ECLI:NL:RBGEL:2026:521

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
AWB-24_3742
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.S. Termaat
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging last verwijderen zandlaag paardenbak wegens onuitvoerbaarheid en onduidelijkheid

In deze bestuursrechtelijke zaak stond een last onder dwangsom centraal die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe had opgelegd aan eiser vanwege niet-toegestaan gebruik en bebouwing van een perceel. De last bepaalde onder meer dat eiser de zandlaag in de paardenbak moest verwijderen. De rechtbank oordeelde in een eerdere tussenuitspraak dat deze last te verstrekkend en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel was.

Het college heeft vervolgens een herziene beslissing op bezwaar genomen waarin de last deels werd aangepast, maar de verplichting tot het verwijderen van de zandlaag bleef gehandhaafd. Eiser betoogde dat het verwijderen van de zandlaag feitelijk onmogelijk is omdat hij geen zand had aangebracht en het aanwezige zand inmiddels was ingezaaid met gras, waardoor het niet te onderscheiden is.

De rechtbank stelde vast dat het college niet had onderbouwd dat het verwijderen van het zand de enige manier was om de overtreding te beëindigen en dat de last daarom niet uitvoerbaar en onvoldoende duidelijk was. De last werd vernietigd, evenals het primaire besluit en de eerdere beslissing op bezwaar voor zover die betrekking hadden op de zandlaag. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de last tot verwijderen van de zandlaag in de paardenbak wegens onuitvoerbaarheid en onduidelijkheid en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3742

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. W.M. Janse),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

(gemachtigden: P. Pasveer, E. te Loo en M. Bieten).

Procesverloop

1. In de tussenuitspraak van 23 juni 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.1.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen op 18 juli 2025.
1.2.
Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 19 november 2025 gesloten.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [1]
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college een last onder dwangsom heeft opgelegd die te verstrekkend is voor zover de last inhoudt dat eiser alleen paarden mag houden die zijn eigendom zijn en enkel door hem en zijn gezinsleden mogen worden bereden. Ook is de last onder dwangsom in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat het verwijderen van de bodem van de paardenbak feitelijk niet mogelijk is. Het college heeft gelegenheid gekregen de gebreken te herstellen.
2.2.
In de herziene beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het college heeft het primaire besluit gedeeltelijk herroepen voor wat betreft de opgelegde last over het hekwerk, de paddocks en longeercirkel, en de last over de te houden paarden en de bodem van de paardenbak als volgt gewijzigd
- u dient het houden van paarden te beperken tot een hobbymatige omvang door het aantal paarden dat op het perceel wordt gestald terug te brengen naar maximaal 8 en het berijden van paarden tot een ondergeschikte activiteit te beperken. (…)’;
- u dient de ten behoeve van de paardenbak opgebrachte zandlaag te verwijderen.
Het college heeft aan deze lasten dwangsommen verbonden, en heeft tot slot besloten de proceskosten van eiser in bezwaar te vergoeden.
2.3.
Eiser kan zich vinden in het herziene besluit voor zover dat inhoudt dat er maximaal 8 paarden (hobbymatig) mogen worden gestald en bereden. De rechtbank stelt vast dat het college heeft voldaan aan de tussenuitspraak door niet langer eisen te stellen aan de eigendom van de te houden paarden. Ook kan eiser zich vinden in de herroeping van het besluit voor zover die zag op het hekwerk, de paddocks en de longeercirkel.
2.4.
Wel heeft eiser aangegeven dat hij zich niet kan vinden in de last ten aanzien van de zandlaag in de paardenbak. Nu eiser heeft aangegeven zich op dit punt niet te kunnen vinden in de herziene beslissing op bezwaar, en zijn beroep zich van rechtswege mede richt op dat nieuwe besluit op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, zal de rechtbank een beslissing nemen over de herziene beslissing op bezwaar voor zover die ziet op het moeten verwijderen van de zandlaag.
Is het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld?
3. Eiser voert in zijn schriftelijke reactie op het herziene besluit aan dat het onmogelijk is de opgebrachte zandlaag in de paardenbak te verwijderen. Hij heeft geen zand aangebracht. Op dat gedeelte van het perceel ligt weliswaar zand, maar dat zand heeft eiser inmiddels ingezaaid met gras. Het aanwezige zand valt volgens hem niet te onderscheiden in verschillende lagen. Daarom is de last niet uitvoerbaar en in strijd met de rechtszekerheid. Eiser wijst in dat verband ook op een e-mail van het college van 21 mei 2024, waarin onder andere staat “Wanneer uw cliënt de bodem duurzaam inzaait (dus in voldoende voedzame grond) […] is de overtreding wat ons betreft beëindigd”.
3.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Noch uit het controlerapport, noch uit het bestreden besluit 2, blijkt dat eiser inderdaad een zandlaag heeft opgebracht ten behoeve van de paardenbak. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat geen zand ten behoeve van de paardenbak is opgebracht dat nu kan worden verwijderd. Dit betekent dat de aangepaste last om ‘de ten behoeve van de paardenbak opgebrachte zandlaag te verwijderen’ niet uitvoerbaar is. Het college heeft verder ook niet onderbouwd dat, voor zover het perceel van eiser op de bedoelde plek op het perceel ‘zanderig’ is, een overtreding alleen kan worden beëindigd door dat zand te verwijderen. Onduidelijk is waarom dat niet (ook) op een andere manier zou kunnen, zoals door het duurzaam inzaaien van de bodem. De last is daarom niet voldoende duidelijk.
3.2.
Nu het herziene besluit op dit punt onvoldoende duidelijk is gebleven, wordt die op dit punt vernietigd.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit 2 voor zover daarin is bepaald dat eiser de zandlaag dient te verwijderen. Voor het overige blijft het bestreden besluit 2 in stand.
4.1.
Nu met de tweede beslissing op bezwaar de eerste beslissing op bezwaar volledig is herzien, had eiser in zoverre geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat besluit. Voor zover de eerste beslissing op bezwaar weer herleeft na gedeeltelijke vernietiging door de rechtbank van de tweede beslissing op bezwaar, bestaat dat procesbelang wel. Aan die eerste beslissing op bezwaar kleven echter de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken. De rechtbank zal daarom in deze einduitspraak de eerste beslissing op bezwaar ook vernietigen, voor zover die zag op de zandlaag in de paardenbak.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- in de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen tijdens de zitting, en 0,5 punt voor de nadere zienswijze met een waarde per punt van € 934,-).
De rechtbank bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 (herziene beslissing op bezwaar van 18 juli 2025) gegrond;
- vernietigt bestreden besluit 2, voor zover daarin is bepaald dat eiser de ten behoeve van de paardenbak opgebrachte zandlaag dient te verwijderen;
- vernietigt bestreden besluit 1 voor zover dat zag op de zandlaag in de paardenbak;
- herroept het primaire besluit voor zover dat zag op de zandlaag in de paardenbak;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit 2 voor zover dat is vernietigd;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.S. Termaat, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.