ECLI:NL:RBGEL:2026:5503

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/1523
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 6:162 BW
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingplichtige kan geen beroep doen op opgewekt vertrouwen bij dubbele aftrek persoonsgebonden aftrek en verliesverrekening

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarbij de inspecteur een correctie toepaste op de persoonsgebonden aftrek (PGA) en verliesverrekening. Belanghebbende stelde dat zij op basis van inlichtingen van de Belastingtelefoon mocht vertrouwen op dubbele aftrek van een bedrag van € 9.370 als restant PGA en als verlies uit eerdere jaren.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur een toezegging heeft gedaan die tot in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen leidt. De inspecteur is niet gebonden aan inlichtingen van de Belastingtelefoon, zeker niet als deze in strijd zijn met de juiste wetstoepassing. Bovendien had belanghebbende, als jurist, moeten beseffen dat dubbele aftrek niet mogelijk is.

De rechtbank wijst het beroep af voor zover het ziet op de aanslag, maar verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op de belastingrentebeschikking. Deze wordt vernietigd wegens onzorgvuldigheid van de inspecteur. De inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Beroep ongegrond voor aanslag IB/PVV 2022, gegrond voor belastingrentebeschikking die wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1523

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 februari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.097. Bij het vaststellen van die aanslag heeft de inspecteur verliezen uit eerdere jaren van € 9.377 verrekend.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 388 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft op 21 mei 2026 een nader stuk ingediend.
Belanghebbende heeft bij brief van 2 maart 2026 verzocht de mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft dit verzoek bij brief van 16 maart 2026 geweigerd, aangezien zij een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht voor de vaststelling van de feiten.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [persoon A] en
mr. [persoon B].

Feiten

1. Op 11 april 2023 is er contact geweest tussen belanghebbende en een medewerker van de Belastingtelefoon.
2. Op 12 april 2023 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2022 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 28.104. Die aangifte bestaat uit de volgende elementen:
Loon uit dienstbetrekking: € 38.458
Af: uitgaven voor specifieke zorgkosten: - € 984
Af: restant persoonsgebonden aftrek (PGA):
- € 9.370
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 28.104
3. Met dagtekening 27 mei 2023 heeft de inspecteur een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 aan belanghebbende opgelegd overeenkomstig haar aangifte. Bij het vaststellen van die voorlopige aanslag heeft de inspecteur verliezen uit eerdere jaren ten bedrage van
€ 9.377 verrekend, waardoor het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende (na verliesverrekening) uitkomt op € 18.727.
4. Op 7 augustus 2024 heeft de inspecteur een brief houdende een voornemen om af te wijken van de aangifte aan belanghebbende toegezonden. In die brief is het volgende vermeld:
“(…)
1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte

Persoonsgebonden aftrek

Restant persoonsgebonden aftrek
In de aangifte hebt u 'restant persoonsgebonden aftrek over voorgaande jaren' ingevuld. Het gaat om een bedrag van € 9.370.
Uit mijn informatie blijkt dat wij voor 2021 geen 'beschikking restant persoonsgebonden aftrek over voorgaande jaren' aan u hebben afgegeven. Daarom mag u het ingevulde restant persoonsgebonden aftrek niet van uw (belastbaar) inkomen af halen. Ik ben dan ook van plan om op dit punt van uw aangifte af te wijken met een bedrag van € 9.370. Dit bedrag tel ik op bij het (belastbaar) inkomen waar u het bedrag vanaf hebt gehaald.
Restant persoonsgebonden aftrek: verdeling tussen fiscale partners
U hebt een fiscale partner. Omdat de aftrek die ik ga corrigeren volledig aan u is toegedeeld, is het bedrag van deze afwijking het geheel van de totale afwijking. Het is niet mogelijk om alsnog een restant persoonsgebonden aftrek aan uw fiscale partner toe te delen.
2. Berekening

Belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)

Het berekende inkomen uit werk en woning volgens de aangifte € 38.458
Persoonsgebonden aftrek
€ -984
Vast te stellen belastbaar inkomen uit werk en woning € 37.474

Persoonsgebonden aftrek

Persoonsgebonden aftrek volgens de aangifte € 984

Persoonsgebonden aftrek voorgaande jaren

Persoonsgebonden aftrek voorgaande jaren volgens de aangifte € 9.370
Totaalbedrag van de afwijking(en) € -9.370
Niet verrekende persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren € +0
Totaal te verrekenen persoonsgebonden aftrek € 984
(…)”
5. Vervolgens heeft correspondentie tussen de inspecteur en belanghebbende plaatsgevonden.
6. Met dagtekening 8 november 2024 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV 2022 aan belanghebbende opgelegd overeenkomstig zijn voornemen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende heeft hij vastgesteld op: € 28.104 (aangegeven) +
€ 9.370 (correctie PGA) is € 37.474 minus € 9.377 (verlies uit eerder jaren) is € 28.097. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 13 november 2024.
7. Tot de stukken van het geding behoren door belanghebbende overgelegde handgeschreven aantekeningen van haar gesprek(ken) met de medewerker(s) van de Belastingtelefoon. In die aantekeningen staat onder meer het volgende:
“(…)
IB ’21 staat
8300 te verrekenen ondernemingsverlies uit voorgaande jaren
1077 nog te verrekenen verlies uit werk en woning (excl. ondernemingsverlies) uit voorgaande jaren
9370
Persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren is op de IB ’21 gebaseerd.
Dit op advies en in overleg met medew. belastingtel. Zo ingevuld.
(…)
Aangifte IB 22
1077 invullen bij te verrekenen verliezen uit werk en woning van 2013 t/m 2021
Waar moet ik de 8300 nog te verrekenen ondernemingsverlies invullen?
Belastingtelefoon vraagt na en komt erop terug.
Bij elkaar optellen (9370 afgerond) en dat valt onder aftrekbare uitgaven van vóór 2022,
persoonsgebonden aftrek.
(…)’
8. De inspecteur heeft het volgende (interne) e-mailbericht van 15 april 2025 overgelegd betreffende een door belanghebbende gedaan inzage/informatieverzoek omtrent haar gesprek(ken) met de Belastingtelefoon:
“Hoi (…),
Ik heb inmiddels een reactie gekregen van de betreffende contactpersoon bij de Belastingtelefoon. Hij berichtte mij het volgende over het inzage/informatieverzoek.
‘Die informatie is in dit geval heel beperkt: over de periode januari tot en met augustus 2023 is vrijwel geen informatie. Gezien de termijn van 24 maanden is de periode januari-maart 2023 sowieso niet meer na te gaan. Het enige wat er is, is dat er op 11-04-2023 is gebeld en met een medewerker is gesproken op het contactthema inkomstenbelasting. In de rest van de genoemde periode is niets geregistreerd. Voor zover er in die periode wel met ons gesproken is, zijn daar geen registraties van. Opnamen zijn er ook niet. Als die destijds er al waren (omdat we steekproefsgewijs sommige gesprekken opnemen voor kwaliteitsdoeleinden) zijn die niet bewaard want dat bewaren we maximaal 90 dagen. Aangezien er ook geen notities of terugbelverzoeken zijn is er dus niets meer te zeggen dan dat er een gesprek is geweest op 11-4-2023 met iemand op het contactthema inkomstenbelasting. Waar het gesprek over ging, wat er is gevraagd en gezegd e.d. is niet te achterhalen.
In algemene zin is het goed om te weten dat bij de Belastingtelefoon niet meer wordt gelogd dan dat er gebeld is en soms wordt daarbij vermeld welk onderwerp een servicemedewerker heeft geraadpleegd. Gespreksnotities worden niet gemaakt. In sommige gevallen wordt naar aanleiding van een telefoongesprek een terugbelverzoek aangemaakt. De opvolging van terugbelverzoeken doen de medewerkers van de afzonderlijke kantoren van de Belastingdienst zelf. De contacthistorie in het systeem dat de Belastingtelefoon gebruikt beloopt 24 maanden. Alles van daarvoor, voor zover dat er was (dat is nl. niet terug te zien), is daarom niet aan te leveren.
(…)”

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2022 moet worden verminderd omdat sprake is van opgewekt vertrouwen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
10. Het beroep is gegrond voor zover het op de belastingrente ziet. Voor het overige is het ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
11. Belanghebbende is primair van mening dat zij een beroep kan doen op in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen. Zij heeft diverse medewerkers van de Belastingdienst gesproken en is uiteindelijk teruggebeld door een gespecialiseerd medewerker die haar heeft aangeraden de (ondernemings)verliezen uit eerder jaren als restant PGA in haar aangifte IB/PVV 2022 te verwerken. De interne notities waarin de gegeven inlichtingen zijn vastgelegd heeft de Belastingdienst ten onrechte vernietigd, waardoor belanghebbende in bewijsnood is geraakt. Dit dient voor rekening van de inspecteur te komen. Subsidiair doet belanghebbende een beroep op redelijkheid en billijkheid.
12. De inspecteur is van mening dat van in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen geen sprake is. Belanghebbende, op wie volgens de inspecteur de bewijslast rust, is er niet in geslaagd aannemelijk te maken wat precies de inhoud van de gesprekken met de medewerker(s) van de Belastingtelefoon is geweest. Verder is de inspecteur van mening dat de beweerdelijk door belanghebbende verkregen inlichtingen zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende de onjuistheid ervan had kunnen en moeten beseffen. Hetzelfde bedrag van € 9.377 tweemaal in aftrek brengen (eenmaal als restant PGA en eenmaal als verlies uit werk en woning uit voorgaande jaren) is evident onjuist. Ten slotte is de inspecteur van mening dat aan een voorlopige aanslag geen in rechte te beschermen vertrouwen is te ontlenen. De definitieve aanslag kan van de voorlopige afwijken. Ter zitting heeft de inspecteur nog verklaard dat hij niet ontkent dat er door belanghebbende met (een) medewerker(s) van de Belastingdienst/Belastingtelefoon is gebeld.
Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
13. Voor zover belanghebbende klaagt over een schending van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb moet de inspecteur tijdig alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan hem ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter overleggen. Deze bepaling strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld en heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belastingplichtige zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Tot de op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren niet slechts de stukken die de inspecteur heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Daartoe behoren in beginsel ook stukken die de inspecteur wel ter beschikking staan of hebben gestaan maar die hij niet heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. [1]
14. Indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd stelt dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door de inspecteur moet worden overgelegd, moet aan dat verzoek worden tegemoetgekomen, op voorwaarde dat het bestaan van dat stuk aannemelijk is. [2]
15. De rechtbank is van oordeel dat van een schending van artikel 8:42 van Pro de Awb geen sprake is. De inspecteur heeft verklaard dat de inhoud van gesprekken met medewerkers van de Belastingtelefoon niet wordt geregistreerd. Daarbij heeft de inspecteur gewezen op het interne mailbericht van 15 april 2025 (zie punt 8.). Verder heeft de inspecteur verklaard dat voor wat betreft aangiftejaar 2022 (anders dan voor wat betreft aangiftejaar 2021) geen registratie in de systemen van de Belastingdienst is aangetroffen. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de inspecteur het bepaalde in artikel 8:42 van Pro de Awb heeft geschonden, heeft de inspecteur dit naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd weersproken.
Komt belanghebbende een beroep toe op in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen?
16. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belasting- of premieplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. [3] Indien het gaat om inlichtingen, geldt onder meer dat de inspecteur in de regel niet aan onjuiste inlichtingen is gebonden. [4] Daarnaast geldt dat die inlichtingen niet zozeer in strijd met een juiste wetstoepassing mogen zijn dat belanghebbende redelijkerwijs de onjuistheid of onvolledigheid van de inlichting had kunnen en moeten beseffen. [5]
17. De rechtbank constateert dat van een expliciete toezegging inhoudende dat hetzelfde bedrag twee maal kan worden afgetrokken (eenmaal als restant PGA en eenmaal als verlies uit eerder jaren) geen sprake is. Belanghebbende heeft dit ook niet beweerd. De rechtbank is verder van oordeel dat belanghebbende weliswaar aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij de Belastingdienst/Belastingtelefoon inlichtingen heeft ingewonnen over hoe haar aangifte IB/PVV 2022 in te vullen, maar dat dit er niet toe leidt dat belanghebbende recht heeft op een ‘dubbele aftrek’. Dat mogelijk foutieve informatie is verschaft aan belanghebbende in die zin dat zij bij het doen van haar aangifte de verliezen als restant PGA kan opvoeren, betekent immers niet dat de inspecteur is gebonden aan een ‘dubbele aftrek’. Het één volgt niet logisch uit het ander, nog daargelaten dat er in onderhavige zaak geen reden is om af te wijken van de hoofdregel inhoudende dat de inspecteur niet aan inlichtingen zijdens de Belastingtelefoon is gebonden. Bovendien geldt dat belanghebbende, die jurist is, redelijkerwijs dient te beseffen dat een dubbele aftrek ‘too good to be true’ is.
18. De rechtbank overweegt verder dat een belastingplichtige aan een voorlopige aanslag niet het vertrouwen kan ontlenen dat de definitieve aanslag tot hetzelfde bedrag zal worden opgelegd. Dat is alleen anders als de belastingplichtige een bepaalde kwestie uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur op dat punt weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. [6]
19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende onvoldoende gesteld, laat staan tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur aannemelijk gemaakt, dat de inspecteur bij het vaststellen van de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 op naam van belanghebbende een weloverwogen standpunt heeft ingenomen, inhoudende dat hetzelfde bedrag twee maal kan worden afgetrokken (eenmaal als restant PGA en eenmaal als verlies uit eerder jaren). Er is door belanghebbende geen schriftelijke vastlegging van een toezegging of iets dergelijks overgelegd. Voor het overige geldt hetgeen de rechtbank hiervoor bij punt 17. heeft geoordeeld.
20. De conclusie luidt dat belanghebbende geen beroep toekomt op in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen.
Heeft de inspecteur het evenredigheidsbeginsel geschonden?
21. De rechtbank vat het beroep van belanghebbende op ‘redelijkheid en billijkheid’ op als een beroep op schending van het evenredigheidsbeginsel, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
22. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de inspecteur het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Hetgeen belanghebbende heeft gesteld omtrent de door de Belastingdienst veroorzaakte bewijsnood en haar persoonlijke omstandigheden kan in ieder geval niet tot de conclusie leiden dat de correctie van de ‘dubbele aftrek’ onevenredig is. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende door het opleggen van de definitieve aanslag (met een ‘bij te betalen’ bedrag van € 4.167 inclusief belastingrente) in benarde financiële omstandigheden is gekomen. Belanghebbende heeft de aanslag inmiddels ook betaald.
Belastingrente
23. Belanghebbende staat primair vernietiging van de belastingrentebeschikking voor en subsidiair matiging, in die zin dat maximaal rente over een periode van drie maanden mag worden berekend. Door aan de Belastingdienst te wijten onzorgvuldigheid is bij het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2022 een bedrag aan rente in rekening gebracht.
24. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de belastingrentebeschikking kan worden vernietigd. Dit zal de rechtbank doen.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is ongegrond voor zover het ziet op de aanslag IB/PVV 2022. Dit betekent dat de aanslag IB/PVV 2022 op naam van belanghebbende in stand blijft. Het beroep voor zover het ziet op de belastingrentebeschikking is gegrond. De rechtbank zal de belastingrentebeschikking vernietigen.
26. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bepaald op € 110,80 verletkosten. De door belanghebbende gevraagde vergoeding voor de kosten van voorbereiding van de zitting wijst de rechtbank af. Die kosten komen op grond van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
27. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart voor zover het op de belastingrentebeschikking ziet, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover het ziet op de aanslag IB/PVV 2022;
  • verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op de belastingrentebeschikking;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de belastingrentebeschikking;
  • vernietigt de belastingrentebeschikking;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 110,80 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 10 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder andere Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, Hoge Raad 4 mei 2018,
2.Zie Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874 en Hoge Raad 23 oktober 2020,
3.Zie Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
4.Zie Hoge Raad 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1206
5.Zie Hoge Raad 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.
6.Zie Hoge Raad 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2996.