Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4920

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
AWB 23/3379, 23/3381, 23/3385, 23/3388, 23/3393, 23/3394, 23/3395, 23/3625 en 23/7041
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BpmArt. 1 Wet BpmArt. 8 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992ECLI:NL:HR:2016:422ECLI:NL:HR:2023:1703
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslagen BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslagen BPM voor negen auto’s. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de vastgestelde BPM-bedragen en de toegepaste waarderingsmethoden.

De rechtbank oordeelt dat de handelsinkoopwaarde van zeven auto’s te hoog en de historische nieuwprijs van een negende auto te laag zijn vastgesteld, waardoor de beroepen voor deze auto’s gegrond zijn. Voor één auto wordt het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank volgt de koerslijst Xray voor de waardebepaling en wijst het beroep toe op basis van de Hoge Raad jurisprudentie.

De rechtbank wijst ook een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de Staat en de inspecteur gezamenlijk een bedrag van € 6.000 moeten betalen. Daarnaast worden proceskosten en griffierechten aan belanghebbende vergoed.

De uitspraak vervangt de vernietigde uitspraken op bezwaar en geeft een gedetailleerde motivering over de toepassing van koerslijsten, taxatierapporten, en de WLTP/NEDC-methodiek in de BPM-heffing.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt naheffingsaanslagen voor zeven auto’s, vermindert de aanslag voor een negende auto, wijst teruggaaf toe en kent immateriële schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/3379, 23/3381, 23/3385, 23/3388, 23/3393, 23/3394, 23/3395, 23/3625 en 23/7041

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 juni 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de belastingdienst, CAP, de inspecteur,

en
de minister van Justitie en Veiligheid van de Staat der Nederlanden, te Den Haag,
de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 17 maart 2023, 30 maart 2023 en 12 oktober 2023.
Belanghebbende heeft voor zeven auto’s aangiften voor belasting van personenauto’s en motorvoertuigen (Bpm) ingediend. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte voor deze auto’s. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor twee andere auto’s naheffingsaanslagen Bpm opgelegd (de naheffingsaanslagen). De inspecteur heeft de bezwaren tegen deze naheffingsaanslagen ongegrond verklaard en daarbij de naheffingsaanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en, namens de inspecteur, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .

Feiten

1. Belanghebbende heeft aangifte Bpm ingediend voor onderstaande voertuigen en de bijbehorende bedragen aan Bpm op aangifte voldaan.
Zaaknr.
Auto
Merk
Model
Kenteken
Br. Bpm
Bpm
Afschrijving
23/3379
1
Volvo
XC90 2.0
[kenteken]
€ 21.143
€ 15.698
Forfaitair
23/3381
2
Volvo
XC40 1.5
[kenteken]
€ 8.414
€ 7.025
Forfaitair
23/3385
3
Volvo
XC60
[kenteken]
€ 2.642
€ 1.787
Forfaitair
23/3388
4
Volvo
XC40
[kenteken]
€ 1.895
€ 1.407
Forfaitair
23/3393
5
Volvo
XC40
[kenteken]
€ 1.895
€ 1.407
Forfaitair
23/3394
6
Volvo
XC40
[kenteken]
€ 1.895
€ 1.364
Forfaitair
23/3395
7
Volvo
XC90
[kenteken]
€ 3.564
€ 2.308
Forfaitair
23/3625
8
Cadillac
Escalade
[kenteken]
€ 73.995
€ 3.553
Taxatie
23/7041
9
Landrover
Sport 3.0
[kenteken]
€ 43.058
€ 7.345
Taxatie
2. Bij de aangiften heeft belanghebbende een printscreen van de Xray koerslijst dan wel een taxatierapport van Automobiel taxaties gevoegd. Daarin zijn de volgende bedragen vermeld.
Zaaknr.
Autonr.
HIW [2] onbesch
Schade
HIW besch
23/3379
1
€ 92.978
€ 49.643
n.v.t.
€ 49.643
23/3381
2
€ 40.740
€ 22.868
n.v.t.
€ 22.868
23/3385
3
€ 74.335
€ 39.548
n.v.t.
€ 39.548
23/3388
4
€ 45.295
€ 23.905
n.v.t.
€ 23.905
23/3393
5
€ 46.744
€ 24.295
n.v.t.
€ 24.295
23/3394
6
€ 44.465
€ 24.428
n.v.t.
€ 24.428
23/3395
7
€ 90.455
€ 47.936
n.v.t.
€ 47.936
23/3625
8
€ 181.395
€ 33.029
€ 24.319
€ 8.710
23/7041
9
€ 139.643
€ 39.148
€ 15.322
€ 23.826
3. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende auto 9 getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de auto’s opgenomen en hiervan een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport is geconcludeerd dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. In dit rapport zijn onderstaande bedragen opgenomen.
Zaaknr.
Autonr.
HNP
HIW onbesch.
Schade
HIW besch.
23/7041
9
€ 134.581
€ 37.906
€ 1.439
€ 36.467
4. Vervolgens heeft de inspecteur heeft aan belanghebbende de naheffingsaanslagen opgelegd met onderstaande bedragen aan berekende Bpm en nagegeven Bpm.
Zaaknr.
Autonr.
Berekende BPM
Nageheven Bpm
23/3625
8
€ 16.835
€ 13.282
23/7041
9
€ 11.664
€ 4.319

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de verschuldigde Bpm en de naheffingsaanslagen tot de juiste hoogte zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de gronden van belanghebbende.
6. In geschil zijn de toepassing van de koerslijst Xray met ex-rental correctie voor de berekening van de verschuldigde Bpm, de bruikbaarheid van de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten, de waardevermindering van de auto’s wegens schade, de toepassing van een andere koerslijst en de CO2-uitstoot ten gevolge van de invoering van de WLTP/NEDC-methode.
7. Ter zitting heeft de gemachtigde de gronden met betrekking tot het in de branche ontwikkelde beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en schade, de deskundigheid van de taxateur van DRZ alsmede de schending van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel met betrekking tot de invoering van de WLTP/NEDC-methode ingetrokken.
8. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen inzake de auto’s 1 tot en met 7 en 9 gegrond zijn omdat de handelsinkoopwaarde van de auto 1 tot en met 7 te hoog en de historische nieuwprijs van auto 9 te laag zijn vastgesteld. Het beroep inzake auto 8 is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voldoening op aangifte (auto 1 tot en met 7)Handelsinkoopwaarde
9. Belanghebbende heeft voor auto 1 tot en met 7 bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte omdat de aangiften zijn ingediend op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel, terwijl dat niet de bedoeling was. Belanghebbende verzoekt om de afschrijving te bepalen op basis van de bij de aangiften Bpm overgelegde koerslijsten Xray Rental vast te stellen en, indien het huurverleden van de auto’s niet aannemelijk is geworden, de handelsinkoopwaarden van de auto’s volgens deze koerslijsten met de maximale correctie voor het huurleden van 3% te verhogen. Ter zitting heeft de gemachtigde aangevoerd dat de inspecteur in deze zaken de stukken van eenzelfde auto heeft overgelegd waardoor de gegevens van de overige auto’s ontbreken.
10. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm voor de auto’s berekend op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat belanghebbende er zelf voor gekozen heeft om aangifte Bpm te doen op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel. Hij betwist dat sprake is van een aantoonbaar huurverleden. De door belanghebbende gestelde verhoging van de handelsinkoopwaarde met 3% is volgens de inspecteur onvoldoende onderbouwd en gebaseerd op aannames en veronderstellingen. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om een historische koerslijst zonder correctie voor het huurverleden dan wel stukken waaruit het aantoonbaar huurverleden blijkt te overleggen.
11. De rechtbank stelt allereerst vast dat de inspecteur in de zaken over de auto’s 1 tot en met 7 de gegevens van iedere auto afzonderlijk heeft overgelegd. In de voor de rechtbank beschikbare dossier zijn inderdaad een aantal stukken meerdere malen geüpload en in een aantal dossiers zijn ook stukken die betrekking hebben op een andere auto terecht gekomen, maar dat kan verklaard worden door de overgang naar de digitale dossiervorming.
12. De Hoge Raad heeft in het arrest van 18 maart 2016 [3] geoordeeld dat het in de wet bepaalde [4] er niet aan in de weg staat om door het aanwenden van rechtsmiddelen te kiezen voor een andere in of bij de Wet voorziene methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan of een beroep te doen op gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt voor de berekening van de Bpm, mits voor het vaststellen van de juistheid ervan geen (tweede) controle van het voertuig nodig is zodat een vergelijking van de aangedragen gegevens en de bij de aangifte gebruikte gegevens volstaat om vast te stellen of het bij de aangifte gebezigde afschrijvingspercentage te laag is geweest. Nu geen tweede controle van de voertuigen nodig is en belanghebbende de relevante koerslijsten bij de aangifte heeft overgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank de handelsinkoopwaarde op grond van voornoemd arrest worden vastgesteld op basis van de koerslijst Xray. Tussen partijen is het huurverleden van de auto’s niet meer in geschil omdat de inspecteur in zijn verweerschrift heeft opgenomen “
Uit het beroepschrift van belanghebbende maak ik echter op dat het niet meer in geschil is dat er sprake is van auto’s met een aantoonbaar huurverleden” en “Nu het huurverleden niet meer in geschil is (…)”.De rechtbank zal de handelsinkoopwaarden van de auto’s dan ook vaststellen op basis van de bij de aangiften overgelegde koerslijsten Xray rental. De teruggaven heeft de rechtbank ontleend aan het door de inspecteur overgelegde overzicht, omdat die in het voordeel van belanghebbende is.
Auto
HNP
HIW
Br. Bpm
Bpm
Teruggaaf
1
€ 92.978
€ 49.643
€ 21.143
€ 10.956
€ 4.741
2
€ 40.740
€ 22.868
€ 6.050
€ 3.297
€ 3.728
3
€ 74.335
€ 39.548
€ 2.642
€ 950
€ 411
4
€ 45.295
€ 23.905
€ 1.895
€ 859
€ 457
5
€ 46.745
€ 24.295
€ 1.895
€ 985
€ 548
6
€ 44.465
€ 24.428
€ 1.895
€ 989
€ 375
7
€ 90.455
€ 47.936
€ 3.564
€ 1.889
€ 419

Naheffingsaanslagen (auto 8 en 9)Handelsinkoopwaarde

13. Belanghebbende is van mening dat de door hem overgelegde taxatierapporten voor de auto’s 8 en 9 voldoen aan de daaraan gestelde voorwaarden en moeten worden gevolgd bij de berekening van de verschuldigde Bpm. Binnen de termijn van één maand is auto 8 ingeschreven in het kentekenregister (op 22 april 2022) en door de RDW goedgekeurd (op 17 mei 2022). De schade, vastgesteld door haar taxateur tijdens de schouw van de auto op 14 januari 2022, was nog steeds aanwezig ten tijde van de aanvraag voor inschrijving van de auto bij de RDW. De schade aan auto 9 heeft DRZ volgens belanghebbende ten onrechte niet erkend.
13. De inspecteur heeft aangevoerd dat het taxatierapport van de belanghebbende voor auto 8 niet gebruikt kan worden, omdat het rapport niet voldoet aan de één maandstermijn. Daarnaast heeft de auto in de periode van 1 november 2021 tot 18 september 2023 van de RDW de melding wachten op keuring (WOK) gekregen en heeft belanghebbende in een e-mail bevestigd dat auto 8 niet zelfstandig kan rijden. De door belanghebbende gestelde omvang van de schade aan auto 9 heeft de inspecteur onder verwijzing naar het DRZ-rapport betwist.
13. Het taxatierapport van belanghebbende voor auto 8 kan naar het oordeel van de rechtbank niet dienen ter bepaling van de verschuldigde Bpm omdat niet voldaan wordt aan de termijn van één maand. Het belastbare feit is de inschrijving. [5] Voor de hoogte van het afschrijvingspercentage is het tijdstip bepalend waarop het onderzoek door de RDW tot inschrijving is afgerond. [6] Bij toepassing van de taxatiemethode dient de fysieke opname door de taxateur ten hoogste één maand voor het afschrijvingsmoment te hebben plaatsgevonden. [7] De fysieke opname heeft op 14 januari 2022 plaatsgevonden en de inschrijving is op 17 mei 2022 afgerond, dit betekent dat meer dan vier maanden verstreken is. Nu niet voldaan is aan de éénmaandstermijn zal de rechtbank niet ingaan op de stelling van de inspecteur dat sprake bij auto 8 sprake is van essentiële gebreken.
16. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur en al het overgelegde fotomateriaal, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat bij auto 9 met een hoger bedrag aan schade en waardevermindering rekening moet worden gehouden dan de inspecteur reeds heeft gedaan. De door belanghebbende (meer) gestelde schade heeft zij onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is ook de omvang van de waardevermindering niet onderbouwd. De rechtbank zal dan ook aansluiten bij de door de inspecteur vastgestelde handelsinkoopwaarde van auto 9.
Koerslijst (auto 8)
16. Nu de taxatiemethode voor auto 8 niet kan worden gebruikt, kan belanghebbende, in tegenstelling tot hetgeen de inspecteur heeft betoogd, een beroep doen op de koerslijst. De koerslijst die belanghebbende heeft overgelegd betreft de Cadillac Escalade 6.2i V8 AWD Premium terwijl sprake is van een Cadillac Escalade 6.2 V8 Platinum is. Belanghebbende heeft met het overleggen van een koerslijst van een andere uitvoering van de auto de lagere handelsinkoopwaarde van auto 8 niet aannemelijk gemaakt.
Forfaitaire tabel (auto 8)
16. Voor de toepassing van de afschrijvingstabel is leidend het tijdstip waarop het onderzoek door de RDW tot inschrijving is afgerond. [8] Uit het voertuigbeeld van de RDW blijkt dat het keuringsmoment 28 maart 2022 was. In de gegevens van de RDW kentekencheck is de registratiedatum goedkeuring (afschrijvingsmoment Bpm) eveneens 28 maart 2022. Van deze datum moet dus worden uitgegaan bij het vaststellen van het afschrijvingspercentage. De datum van 17 mei 2022, waar belanghebbende op wijst, is de datum waarop de auto opnieuw, voor de tweede keer, is gekeurd en dat onderzoek is afgerond. Deze datum is niet relevant voor de toepassing van de tabel. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank het juiste afschrijvingspercentage toegepast.
Historische nieuwprijs (auto 9)
19. Belanghebbende heeft gesteld dat de gehanteerde historische nieuwprijs van auto 9 dient te worden vastgesteld op € 136.761, uitgaande van een netto catalogusprijs van € 77.441, € 16.262 aan btw en een bedrag van € 43.058 aan historische bruto Bpm.
19. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op de som van de catalogusprijs en het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan Bpm van een referentievoertuig. [9]
21. De hogere historische nieuwprijs voor auto 9 is niet betwist door de inspecteur. De rechtbank zal daarom aansluiten bij de door de gemachtigde bepleite historische nieuwprijs van € 136.761.
WLTP/NEDC2 (auto 9)
21. Belanghebbende stelt dat de auto’s door de invoering van de WLTP/NEDC2-methode een hogere uitstoot hebben gekregen en daardoor zwaarder worden belast dan wanneer deze auto’s worden getest overeenkomstig de NEDC1-methode. Dit is volgens belanghebbende in strijd met artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). In het arrest van 26 april 2024 heeft de Hoge Raad [10] volgens belanghebbende een toetsingskader gegeven met een temporele beperking tussen 1 september 2018 en 1 september 2019. Zij verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2025 [11] ter onderbouwing van haar standpunt dat de voornoemde temporele beperking is toegespitst op de zaak waarin de Hoge Raad de prejudiciële vragen hierover heeft beantwoord.
23. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de CO2-uitstoot juist is vastgesteld. De RDW heeft de CO2-uitstoot van de auto’s op basis van uniforme Europese wet- en regelgeving geregistreerd. Uit de door belanghebbende overgelegde technische gegevens blijkt volgens de inspecteur dat de EG-typegoedkeuring van de importauto’s afwijkt van de EG-typegoedkeuring van de referentieauto’s. De referentieauto’s zijn dan ook niet als gelijksoortig aan te merken. Verder is op basis van de overige verschillen tussen de onderhavige auto’s en de referentievoertuigen ook geen sprake van gelijksoortigheid.
23. De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest een feitelijke toelichting gegeven op de Europees- en nationaalrechtelijke aspecten van de overgang van de NEDC- naar de WLTP-rekenmethode. Vervolgens heeft hij geoordeeld dat de belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk moet maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in de in dat arrest bedoelde zin in nieuwe staat is geregistreerd.
23. Belanghebbende is naar het oordeel van de rechtbank niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd. Zij heeft namelijk geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de auto in een andere lidstaat in de periode van 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg en dat is Nederland in diezelfde periode één gelijksoortige personenauto in nieuw staat is geregistreerd. De referentievoertuigen waarvan belanghebbende onder ander het kenteken, de nieuwprijs en CO2-uitstoot op basis van de WLTP-methode en NEDC-methode heeft vermeld, zijn onvoldoende om te kunnen vaststellen of sprake is van soortgelijke voertuigen.
Berekening Bpm (auto 9)
23. Gelet op het voorgaande dient de Bpm voor auto 9 als volgt te worden berekend.
Historische nieuwprijs
€ 136.761
HIW met schade
€ 36.467
Bruto BPM
€ 43.058
Verschuldigde Bpm
€ 11.481
Op aangifte voldaan
€ 7.345
Na te heffen
€ 4.136
27. De naheffingsaanslag voor auto 9 wordt verminderd tot een bedrag van € 4.136.

Prejudiciële vragen

28. Belanghebbende heeft de rechtbank ter zitting verzocht de beroepen aan te houden en prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Zij is op grond van het Unierecht hiertoe ook niet verplicht.

Immateriële schadevergoeding

29. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [12] Op grond van een beleidsregel van de minister van Justitie en Veiligheid [13] is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
30. De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 6 augustus 2021. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 35 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat zes keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.000 [14] . De laatste uitspraak op bezwaar dateert van 12 oktober 2023. Dit is afgerond 21 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van (afgerond) € 1.800 [15] . De Staat moet de rest betalen, dus € 1.200. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
31. In dit geval is sprake van meer zaken van één belanghebbende, die tegelijk zijn behandeld. Gelet op de grote mate van overlap tussen de verschillende geschilpunten in deze zaken, daarbij rekening houdend dat ook bij enkele zaken afwijkende geschilpunten zijn aangevoerd, acht de rechtbank het redelijk om voor alle zaken gezamenlijk twee keer het tarief van € 500 per half jaar toe. Daarom moet de inspecteur € 3.600 en de Staat € 2.400 betalen. Daarbij is de overschrijding van de redelijke termijn berekend vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift dat het eerste is ingediend. [16]

Conclusie en gevolgen

32. De beroepen inzake auto’s 1 tot en met 7 en auto 9 zijn gegrond. Dit betekent dat belanghebbende in totaal € 10.679 te veel op de aangiften voor auto’s 1 tot en met 7 heeft voldaan en belanghebbende dit bedrag terugkrijgt. Dit betekent ook dat de naheffingsaanslag met betrekking tot auto 9 worden verminderd tot een bedrag van € 4.136. Het beroep inzake auto 8 is ongegrond. Deze naheffingsaanslag wordt gehandhaafd.
32. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.800 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 en factor 1,5 in verband met samenhangende zaken). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
32. Belanghebbende ontvangt de door haar betaalde bedragen aan griffierecht voor de auto’s 1 tot en met 5, 7 en 9 retour. Voor auto 6 is geen griffierecht door belanghebbende voldaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep inzake auto 8 ongegrond;
  • verklaart de beroepen inzake auto’s 1 tot en met 7 en auto 9 gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de auto’s 1 tot en met 7 en auto 9;
  • verleent voor de auto’s 1 tot en met 7 een teruggaaf van op aangifte voldane Bpm van € 10.679;
  • vermindert de naheffingsaanslag voor auto 9 tot een bedrag van € 4.136;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.400;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 3.600;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 4.800;
  • draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht in alle zaken van totaal € 2.555 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier.
Uitgesproken op 19 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HNP staat voor historische nieuwprijs.
2.HIW staat voor handelsinkoopwaarde.
4.Artikel 10, negende lid, van de Wet Bpm.
5.Artikel 1, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm).
6.Artikel 10, tweede lid, van de Wet Bpm.
7.Artikel 8, vierde lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
8.Artikel 10, tweede lid, Wet Bpm.
9.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
13.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
14.zes keer een half jaar met een vergoeding van € 500 per half jaar.
15.21 maanden / 35 maanden * € 3.000.
16.Zie punt 3.10.2 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en ook HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, punt 2.4.3.