ECLI:NL:RBGEL:2026:4981

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/3412
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting bevestigd

Belanghebbende ontving op 27 december 2024 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) en een verzuimboete vanwege gebruik van een voertuig terwijl het kenteken was geschorst. Het bezwaar tegen deze aanslag werd door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig was ingediend.

Belanghebbende stelde dat hij binnen de termijn bezwaar had gemaakt en verwees naar contact met de Belastingtelefoon, waar hem werd geadviseerd het bezwaar opnieuw in te dienen. De inspecteur betwistte de ontvangst van een eerder bezwaarschrift gemotiveerd, waardoor de bewijslast bij belanghebbende lag.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan deze bewijslast, omdat de verwijzing naar de Belastingtelefoon onvoldoende was en niet kon worden vastgesteld dat het bezwaar tijdig was verzonden. Ook was er geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.

Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar terecht niet-ontvankelijk en wees het beroep ongegrond. De naheffingsaanslag en boete blijven onverminderd van kracht en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3412

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, CAP, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 juli 2025.
Met dagtekening 27 december 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak
30 juni 2023 tot en met 9 juni 2024 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd, ten bedrage van € 1.814, alsmede bij beschikking van gelijke datum een boete van € 907.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: [vertegenwoordiger] namens de inspecteur.
Belanghebbende is zonder kennisgeving vooraf aan de rechtbank niet op de zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 12 mei 2026 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 17 juni 2026. De rechtbank heeft op 12 mei 2026 om 10:24 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd naar het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 12 mei 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. [1] De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.

Feiten

1. Belanghebbende heeft met dagtekening 27 december 2024 een naheffingsaanslag MRB ontvangen over het tijdvak 30 juni 2023 tot en met 9 juni 2024, omdat op 22 mei 2024 gebruik zou zijn gemaakt van de openbare weg, terwijl de tenaamstelling van het kenteken was geschorst. Gelijktijdig is een verzuimboete opgelegd.
2. Op 14 maart 2025 en 2 april 2025 heeft belanghebbende contact gehad met de Belastingtelefoon.
3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete op 17 april 2025 ontvangen. Hij heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

4. Tussen partijen is niet in geschil dat het door de inspecteur ontvangen bezwaarschrift niet tijdig is. Wel is in geschil of belanghebbende op een eerder moment (tijdig) een bezwaarschrift heeft verzonden.
5. Belanghebbende voert aan dat hij binnen de gestelde termijn bezwaar heeft gemaakt en daarop geen reactie heeft ontvangen. Vervolgens heeft hij contact opgenomen met de Belastingtelefoon en te horen gekregen om het bezwaar nog een keer op te sturen.
6. Omdat de inspecteur de ontvangst van een eerder bezwaar gemotiveerd betwist, is het aan belanghebbende om de (tijdige) verzending van een eerder bezwaarschrift aannemelijk te maken. [2]
7. Belanghebbende is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De enkele verwijzing naar de Belastingtelefoon is daarvoor onvoldoende. Hieruit blijkt namelijk niet wat is besproken. Bovendien heeft de inspecteur gemotiveerd betwist dat het is gegaan over een bezwaarschrift. Desgevraagd heeft de inspecteur namelijk op de zitting toegelicht dat als het daarover zou zijn gegaan, dit in het opmerkingenveld van de Belastingtelefoon zou zijn opgenomen. Ter onderbouwing verwijst hij naar een andere notitie van de Belastingtelefoon, waarin is opgenomen dat het ging over de vraag van belanghebbende wanneer hij bericht zou krijgen op de winstaangifte. Ten overvloede merkt de rechtbank dat, zelfs als belanghebbende heeft gebeld met de Belastingtelefoon over een eerder verzonden bezwaarschrift, uit het contact met de Belastingtelefoon niet blijkt wanneer dat stuk zou zijn verzonden en, in het bijzonder, of dat binnen de bezwaartermijn is geweest.
8. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. [3] Uit de door belanghebbende ingenomen stelling leidt de rechtbank af dat hij in staat is geweest om tijdig bezwaar te maken. Dat dit anders zou zijn, blijkt ook niet uit enig stuk. Verder zijn er geen aanwijzingen dat sprake zou zijn van een geringe verwijtbaarheid ter zake van de niet-tijdige indiening van het bezwaar. [4]
9. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het bezwaar terecht
niet-ontvankelijk is verklaard.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond, omdat de inspecteur het bezwaar terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk behandelt en de naheffingsaanslag MRB en verzuimboete in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van
mr.S. Metin, griffier. Uitgesproken op 24 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:160.
2.Hoge Raad 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:418.
3.Artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.