ECLI:NL:RBGEL:2026:5089

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
ARN 24/9232
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a WajongSchattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid op achttiende leeftijd

Eiseres heeft namens [belanghebbende] een Wajong-uitkering aangevraagd, die door het UWV is afgewezen vanwege het ontbreken van bewijs dat [belanghebbende] vanaf haar achttiende verjaardag of binnen vijf jaar daarna geen arbeidsvermogen had. De aanvraag was laattijdig ingediend, waardoor de bewijslast bij eiseres lag.

De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hebben op basis van medische dossiers en rapporten geconcludeerd dat er geen verifieerbaar bewijs is dat [belanghebbende] in de relevante periode geen arbeidsvermogen had. Ondanks de aanwezigheid van diagnoses zoals ASS en LVB, was er onvoldoende bewijs dat deze diagnoses destijds tot arbeidsongeschiktheid leidden.

Eiseres voerde aan dat het UWV onvoldoende begeleidingsplicht had bij bewijsvergaring en dat het motiveringsbeginsel was geschonden, maar de rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en voldoende had gemotiveerd. De rechtbank zag geen aanleiding voor kennelijke onredelijkheid of onevenredigheid.

Het beroep is ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de Wajong-uitkering gehandhaafd blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid op achttiende leeftijd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9232

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen
[eiseres], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
[belanghebbende] ,eiseres
(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door het UWV van de aanvraag van eiseres om toekenning van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aan mevrouw [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ). Eiseres is het niet eens met de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 11 december 2023 een beoordeling van het arbeidsvermogen van [belanghebbende] aangevraagd. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 7 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 december 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. In plaats van eiseres is verschenen [vertegenwoordiger] , collega van eiseres en evenals eiseres (mede-)eigenaar van [bedrijf] . [vertegenwoordiger] wordt verondersteld namens eiseres te zijn verschenen. Verder zijn de gemachtigde mr. Driessen en de gemachtigde van het UWV op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. [belanghebbende] is geboren op [geboortedatum] 1961. Zij is op [geboortedatum] 1979 achttien jaar geworden. [belanghebbende] is bij beschikking van 29 juni 2023 onder bewind gesteld wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand. [belanghebbende] verblijft sinds 4 oktober 2023 in de [verblijplaats] in [plaats] op basis van een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
3.1.
[belanghebbende] was gedurende 40 jaar getrouwd. In 2023 is zij gescheiden. Haar ex-echtgenoot is inmiddels overleden. [belanghebbende] ontvangt een klein pensioen dat is opgebouwd gedurende het huwelijk met haar (ex-)echtgenoot. Zij komt niet in aanmerking voor bijstand vanwege de aanwezigheid van spaargeld.
De totstandkoming van het bestreden besluit
4. Op 11 december 2023 heeft eiseres een beoordeling van het arbeidsvermogen van [belanghebbende] aangevraagd. In dat kader hebben een medische en arbeidsdeskundige beoordeling plaatsgevonden. De bevindingen van de verzekeringsarts zijn neergelegd in het rapport van 3 mei 2024. De bevindingen van de arbeidsdeskundige zijn neergelegd in het rapport van 7 mei 2024.
4.1.
De verzekeringsarts heeft het dossier en de beschikbare informatie bestudeerd, de aanvraag in een multidisciplinair overleg besproken en besloten af te zien van een spreekuur. Een spreekuur zag de verzekeringsarts niet als opportuun. Het vaststellen van het functioneren op het achttiende levensjaar en een jaar daarvoor (entree-eisen Wajong) is alleen op basis van medische informatie mogelijk. De verzekeringsarts schrijft in zijn rapport, dat wat betreft de entree-eisen dient te worden aangetoond dat [belanghebbende] niet heeft kunnen functioneren door ziekte of gebrek in het dagelijkse leven/werk voor haar achttiende levensjaar. De verzekeringsarts stelt vast dat er medische informatie is van 2022 en van 8 december 2023, waarin ontwikkelingsstoornissen worden benoemd. Ook waren er andere stoornissen aan de orde, maar deze waren niet duidelijk, want weer andere stoornissen dienden uitgesloten te worden. De verzekeringsarts constateert dat dit maakt dat sprake is van een mengbeeld en daaruit niet te bepalen is, hoe [belanghebbende] heeft ge(dis)functioneerd alleen door de ontwikkelingsstoornissen op achttienjarige leeftijd. Waarschijnlijk zijn de medische gegevens van 44 jaar en ouder niet meer beschikbaar. De bewijslast ligt in geval van een laattijdige aanvraag bij eiseres. De verzekeringsarts stelt dat vanwege het ontbreken van informatie van 44 jaar en ouder over het functioneren op het achttiende levensjaar of daarvoor, alleen maar kan worden aangenomen dat dit normaal geweest moet zijn. Alleen aangetoond disfunctioneren is immers verzekerd. Hiermee wordt niet voldaan aan het entreecriterium van de Wajong, aldus de verzekeringsarts, en daarom wordt de aanvraag afgewezen.
4.2.
De arbeidsdeskundige heeft in het arbeidsdeskundig rapport het medisch oordeel van de verzekeringsarts overgenomen en geconcludeerd dat [belanghebbende] niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, omdat zij niet voldoet aan de entree-eisen daarvoor.
4.3.
Daarop heeft het UWV in het primaire besluit de aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering ten behoeve van [belanghebbende] afgewezen.
4.4.
Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft eiseres een brief van Stevig van 8 december 2023 overgelegd, naast de al bij de aanvraag overgelegde brieven van het Nijmeegs Interkonfessioneel Ziekenhuis Canisius-Wilhelmina van 27 juli 1978 en van [huisarts] , huisarts, van 3 mei 2010.
4.5.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) de zaak van [belanghebbende] opnieuw beoordeeld en hiervan het rapport van 9 december 2024 opgemaakt.
De verzekeringsarts b&b stelt op basis van het dossier vast, dat bij [belanghebbende] in 1978, op zeventienjarige leeftijd, door de psychiater een psychose in het kader van een borderline persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld. Na behandeling werd [belanghebbende] laagdrempelig begeleid door de huisarts en gezinszorg. In 2009 (48e jaar) volgt een intake bij Pro Persona en de psychiater stelt op 8 november 2011 (50e jaar) de diagnose depressie (hoofddiagnose) bij zwakbegaafdheid. In 2023 (62e jaar) worden de diagnoses bipolaire stoornis, ASS [1] en LVB [2] gesteld. De diagnose ASS is niet protocollair vastgesteld en ook niet met zekerheid vast te stellen. De relevante beoordelingsperiode is [geboortedatum] 1979 tot [geboortedatum] 1984. De verzekeringsarts b&b gaat dan uit van belemmeringen ten gevolge van uit het dossier gebleken expressie van de borderline trekken, zwakbegaafdheid en enige depressieve klachten. De verzekeringsarts b&b is van mening, dat uit niets blijkt dat [belanghebbende] in die periode verifieerbaar geen arbeidsvermogen zou hebben gehad. Uit niets blijkt volgens de verzekeringsarts b&b, dat [belanghebbende] in die periode, verifieerbaar niet één uur kon werken en niet vier uur per dag belastbaar was. En van een verifieerbaar moment (in die periode) met duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, is ook geen sprake.
Zo er al sprake zou zijn van ASS, dan kwam die niet verifieerbaar tot expressie in de context van de relevante Wajong-referteperiode. Ook in de behandelperiode 2009 tot 8 november 2011 (Pro Persona) blijken er geen belemmeringen door ASS. En zeker niet van ASS op niveau 3. Indien er al sprake is van ASS, dan decompenseerde die kennelijk veel later.
De orthopedagoog schrijft een verklaring, maar het betreft vooral aannames en veronderstellingen ten aanzien van het verleden, zonder (enig) medisch bewijs, aldus de verzekeringsarts b&b. De verzekeringsarts b&b schrijft dat hetgeen zonder bewijs wordt beweerd, zonder tegenbewijs kan worden genegeerd. Bovendien, zo is de verzekeringsarts b&b van mening, worden hier de psychiater van het CWZ en psychiater [psychiater] van Pro Persona gediskwalificeerd. Uit niets blijkt dat zij destijds een verkeerde diagnose stelden.
4.6.
Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat vanwege het grote tijdsverloop (44 jaar), het risico dat daardoor niet is vast te stellen of degene voor wie de Wajong-uitkering wordt aangevraagd deze ook kan krijgen, voor rekening van de aanvrager komt. Het tijdsverloop maakt ook, dat met een medische herbeoordeling met inachtneming van de overgelegde stukken kon worden volstaan. De aanwezigheid van de verzekeringsarts b&b tijdens de hoorzitting zou in dit geval ook niet tot een ander medisch oordeel hebben geleid, omdat [belanghebbende] zelf ook afwezig was vanwege de impact van de hoorzitting en de kans op terugval.
[belanghebbende] werd achttien jaar op [geboortedatum] 1979. Vanaf deze datum heeft [belanghebbende] niet meer gestudeerd. [belanghebbende] kan daarom alleen voor een Wajong-uitkering in aanmerking komen als zij vanaf haar achttiende verjaardag (of binnen vijf jaar daarna) als gevolg van ziekte op haar achttiende verjaardag, blijvend geen arbeidsvermogen heeft, of als zij op haar achttiende verjaardag (of binnen vijf jaar daarna) als gevolg van ziekte op haar achttiende verjaardag, het arbeidsvermogen verloor en die situatie ten minste tien jaar onafgebroken voortduurde. De verzekeringsarts b&b heeft in het rapport van 9 december 2024 aan de hand van de beschikbare informatie geconcludeerd, dat uit niets blijkt dat [belanghebbende] vanaf haar achttiende verjaardag of binnen vijf jaar daarna, vanwege de bekende ziektebeelden op achttienjarige leeftijd, geen arbeidsvermogen had.
Vanwege het grote tijdsverloop is het dossier van [belanghebbende] niet voorgelegd aan de arbeidsdeskundige b&b. Wel merkt het UWV nog op dat de bekende ziektebeelden [belanghebbende] niet hebben belemmerd om haar schooldiploma in het voorbereidend beroepsonderwijs te halen.
Standpunt eiseres
5. Eiseres betoogt in beroep dat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel. In het bestreden besluit is verwezen naar vaste rechtspraak dat het risico van een late aanvraag voor rekening van de aanvrager komt, zonder dat daarbij concrete verwijzingen zijn genoemd. Verder voert zij aan, dat omdat zij deugdelijke en draagkrachtige bewijsstukken heeft overgelegd, op het UWV een begeleidingsplicht bij de bewijsvergaring rust. Eiseres ontleent dit aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 augustus 1999. [3] Volgens eiseres heeft het UWV hieraan niet voldaan. Op basis van de uit het verleden verstrekte documenten en/of de rapportage van orthopedagoog en behandelcoördinator mw. [naam] van 2 juli 2024, kan worden geconcludeerd dat [belanghebbende] voor haar achttiende levensjaar al disfunctioneerde en op achttienjarige leeftijd geen mogelijkheden had om te werken. [belanghebbende] had op achttienjarige leeftijd geen arbeidsvermogen en heeft dat haar hele leven niet gehad. [belanghebbende] heeft haar hele leven gesteund op haar, inmiddels overleden, ex-echtgenoot. Gevolgd onderwijs kan niet gelijk worden gesteld met en betekent niet automatisch het hebben van arbeidsvermogen. De daadwerkelijke schoolresultaten van [belanghebbende] zijn in strijd met de te betrachten zorgvuldigheid ook in het geheel niet onderzocht. Dit terwijl de zwakbegaafdheid van [belanghebbende] overduidelijk in het dossier naar voren komt.
Standpunt UWV
6. In het verweerschrift stelt het UWV zich op het standpunt dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. Het niet vermelden van concrete verwijzingen leidt volgens het UWV niet tot een motiveringsgebrek. Wel noemt het UWV alsnog een uitspraak ter illustratie. [4] De door eiseres genoemde uitspraak van de Afdeling is volgens het UWV onvindbaar. Het rapport van [naam] van 2 juli 2024 is bekend en is door de verzekeringsarts b&b betrokken in de medische beoordeling in het rapport van 9 december 2024. Voor wat betreft het gevolgde onderwijs en de conclusies die daaruit getrokken kunnen worden, verwijst het UWV naar het in beroep ingebrachte rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 29 augustus 2025. Verder signaleert het UWV dat tussen partijen ter discussie staat per wanneer [belanghebbende] haar arbeidsvermogen is verloren. Het UWV heeft aan de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b gevraagd om te beoordelen per wanneer dit het geval is en of er indicaties zijn dat dit is gebeurd in de periode van [geboortedatum] 1979 tot en met [geboortedatum] 1984. De bevindingen van de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b zijn neergelegd in de rapporten van 6 augustus 2025 respectievelijk 29 augustus 2025.
6.1.1.
De verzekeringsarts b&b overweegt dat er op de aanvraagdatum duurzaam geen arbeidsvermogen is (opname instelling). Wanneer het arbeidsvermogen verloren ging, is volgens de verzekeringsarts b&b niet duidelijk vast te stellen. Pas in of na het jaar 2009 kan het arbeidsvermogen (al dan niet tijdelijk) mogelijk verloren zijn gegaan; meer is daarover niet vast te stellen, aldus de verzekeringsarts b&b.
6.1.2.
De arbeidsdeskundige b&b merkt op dat er in het dossier geen arbeidsverleden bekend is. Raadpleging van Suwinet en het systeem Winter levert geen arbeidsverleden op.
Qua opleidingen wordt in de Wajong-aanvraag gesproken over regulier basisonderwijs en een diploma huishoudschool. In welk jaar [belanghebbende] dit diploma behaald heeft, is onbekend.
De huishoudschool in die tijd (midden jaren ‘70) betrof een primaire opleiding van twee jaar. Met het behalen van het diploma heeft [belanghebbende] aangetoond dat zij afspraken met school heeft kunnen nakomen en dat zij eenvoudige instructies – op haar niveau – kan begrijpen, onthouden en uitvoeren. De arbeidsdeskundige b&b ziet niet in waarom [belanghebbende] deze basale werknemersvaardigheden dan niet in een arbeidsorganisatie zou kunnen hebben (in een taak op haar niveau). Gezien de praktijklessen was zij in die tijd zeker in staat om een taak uit te voeren: koken, naaien, strijken en wassen. Echter, of dit iets zegt over de periode van [geboortedatum] 1979 tot en met [geboortedatum] 1984 is niet bekend. Het is immers niet duidelijk wanneer [belanghebbende] haar huishoudschooldiploma heeft behaald. Aangezien het een tweejarige opleiding betrof, volgend op het basisonderwijs, is het aannemelijk dat zij de huishoudschool voor haar achttiende jaar heeft afgerond, aldus de arbeidsdeskundige b&b.
Anderzijds kan er niet gesteld worden, dat zij in die periode niet over arbeidsvermogen beschikte c.q. geen taak zou hebben kunnen verrichten en/of niet over basale werknemersvaardigheden zou hebben beschikt. De arbeidsdeskundige b&b ziet in de rapportage van de verzekeringsarts b&b daarvoor geen aanknopingspunten. Dit, omdat de verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat uit niets blijkt dat [belanghebbende] in die periode verifieerbaar geen arbeidsvermogen zou hebben gehad. De arbeidsdeskundige concludeert dan ook het antwoord op de vraag, wanneer [belanghebbende] het arbeidsvermogen is kwijtgeraakt, schuldig te moeten blijven.
Beoordelingskader
7. [belanghebbende] is geboren vóór 1 januari 1980 en de aanvraag is ná 18 december 2020 ingediend. Gelet op de invoering van de Wet vereenvoudiging Wajong (1 januari 2021) betekent dit dat de aanvraag van eiseres beoordeeld moet worden aan de hand van de criteria uit hoofdstuk 1a van de Wajong.
7.1.
Omdat eiseres namens [belanghebbende] de aanvraag voor een Wajong-uitkering geruime tijd na de achttiende verjaardag van [belanghebbende] heeft ingediend, is sprake van een laattijdige aanvraag. In dat geval moet het UWV ook onderzoeken of [belanghebbende] binnen (de reeds verstreken periode van) vijf jaar na haar achttiende verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden. [5] Deze periode loopt van [geboortedatum] 1979 tot [geboortedatum] 1984.
7.2.
Anders dan bij een tijdige aanvraag moet bij een laattijdige aanvraag een retrospectieve beoordeling plaatsvinden over een tijdstip in het verleden. Volgens vaste rechtspraak ligt de bewijslast bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. [6] Dit betekent dat het voor risico komt van de aanvrager als onvoldoende gegevens over de gezondheidstoestand en over de arbeidskundige situatie in het betreffende tijdvak beschikbaar zijn.
7.3.
Recht op een Wajong-uitkering ontstaat indien de betrokkene duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. [7] De in artikel 1a:1 van de Wajong gebruikte term ‘mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ is gelijk aan het begrip ‘arbeidsvermogen’. Arbeidsvermogen is het vermogen van een individu om doelgerichte handelingen in een arbeidsorganisatie te verrichten, die resulteren in producten of diensten die een economische waarde hebben, waarmee wordt bedoeld dat een werkgever bereid is loon te betalen voor een verrichte taak. [8] Het UWV moet daarom beoordelen of [belanghebbende] voldoet aan tenminste een van de volgende voorwaarden:
- zij kan geen taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
- zij beschikt niet over basale werknemersvaardigheden;
- zij kan niet een uur aangesloten werken;
- zij is niet tenminste vier uur per dag belastbaar.
Wordt aan tenminste één van de hiervoor genoemde voorwaarden voldaan, dan ontbreekt arbeidsvermogen. In dat geval moet worden beoordeeld of deze situatie duurzaam is.
De beoordeling wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek. [9]
Oordeel rechtbank
8. Allereerst oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het enkele feit dat geen vindplaats is genoemd van een uitspraak ter illustratie van de vaste rechtspraak, leidt niet tot schending van het motiveringsbeginsel dan wel tot onzorgvuldigheid. Om eiseres van dienst te zijn, heeft het UWV in de fase van beroep wel alsnog een voorbeeld van een uitspraak in het kader van de vaste rechtspraak genoemd. Verder heeft de verzekeringsarts b&b de (medische) stukken die beschikbaar waren, waaronder het rapport van [naam] van 2 juli 2024, kenbaar in de beoordeling betrokken. Dat het UWV geen onderzoek heeft verricht naar de schoolresultaten van [belanghebbende] levert geen zorgvuldigheidsgebrek op, aangezien de bewijslast op eiseres rust en zij geen schoolresultaten in de procedure heeft gebracht.
8.1.
Verder merkt de rechtbank op, dat het UWV op het aanvraagformulier in het algemeen voorbeelden heeft genoemd van stukken die van belang (kunnen) zijn in het kader van de beoordeling van het recht op Wajong-uitkering en die kunnen worden meegestuurd met de aanvraag. Bovendien heeft het UWV in zowel het primaire besluit, [10] als in het bestreden besluit [11] benadrukt, dat de bewijslast op eiseres ligt. Hiermee heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de verplichting richting eiseres, om haar erop te wijzen de aanvraag (in voldoende mate) te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de door eiseres genoemde uitspraak van de Afdeling niet voort, dat op het UWV de verplichting rust om gedetailleerd aan te geven welke stukken kunnen c.q. moeten worden overgelegd. Het UWV weet immers ook niet of er andere stukken zijn en zo ja, welke stukken dan beschikbaar zijn. Aangenomen moet worden dat deze er in het geval van [belanghebbende] niet zijn. [12] Het eventueel opvragen van stukken ter onderbouwing van de aanvraag is aan eiseres.
8.2.
Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond van eiseres dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, niet.
9. Met betrekking tot de vraag naar de al dan niet aanwezigheid van arbeidsvermogen bij eiseres op achttienjarige leeftijd en in de periode van vijf jaar daarna, oordeelt de rechtbank het volgende.
9.1.
Uit de door eiseres ingebrachte (medische) stukken, komt genoegzaam naar voren dat [belanghebbende] ASS en een LVB heeft en psychi(atri)sche problematiek ondervindt. Tijdens de zitting heeft het UWV ook aangegeven dat het niet zo is, dat de diagnoses van [belanghebbende] worden ontkend. Gelet op de aard van in ieder geval ASS en een LVB en wat daarover in zijn algemeenheid bekend is, acht de rechtbank aannemelijk dat hiervan ook al sprake was op de achttienjarige leeftijd van [belanghebbende] . Dat wordt door de verzekeringsartsen als zodanig ook niet betwist. Dit neemt evenwel niet weg dat de vraag in deze procedure is, of voornoemde diagnoses en problematiek op de achttienjarige leeftijd en in de vijf jaar daarna van dusdanige aard waren, dat deze in die periode leidden tot het niet aanwezig zijn van arbeidsvermogen bij [belanghebbende] . Waarbij het feit dat eiseres de aanvraag namens [belanghebbende] laattijdig heeft gedaan, met zich brengt [13] dat de bewijslast dat het arbeidsvermogen in de periode niet aanwezig was op eiseres rust.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b in het rapport van 9 december 2024 [14] op inzichtelijke en navolgbare wijze heeft gemotiveerd, dat uit de door eiseres ingebrachte stukken niet blijkt dat [belanghebbende] in de relevante periode als gevolg van ziekte of gebrek geen arbeidsvermogen had. De rechtbank stelt vast dat in beroep niet alsnog (andere) medische stukken zijn ingediend die twijfel zaaien over het door de verzekeringsarts b&b ingenomen standpunt.
Tijdens de zitting is gesteld dat [belanghebbende] zich in de relevante periode in een beschermde omgeving bevond, maar zodra zij daaruit trad, zij onder druk kwam te staan en terugviel, gevolgd door opnames in een instelling. Ook deze stelling is niet onderbouwd aan de hand van een medisch document waaruit dit zonder meer en in relatie tot de periode in geding blijkt. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat op basis van het gestelde tijdens de zitting evenmin kan worden gekomen tot de conclusie dat het arbeidsvermogen als gevolg van ziekte of gebrek ontbrak in de periode in geding.
9.2.
Geen verschil van inzicht bestaat over de omstandigheid dat [belanghebbende] ten tijde van de aanvraag niet (meer) beschikt over arbeidsvermogen. Of en zo ja, wanneer het arbeidsvermogen duurzaam is komen te ontbreken, hebben de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b niet kunnen vaststellen. Dit laatste hebben de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b op navolgbare wijze gemotiveerd in de rapporten van 6 augustus 2025, [15] respectievelijk 29 augustus 2025, [16] die op verzoek van het UWV zijn opgemaakt. De rechtbank beschouwt deze rapporten als een aanvulling, maar is van oordeel dat het bestreden besluit al met het rapport van 9 december 2024 op deugdelijke wijze was onderbouwd.
10. Tijdens de zitting is nog een beroep gedaan op een hoogst onredelijke uitkomst voor [belanghebbende] . Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet geen aanleiding aan te nemen dat sprake is van kennelijke onredelijkheid of onevenredigheid. De bewijsnood die wordt veroorzaakt door het feit dat eiseres de aanvraag 44 jaar na de achttiende verjaardag van [belanghebbende] heeft ingediend komt – zoals al is overwogen in 7.2 – voor rekening en risico van degene die de laattijdige aanvraag indient. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om hiervan af te wijken is de rechtbank niet gebleken. Dat, zoals in de stukken en tijdens de zitting is gesteld, [belanghebbende] (vooralsnog) niet in aanmerking komt voor bijstand op grond van de Participatiewet in verband met de aanwezigheid van vermogen, is niet een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. [belanghebbende] kan (gedurende die periode) terugvallen op eigen middelen.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op hetgeen is overwogen in 8 tot en met 10, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat [belanghebbende] terecht niet in aanmerking is gebracht voor een Wajong-uitkering. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Autismespectrumstoornis.
2.Licht verstandelijke beperking.
3.AB 1999, 403.
4.Centrale Raad van Beroep (CRvB) 26 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2193.
5.Zie bijvoorbeeld CRvB 24 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2565 en CRvB 7 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1575.
6.Zie bijvoorbeeld CRvB 10 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:581.
7.Zie artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong en artikel 1a, aanhef en eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
8.CRvB 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.
9.Zie noot 5.
10.Met de verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts. Zie 4.1.
11.Expliciet in de tekst van het bestreden besluit en met de verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts b&b, waaruit blijkt dat tegenbewijs nodig is. Zie 4.5.
12.Zoals stukken waaruit bijvoorbeeld blijkt dat sprake is van mislukte dienstverbanden, voortijdig gestopte opleidingen, veelvuldige en/of langdurige opnames in de relevante periode, behandeltrajecten in de relevante periode.
13.Zie 7.2.
14.Zie 4.5.
15.Zie 6.1.1.
16.Zie 6.1.2.