ECLI:NL:RBGEL:2026:5429

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
AWB-24_7082
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 4.23 Iw OwArt. 5:37 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging invordering verbeurde dwangsommen wegens overtreding bestemmingsplan en parkeernormen

Lisuda Vastgoed B.V. is eigenaar van een perceel in Ermelo waarop overtredingen van het bestemmingsplan en de parkeernormen zijn geconstateerd. Het college van burgemeester en wethouders legde op 7 maart 2023 twee lasten onder dwangsom op vanwege het parkeren op een groenstrook en het niet realiseren van voldoende parkeerplaatsen. Na het verstrijken van de begunstigingstermijn en meerdere controles besloot het college op 20 maart 2024 de verbeurde dwangsommen van in totaal € 75.000,- in te vorderen.

Eiseres stelde beroep in tegen dit invorderingsbesluit, maar diende de beroepsgronden te laat in. De rechtbank oordeelde echter dat het beroep ontvankelijk is omdat eiseres niet tijdig op de hersteltermijn was gewezen. De rechtbank beoordeelde vervolgens de inhoudelijke gronden en concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die invordering van de dwangsommen rechtvaardigen. Het vertrouwen op een mogelijke omgevingsvergunning voor het parkeren op de groenstrook kan niet leiden tot afzien van invordering.

De rechtbank bevestigt dat de lasten onherroepelijk zijn en dat de overtredingen niet zijn beëindigd. Daarom blijft de invordering van de dwangsommen in stand. Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag en krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de invordering van de verbeurde dwangsommen en verklaart het beroep van Lisuda Vastgoed ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7082

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

Lisuda Vastgoed B.V., uit Ermelo, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo

(gemachtigden: mr. F.T.J. van Veluw en mr. L.C. Faber).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting DOEH uit Ermelo

(gemachtigde: mr. I.E. Nauta).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om twee verbeurde dwangsommen in te vorderen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het invorderingsbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de invordering van de verbeurde dwangsommen in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond en eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 20 maart 2024 heeft het college een bedrag van in totaal € 75.000,- ingevorderd voor overtreding van de aan eiseres opgelegde lasten. Met het bestreden besluit van 28 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij het invorderingsbesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.
Beoordeling door de rechtbank
Overgang Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) naar Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (hierna: Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: Iw Ow) in werking getreden. Als een besluit tot een bestuurlijke sanctie is opgelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.23, aanhef en onder c, van de Iw Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het moment waarop de last volledig is uitgevoerd óf de last volledig is verbeurd en betaald óf de last is opgeheven.
3.1.
Aan eiseres is op 7 maart 2023 een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in deze procedure, waarin het gaat om het daaruit voortvloeiende invorderingsbesluit, de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Lisuda Vastgoed is eigenaar van het perceel aan de [adres] in Ermelo. [1] Voor dit perceel gelden de bestemmingsplannen 'De Driehoek 2016' (hierna: het bestemmingsplan) en ‘Parkeernormen’. Uit de plankaart van het bestemmingsplan blijkt dat het perceel deels als ‘Horeca’ en deels als ‘Groen’ is bestemd. Op het voor ‘Horeca’ bestemde perceeldeel is het restaurant [restaurant] gevestigd.
4.1.
Bij besluit van 7 maart 2023 heeft het college aan eiseres twee lasten onder dwangsom opgelegd die zich richten op de beëindiging van het (laten) parkeren op de groenstrook van het perceel en het realiseren van voldoende parkeerplaatsen. De opgelegde lasten luiden als volgt:
a.
“Wij gelasten u binnenacht wekenna verzending van deze brief de overtreding van artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo – het zonder omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan De Driehoek 2016 (laten) gebruiken van de groenstrook op het perceel aan de [adres] – te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden.
[…]
Om de overtreding te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden dient u derhalve ook de grasbetonblokken te verwijderen en verwijderd te houden. Op die manier wordt de groenbestemming hersteld.
Wij zijn van mening dat een begunstigingstermijn van acht weken voldoende is om aan de lastgeving te voldoen.
Als u na deze datum deze overtreding niet of niet geheel heeft beëindigd, verbeurt u van rechtswege een dwangsom van € 5.000,- per week met een maximum van € 25.000,-. Om volledig aan de last te voldoen dient u zowel het (laten) parkeren in de groenstrook te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden en de grasbetonblokken te (laten) verwijderen en verwijderd te (laten) houden.”
“Wij gelasten u binnenacht wekenna verzending van deze brief de overtreding van artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo - het handelen in strijd met het bestemmingsplan Parkeernormen – te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden.
U kunt in ieder geval aan de last voldoen door één van de hieronder genoemde maatregelen te treffen:
  • het (laten) realiseren van 29 parkeerplaatsen binnen de horecabestemming op uw perceel waarbij de parkeerplaatsen dienen te voldoen aan de daarbij behorende maatvoering conform de Nota Parkeernormen Ermelo; of
  • het gebruik van de horeca-inrichting te (laten) staken tot het moment dat u voldoet aan het bestemmingsplan Parkeernormen door 29 parkeerplaatsen binnen de horecabestemming te (laten) realiseren conform de daarbij behorende maatvoering genoemd in de Nota Parkeernormen Ermelo. Dit in verband met de aard van artikel 3.1.1 van het bestemmingsplan Parkeernormen. Dit artikel betreft immers een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.
Wij zijn van mening dat een begunstigingstermijn van acht weken voldoende is om aan de lastgeving te voldoen.
Als u na deze datum deze overtreding niet of niet geheel heeft beëindigd, verbeurt u van rechtswege een dwangsom van € 10.000,- per week met een maximum van € 50.000,-.”
4.2.
De lasten onder dwangsom zijn onherroepelijk geworden nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ze in de mondelinge uitspraak van 29 augustus 2023 [2] in stand heeft gelaten. Daarnaast heeft de Afdeling het besluit van 7 maart 2023 geschorst tot vier weken na verzending van het proces-verbaal van de uitspraak en daarmee de begunstigingstermijn tot dat moment verlengd.
4.3.
Na het verstrijken van de begunstigingstermijn heeft het college meerdere controles op het perceel uitgevoerd, namelijk op 6 oktober 2023, op 11 oktober 2023, op 23 oktober 2023 en op 30 oktober 2023. Volgens de rapportages is parkeren in de groenstrook onmogelijk gemaakt door plaatsing van een soort hek van ongeveer één meter hoog, maar zijn de grasbetonblokken nog niet verwijderd. De situatie en afmetingen van de parkeervakken zijn ongewijzigd. Ook zijn er geen 29 parkeerplaatsen binnen de bestemming 'Horeca' gerealiseerd. Het college heeft daarom, na eerst op 15 januari 2024 een voornemen aan eiseres kenbaar te hebben gemaakt en op 15 maart 2024 een aanvullende controle te hebben uitgevoerd, op 20 maart 2024 besloten om de verbeurde dwangsommen daadwerkelijk in te vorderen.
4.4.
Niet in geschil is dat eiseres de lasten heeft overtreden en daarmee de dwangsommen heeft verbeurd. Eiseres is het echter niet eens met de invordering van de verbeurde dwangsommen. Zij heeft daarom op 8 oktober 2024 bij de rechtbank een pro forma beroep ingediend tegen het invorderingsbesluit van 20 maart 2024. Op 26 november 2024 zijn bij de rechtbank de aanvullende beroepsgronden van eiseres binnengekomen.
Ontvankelijkheid van het beroep
5. Het college stelt zich op het standpunt dat de rechtbank, gelet op artikel 6:5, eerste lid, onder d in combinatie met artikel 6:6, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep niet-ontvankelijk moet verklaren omdat eiseres pas ná de gegeven hersteltermijn de gronden van het beroep heeft ingediend.
5.1.
Eiseres heeft op 8 oktober 2024 pro forma beroep ingesteld. Bij brief van 11 oktober 2024 heeft de rechtbank een ontvangstbevestiging aan gemachtigde van eiseres gestuurd en daarbij een termijn van vier weken verleend voor de aanvulling van het beroep met onder andere de beroepsgronden. Gemachtigde van eiseres heeft per e-mailbericht van 15 november 2024 bij de rechtbank geïnformeerd naar de ontvangst van het pro forma beroep en de gestelde hersteltermijn voor het aanleveren van de gronden. Bij brief van 20 november 2024 heeft de rechtbank een kopie van de brief van 11 oktober 2024 naar gemachtigde van eiseres gestuurd, zonder nieuwe hersteltermijn. Op 26 november 2026 heeft gemachtigde van eiseres de gronden van beroep ingediend.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat gemachtigde van eiseres de beroepsgronden 18 dagen buiten de gestelde termijn heeft ingediend en niet om verlenging van de termijn heeft verzocht. Gemachtigde stelt dat hij de ontvangstbevestiging van 11 oktober 2024 van het pro forma beroep niet heeft ontvangen en dus van de hersteltermijn niet op de hoogte was. De ontvangst op 14 november 2024 van een betalingsherinnering van het Landelijk Dienstencentrum voor het griffierecht in een andere beroepsprocedure, was voor gemachtigde van eiser de trigger om direct bij de rechtbank te informeren naar de ontvangst van het pro forma beroep en de indieningstermijn voor de gronden in onderhavige zaak. Omdat het gemachtigde van eiseres niet lukte om nog diezelfde dag de rechtbank telefonisch te bereiken, heeft hij de volgende dag besloten een e-mail te sturen.
5.3.
De bevoegdheid om het beroep op grond van artikel 6:6, samen gelezen met artikel 6:5, van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren betreft een discretionaire bevoegdheid waarvan de rechtbank gebruik kan maken, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen binnen een hem daarvoor gestelde termijn. De rechtbank oordeelt dat aan die voorwaarde niet is voldaan. Omdat eiser de brief van de rechtbank van 11 oktober 2024 niet heeft ontvangen, is hij namelijk niet in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het beroepschrift, namelijk het ontbreken van de beroepsgronden, te herstellen. Vervolgens is hem ook bij de toezending van een kopie van de ontvangstbevestiging, bij brief van 20 november 2024, niet alsnog een hersteltermijn gegeven. Daardoor is aan de criteria van artikel 6:6 van Pro de Awb niet voldaan en oordeelt de rechtbank dat het beroep ontvankelijk is.
Bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien
6. Eiseres betoogt dat sprake is van een situatie waarbij het vertrouwen is gewekt dat overgegaan zou worden tot verlening van de omgevingsvergunning. Dat maakt dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die maakt dat het college had moeten afzien van invordering van de verbeurde dwangsom.
6.1.
Het college kan eiseres niet volgen in het verband dat wordt gelegd tussen de aanvraag en weigering van een omgevingsvergunning en het invorderen van de verbeurde dwangsommen. Er bestaat geen reden om van invordering af te zien, aldus het college.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gaat hiervan uit. [3] Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [4]
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. Nog daargelaten de vraag of eiseres door toezeggingen of gedragingen van het college erop mocht vertrouwen dat een omgevingsvergunning voor 12 parkeerplaatsen in de groenstrook verleend zouden worden, kan op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling concreet zicht op legalisatie geen bijzondere omstandigheid opleveren om van invordering af te zien. [5] Met de controles van 27 september 2023, 6 oktober 2023, 11 oktober 2023, 23 oktober 2023 en 30 oktober 2023 en 15 maart 2024 is geconstateerd dat de opgelegde lasten zijn overtreden, wat overigens ook niet door eiseres wordt betwist, en dus de daaraan verbonden dwangsommen zijn verbeurd. Het eventueel verkrijgen van een toekomstige omgevingsvergunning ontslaat eiseres niet van de verplichting om verbeurde dwangsommen te betalen. Eiseres heeft geen andere bijzondere omstandigheden aangevoerd, zodat haar betoog niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres gehouden is om het door het college gevorderde bedrag te betalen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kadastraal bekend als Perceel Ermelo (EMLOO), sectie [sectie] , nummer [nummer] .
2.Zaaknummers 202301534/1/R4 en 202301534/2/R4.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4203.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2686.