Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 14 maart 2013, nr. 12/00169, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor loonbelasting en premie volksverzekeringen van een BV. Hij stelde dat hij tijdig een brief had gestuurd waarin hij betalingsonmacht meldde, wat de aansprakelijkstelling zou kunnen beïnvloeden. De Ontvanger ontkende de ontvangst van deze brief op geloofwaardige wijze, onderbouwd met het ontbreken van reactie en het niet aantreffen van de brief in de dossiers.
Het Hof oordeelde dat de brief wel was verzonden, maar dat de ontvangst ervan door de Ontvanger redelijkerwijs betwijfeld moest worden. Belanghebbende leverde geen aanvullend bewijs van ontvangst of dat het niet ontvangen aan de Ontvanger toe te rekenen was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het bestuursorgaan het vermoeden van ontvangst mocht ontzenuwen, waarna het aan belanghebbende is om verder bewijs te leveren.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de aansprakelijkstelling. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Dit arrest verduidelijkt de bewijsverdeling bij ontvangst van niet-aangetekende stukken in bestuursrechtelijke invorderingsprocedures.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkstelling blijft in stand.