding. Daar is ten onrechte aan voorbij gegaan. In ieder geval had van de verzekeringsarts b&b verwacht mogen worden dat zij toelicht waarom zij met deze nieuwe ontwikkeling (ruim) ná de datum in geding toch rekening heeft gehouden.
Nu de verzekeringsartsen b&b de te volgen behandeling alsnog bij de beoordeling heeft betrokken, had van haar (ook) verwacht mogen worden dat zij bij de behandelaren informatie opvraagt over de aard van de net gestarte behandeling en de te verwachten resultaten.
7.6.4.
De rechtbank betrekt daarbij de lange medische voorgeschiedenis van de
(ex-)werkneemster. Daaruit volgt dat zij in ieder geval al vanaf 2011 verschillende behandelingen heeft gevolgd voor de tot op de dag van vandaag bestaande psychische problemen. Deze behandelingen hebben (spijtig genoeg voor de (ex-)werkneemster) geen van allen tot verbetering (maar eerder tot verslechtering) van de psychische klachten geleid. Daar komt bij dat het een voor de (ex-)werkneemster nieuwe (vorm van) behandeling betrof. Het is in zo’n geval niet voldoende dat een verzekeringsarts zich voor de beoordeling van de te verwachten resultaten alleen baseert op informatie die tijdens het spreekuur (door de betrokkene) naar voren wordt gebracht en die op de website van het behandelcentrum beschikbaar is. Juist dan had voor de verzekeringsarts b&b alle aanleiding moeten bestaan nadere informatie bij de behandelaren op te vragen, zeker gelet ook op de aanzienlijke conclusies inzake de verbetering van de belastbaarheid die de verzekeringsarts b&b hecht aan deze behandeling. Kortom, raadpleging van de behandelend sector was aangewezen omdat de behandeling volgens verzekeringsarts b&b een beduidend effect zal hebben op de belastbaarheid van de (ex-)werkneemster. Daarbij is ook van belang dat eiseres als werkgever zelf niet de mogelijkheid heeft om medische informatie over de (ex-)werkneemster op te vragen en in te brengen. De werkgever is daarin afhankelijk van (de verzekeringsarts) van het UWV.
7.6.5.
Dat de verzekeringsarts b&b een FML heeft opgesteld waaruit volgt welke beperkingen zullen resteren nadat de behandeling is afgerond, maakt het voorgaande niet anders. Een FML is niet meer dan een vertaling van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen voor het verrichten van arbeid en dient als instrument bij het raadplegen van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Aan de hand van de FML kan dan ook niet worden vastgesteld dat verbetering verwacht mag worden, laat staan waarom, maar hooguit welke beperkingen niet meer of minder aan de orde zullen zijn.
7.7.
Het voorgaande brengt met zich dat het beroep slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2, 3:46 en 7:12 van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8.1.
De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen over de vraag of de (ex-)werkneemster volledig (én) duurzaam arbeidsongeschikt is.
Dit omdat daarvoor (onder meer) een zorgvuldige medische beoordeling vereist is, waarvoor nader onderzoek verricht moet worden. Ook draagt de rechtbank niet aan het UWV op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
8.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
8.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht van € 371 aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (€ 934 per punt, met wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 25 november 2024;
- draagt het UWV op om binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 371 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.V. van Weert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Medische rapportage van 9 september 2022.
2.Arbeidsdeskundig rapport van 23 november 2022.
3.Besluit van 24 november 2022. WGA-uitkering: Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
4.Beslissing op bezwaar van 29 maart 2023.
5.Besluit van 5 april 2023.
6.Medische rapportage van 7 augustus 2024, getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts.
7.Medische rapportage in bezwaarschriftprocedure van 19 november 2024.
8.Arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar van 21 november 2024.
9.IVA = Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
10.Zie bijvoorbeeld de volgende uitspraken van de Centrale Raad van Beroep: 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896; 28 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1038; 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1584.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9342.