ECLI:NL:RBGEL:2026:5267

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
K/5001/12138018
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvordering en transitievergoeding na opzegging arbeidsovereenkomst chauffeur

De eiser trad in juni 2024 in dienst als internationaal chauffeur bij de gedaagde met een arbeidsovereenkomst die meerdere malen werd verlengd. Vanaf december 2025 werd de overeenkomst tussentijds opzegbaar. De eiser was arbeidsongeschikt van september 2025 tot januari 2026. De gedaagde vroeg in december 2025 een ontslagvergunning aan bij het UWV wegens bedrijfseconomische redenen, die in januari 2026 werd verleend. De arbeidsovereenkomst werd opgezegd per 1 maart 2026.

De eiser vorderde in kort geding betaling van achterstallig loon over januari en februari 2026, vakantiegeld, vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren, transitievergoeding, wettelijke rente, wettelijke verhoging en incassokosten. De gedaagde erkende het niet betalen van loon maar verweerde zich met betalingsonmacht vanwege het stoppen van zijn onderneming.

De kantonrechter oordeelde dat betalingsonmacht niet aan toewijzing in de weg staat en wees de loonvordering, vakantiegeld, niet-genoten vakantie-uren en transitievergoeding toe. De wettelijke verhoging werd afgewezen vanwege financiële moeilijkheden van de gedaagde, maar de wettelijke rente en incassokosten werden toegewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, niet-genoten vakantie-uren, transitievergoeding, wettelijke rente en incassokosten, en wijst de wettelijke verhoging af.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12138018 \ VV EXPL 26-35
Vonnis in kort geding van 18 mei 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser],
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
[naam gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 maart 2026;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 20 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[de eiser] treedt op 15 juni 2024 in dienst bij [de gedaagde] als (internationaal) chauffeur voor de duur van een half jaar. Vervolgens wordt de arbeidsovereenkomst voor een half jaar verlengd en op 15 juni 2025 wordt de arbeidsovereenkomst verlengd voor de duur van een jaar. Het salaris bedraagt laatstelijk € 3.540,20 bruto per maand, bij een arbeidsduur van 40 uur per week.
2.2.
Op laatstgenoemde arbeidsovereenkomst zijn partijen een addendum overeengekomen, waardoor de arbeidsovereenkomst vanaf 1 december 2025 tussentijds opzegbaar is geworden.
2.3.
Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer van toepassing.
2.4.
In de periode september 2025 tot 1 januari 2026 is [de eiser] arbeidsongeschikt.
2.5.
Op 4 december 2025 vraagt [de gedaagde] een ontslagvergunning aan voor [de eiser] bij het UWV wegens bedrijfseconomische redenen.
2.6.
Bij brief van 6 januari 2026 verleent het UWV toestemming aan [de gedaagde] om de arbeidsovereenkomst met [de eiser] op te zeggen.
2.7.
[de gedaagde] zegt de arbeidsovereenkomst op tegen 1 maart 2026.
2.8.
Bij brief van 4 februari 2026 wordt [de gedaagde] door [de eiser] gesommeerd om het loon over de maand januari 2026 te betalen.

3.Het geschil

[de eiser] vordert – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van:
een bedrag van € 7.604,06 bruto aan salaris en vakantiegeld over de maanden januari en februari 2026;
een bedrag van € 2.477,30 bruto aan niet genoten vakantie-uren;
de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van 50% over het onder a. b. en c. gevorderde;
een bedrag van € 2406,88 bruto aan transitievergoeding;
en bedrag van € 899,88 aan buitengerechtelijke incassokosten;
de proceskosten.
3.2.
[de eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [de gedaagde] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en sindsdien onterecht, ondanks sommatie, geen loon meer heeft betaald. Voor zijn levensonderhoud is hij afhankelijk van het loon van [de gedaagde]. Hij vordert daarom betaling van loon over de maanden januari en februari 2026, vakantiegeld, een vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren en de transitievergoeding. Daarnaast moet [de gedaagde] de wettelijke verhoging, wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen, omdat hij te laat heeft betaald.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing dan wel matiging van de vorderingen van [de eiser].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
4.2.
Het spoedeisende belang heeft [de eiser] voldoende toegelicht en volgt ook uit de aard van de vordering. Om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud is hij afhankelijk van het ontvangen van zijn loon. Dat hij volgens [de gedaagde] ander werk heeft gevonden en weer inkomen heeft, maakt niet dat er geen spoedeisend belang (meer) is.
Achterstallig loon januari en februari 2026
4.3.
Vooropgesteld wordt dat [de gedaagde] heeft erkend dat hij het salaris over de maanden januari en februari 2026 niet aan [de eiser] heeft betaald. Daarmee ligt dit deel van de vordering in beginsel voor toewijzing gereed.
4.4.
[de gedaagde] voert als reden voor het niet betalen van het salaris aan dat zijn bedrijfsresultaten niet goed genoeg waren om de NIWO-vergunning te verlengen, waardoor hij per 1 december 2025 genoodzaakt was te stoppen met zijn onderneming. Dit heeft hij aan zijn chauffeurs, waaronder [de eiser], uitgelegd. Hij heeft zijn chauffeurs een vaststellingsovereenkomst aangeboden, maar alleen [de eiser] weigerde om deze te ondertekenen. Voor [de eiser] heeft hij daarom een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV. Ook heeft hij aan [de eiser] medegedeeld dat hij vanaf januari 2026 het salaris niet meer aan hem kan betalen.
4.5.
De door [de gedaagde] gestelde betalingsonmacht staat niet aan toewijzing van de loonvordering in de weg, nu dit, hoe vervelend ook, een persoonlijk betreffende omstandigheid is die volgens de verkeersopvattingen voor zijn rekening en risico komt. Bovendien rust op [de eiser] ook geen verplichting om een vaststellingsovereenkomst te tekenen. De kantonrechter wijst daarom het gevorderde bedrag van € 7.040,80 bruto aan salaris over de maanden januari en februari 2026 toe.
Vakantiegeld en niet-genoten vakantie-uren
4.6.
Hiervoor is geoordeeld dat [de gedaagde] nog loon aan [de eiser] verschuldigd is. Daarover is [de gedaagde] ook vakantiegeld verschuldigd. Het door [de eiser] gevorderde bedrag van € 563,26 bruto wordt daarom toegewezen.
4.7.
Verder vordert [de eiser] een bedrag van € 2.477,30 bruto aan niet-genoten vakantie-uren, te weten 113,33 uur, vermeerderd met 8% vakantiegeld. [de gedaagde] heeft de verschuldigdheid daarvan niet betwist. De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag toe.
Transitievergoeding
4.8.
De vordering van [de eiser] tot toewijzing van een transitievergoeding van
€ 2.406,88 bruto wordt ook toegewezen. De arbeidsovereenkomst is door [de gedaagde] opgezegd en dus op zijn initiatief geëindigd. Op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid 1 BW Pro wordt hij daarom veroordeeld tot betaling van de gevorderde transitievergoeding.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
4.9.
[de eiser] vordert [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over het verschuldigde loon, vakantiegeld en niet-genoten vakantie-uren. De wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro is een sanctie op niet tijdige betaling van het loon en is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen, zodat de werknemer tijdig over het loon kan beschikken. De rechter kan, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, de verhoging beperken tot ieder bedrag dat billijk is en deze zelfs op nihil stellen.
4.10.
Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd, de onderneming van [de gedaagde] niet meer bestaat en [de gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft aangevoerd dat hij wel wil betalen maar dat er op dit moment financiële moeilijkheden zijn, ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging in dit kort geding niet toe te wijzen. [de gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de wettelijke verhoging in een bodemprocedure sterk of zelfs tot nihil zal worden gematigd. Bovendien maakt [de eiser] ook aanspraak op betaling van de wettelijke rente (dat hierna onder r.o. 4.11. wordt toegewezen), wat al geldt als compensatie voor de vertraging in de betaling voor elke dag dat onder andere het loon te laat betaald is. Dit betekent dat de wettelijke verhoging wordt afgewezen.
4.11.
Op grond van de wet moet [de gedaagde] de wettelijke rente betalen over de bedragen die te laat zijn betaald (artikel 6:119 BW Pro). [de gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van de wettelijke rente. De gevorderde wettelijke rente over het achterstallig loon, vakantiegeld en niet-genoten vakantie-uren wordt daarom toegewezen vanaf de dag van opeisbaarheid tot de datum van volledige betaling.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
4.12.
[de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Hij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag is, hoewel niet van toepassing, overeenkomstig de tarieven als opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, en die tarieven worden geacht redelijk te zijn. Het gevorderde bedrag van € 899,88 wordt daarom worden toegewezen.
4.13.
[de gedaagde] wordt (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
157,50
- griffierecht
753,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.631,50
Uitvoerbaar bij voorraad
4.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro), omdat [de eiser] dit heeft gevorderd en [de gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Tot slot
4.15.
De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen, niet tot een ander oordeel heeft kunnen leiden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van:
  • € 7.040,80 bruto aan salaris over de maanden januari en februari 2026;
  • € 563,26 bruto aan vakantiegeld;
  • € 2.477,30 bruto aan niet-genoten vakantie-uren;
  • € 2.406,88 bruto aan transitievergoeding;
  • € 899,88 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:199 BW Pro over het salaris, vakantiegeld en niet-genoten vakantie-uren, zoals genoemd in r.o. 5.1., vanaf de datum van opeisbaarheid van voornoemde componenten, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.631,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
47414 \ 53331