ECLI:NL:RVS:2023:2206
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing standplaatsvergunning visverkoop en proceskostenvergoeding
Het college van burgemeester en wethouders van Bladel verleende op 10 juni 2020 een standplaatsvergunning aan een partij voor de verkoop van vis op het Burg. Van Houdtplein. Appellant, met een visspeciaalzaak aan hetzelfde plein, maakte bezwaar tegen deze vergunning vanwege vermeende strijd met het bestemmingsplan, de Algemene Plaatselijke Verordening en het standplaatsenbeleid, en stelde dat de vergunning tot onevenredige nadelige gevolgen voor hem leidde.
Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en trok later op verzoek van de vergunninghouder de vergunning in. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat dit onjuist was omdat appellant in bezwaar om vergoeding van proceskosten had verzocht, wat procesbelang oplevert.
De Afdeling beoordeelde vervolgens inhoudelijk de beroepsgronden en concludeerde dat het college het besluit van 10 juni 2020 niet onrechtmatig had genomen. De vergunning voldeed aan het standplaatsenbeleid, de vermeende schendingen van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsvereiste waren niet aannemelijk, en het niet persoonlijk innemen van de standplaats was geen weigeringsgrond maar een intrekkingsgrond.
Ten aanzien van de redelijke termijn oordeelde de Afdeling dat deze niet was overschreden in een mate die immateriële schadevergoeding rechtvaardigt. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het niet-ontvankelijkheidsbesluit van de rechtbank vernietigd, maar het beroep inhoudelijk ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.