ECLI:NL:RBGEL:2026:5526

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
AWB 24_6950
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArtikel 3 Kostenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij aanmanings- en dwangbevelkosten

Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten en kosten van een dwangbevel opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen. De heffingsambtenaar verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk en vernietigde de kosten van aanmaning en dwangbevel. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze beslissing en verzocht tevens om een vergoeding van griffierecht wegens betalingsonmacht.

De rechtbank beoordeelde het beroep op ontvankelijkheid en procesbelang. Hoewel belanghebbende tijdig bezwaar had gemaakt tegen de kosten, oordeelde de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat het instellen van beroep geen verbetering van de positie van belanghebbende kon opleveren. De kosten waren immers al vernietigd en een vergoeding voor proceskosten kon niet in beroep worden gevorderd.

De rechtbank concludeerde dat het ontbreken van procesbelang het beroep fataal was en wees het beroep af. Tevens werd het verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter W. Loof op 10 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6950

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 31 mei 2024.
De heffingsambtenaar heeft aanmaningskosten en kosten dwangbevel aan belanghebbende in rekening gebracht.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en de aanmaningskosten en de kosten van het dwangbevel vernietigd.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht griffierecht gedaan. Dit verzoek is door de rechtbank toegewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende haar bestuurder [persoon 1] , en namens de heffingsambtenaar mr. [persoon 2] en [persoon 3] .

Feiten

1. Met dagtekening 10 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een aanmaning gestuurd in verband met een niet-betaalde legesaanslag (dagtekening
23 december 2023, aanslagnummer [nummer] ). De aanmaningskosten bedragen € 9.
2. Belanghebbende heeft hiertegen bij brief van 19 februari 2024 bezwaar gemaakt. In die brief heeft zij onder meer het volgende vermeld.
“Klacht en bezwaar
In uw schrijven van 10 februari 2024 is sprake van een aanmaning, vermoedelijk vanwege een informatie verzoek bij uw dienst ODRN.
Aanslagnr [nummer]
Wij hebben geen factuur, geen aanslag en ook geen herinnering van uw dienst ontvangen en weten dan ook niet wat deze aanslag betreft. Wij tekenen dan ook bezwaar aan tegen alle opgelegde kosten.
In dit kader verzoeken wij u de betreffende aanslag per omgaande alsnog toe te sturen.
Het komt ons ook vreemd over dat wij ook nimmer per e-mail een herinnering hebben ontvangen en uw dienst direct overgaat tot een aanmaning.
(…)”
3. Met dagtekening 1 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar een dwangbevel aan belanghebbende uitgevaardigd.
4. Belanghebbende heeft hiertegen bij brief van 2 maart 2024 bezwaar gemaakt. In die brief heeft zij onder meer het volgende vermeld:
“Klacht en bezwaar
Op 19 februari 2024 hebben wij schriftelijk ons bezwaar ingediend en wachten op uw antwoord. Onderstaand nogmaals ons betreffende schrijven.
Van uw dienst ontvingen wij uw dwangbevel dd. 1 maart 2024. Zolang wij geen antwoord op ons bezwaar hebben ontvangen verwachten wij geen aanmaning. Wij tekenen dan ook bezwaar aan tegen uw recente schrijven en verwachten uitstel op uw schrijven. Uit het verleden blijkt al vaker het onbehoorlijk beleid en procedures van uw ODRN dienst, waarbij volledig voorbij wordt gegaan aan de inhoud van puur informatie vragen.
(…)”
5. Met datum 30 april 2024 heeft de heffingsambtenaar een hernieuwd bevel tot betaling aan belanghebbende uitgevaardigd.
6. Bij e-mailbericht van 30 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar laten weten dat de kosten van de aanmaning en het dwangbevel niet in rekening gebracht hadden mogen worden:
“Beste heer [gemachtigde] ,
U heeft een klacht betreffende de kostenloze informatie aanvraag. Dit is een aangelegenheid van de ODRN. Ik verzoek u dan ook om daar u klacht te melden
De Gemeente Nijmegen is belast met het verzenden, invorderen van belastingaanslagen en het behandelen van bezwaarschriften van het ODRN.
De aanslag is 23-12-2023 verzonden. (zie bijlage)
Het bezwaar is 28-02-2024 ontvangen. Mijn collega mevr. [naam] heeft in haar mail kenbaar gemaakt dat uitstel van betaling wordt verleend tot dat op het bezwaar is beslist. De aanmaning is 10-02-2024 verzonden en is dan ook terecht verzonden.
Het dwangbevel echter is verzonden op 01-03-2024.
De uitspraak op het bezwaarschrift is 09-03-2024. Het dwangbevel is daarom niet terecht. De uitspraak op dit bezwaar vindt u in de bijlage en wordt per post toegezonden.
Ik kan me de verwarring voorstellen. Daarom worden de kosten van aanmaning en dwangbevel niet in rekening gebracht. De kosten van de aanslag van € 86,60 blijven echter wel verschuldigd.
Ik verzoek u deze per omgaande over te maken op rekening [rekeningnummer] t.n.vn Gemeente Nijmegen o.v.v. aanslagnummer [nummer] .
(…)”
7. Bij uitspraak op bezwaar van 31 mei 2024 zijn de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. In die uitspraak is het volgende vermeld:
“(…)
Ontvankelijkheid (tijdigheid bezwaarschrift)
De wet stelt een aantal eisen aan een bezwaarschrift. Eén van de eisen is dat een bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van de aanmaning of het dwangbevel moet worden ingediend.
Uw bezwaarschrift is te laat ingediend. Omdat uw bezwaar niet tijdig is ingediend kunt u alleen in beroep gaan tegen mijn beslissing dat uw bezwaar te laat is ingediend.

Beslissing

Ik heb besloten de kosten van het dwangbevel te vernietigen. Hieronder kunt u lezen waarom ik dit besluit heb genomen.
Aan u was via de mail kenbaar gemaakt dat naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift uitstel van betaling werd verleend tot dat op het bezwaarschift is beslist. Toch is onterecht op 09-03-2024 een dwangbevel betekend.
Bezwaar tegen de kosten:
De kosten van het dwangbevel zijn geregeld in de Kostenwet (artikel 3).
(…)”

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard door de heffingsambtenaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Voordat de rechtbank daaraan toekomt beoordeelt zij eerst of het beroep van belanghebbende ontvankelijk is.
9. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift verzocht om een kostenveroordeling voor het beroepschrift ‘plus een kleine vergoeding voor het opstellen van alle ingediende bezwaarschriften en portikosten’.
10. In zijn arrest van 11 april 2014 [1] heeft de Hoge Raad bepaald dat een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een procesbelang. De heffingsambtenaar heeft de kosten van de aanmaning en het dwangbevel vernietigd voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar (zie punt 6.). Het instellen van beroep kan belanghebbende wat dit betreft dus niet in een betere positie brengen. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase niet om een kostenvergoeding verzocht en dit kan niet voor het eerst in beroep doen [2] . Het instellen van beroep kan belanghebbende dus ook in dat opzicht niet in een betere positie brengen. Er is daarom geen procesbelang. [3]
12. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat aan het vorenstaande niet afdoet dat de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank tijdig en rechtsgeldig bezwaar aangetekend tegen zowel de aanmaningskosten als de kosten van het dwangbevel. In de door de heffingsambtenaar aangeleverde op de zaak betrekking hebbende stukken zijn brieven van belanghebbende met data 19 februari 2024 (zie punt 2.) en
2 maart 2024 (zie punt 4.) begrepen waarin duidelijk te lezen staat dat bezwaar wordt gemaakt tegen de kosten van aanmaning en de kosten van het dwangbevel. Mede gelet op het e-maibericht van de heffingsambtenaar van 30 mei 2024 (zie punt 6.) had het dictum van de uitspraak op bezwaar van 31 mei 2024 ‘gegrond’ dienen te luiden. Herstel van het dictum kan belanghebbende echter ook niet in een materieel een betere positie brengen. De heffingsambtenaar heeft de kosten van de aanmaning en het dwangbevel ten slotte al vernietigd.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is niet-ontvankelijk.
14. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 10 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2206 r.o. 5.1.