ECLI:NL:CRVB:2022:581
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing laattijdige Wajong-aanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft in 2018 een Wajong-uitkering aangevraagd, welke is afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat zij vóór haar zeventiende en achttiende jaar beperkingen had door ziekte of gebrek. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd niet-ontvankelijk verklaard, waarna appellante beroep instelde bij de rechtbank. Tijdens de beroepsprocedure overhandigde zij nieuwe medische informatie, maar het UWV oordeelde dat deze informatie betrekking had op haar huidige situatie en niet op de relevante periode rond haar zeventiende en achttiende jaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante onvoldoende nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden had aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Appellante stelde in hoger beroep dat uit een rapport van Ploegmakers wel degelijk bleek dat zij vóór haar vijftiende jaar een gedragsstoornis had, maar de Raad volgde dit niet omdat het rapport dit niet expliciet vermeldde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die het eerdere besluit rechtvaardigen om te worden herzien. De Raad benadrukte dat het ontbreken van informatie over de belastbaarheid van appellante rond haar zeventiende en achttiende jaar, mede door het tijdsverloop, voor rekening van appellante komt. Het verzoek om terug te komen op het besluit is daarom terecht afgewezen en het bestreden besluit is niet evident onredelijk.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit van 16 oktober 2018 wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.