ECLI:NL:RBGEL:2026:5817

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
K/5001/12206808
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 7:673 lid 7 onder c BWArt. 7:673 lid 8 BWArt. 7:677 BWArt. 7:678 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsgeldig ontslag op staande voet wegens ernstige verbale agressie richting familie werkgever

De werknemer, sinds 1 januari 2025 in dienst als servicemedewerker, werd op 23 februari 2026 op staande voet ontslagen na een telefoongesprek waarin hij ernstige bedreigingen en grove beledigingen uitte richting de familie van de werkgever. De werkgever stelde dat dit gedrag het vertrouwen onherstelbaar had geschaad en een veilige werkomgeving onmogelijk maakte.

De werknemer betwistte het ontslag en vorderde onder meer vernietiging van het ontslag, doorbetaling van loon en toekenning van een transitievergoeding. De kantonrechter beoordeelde of het ontslag rechtsgeldig was gegeven op basis van een samengestelde dringende reden, waarbij de bedreigingen zelfstandig als dringende reden konden gelden.

De kantonrechter oordeelde dat de bedreigingen en verbale agressie ernstig en onacceptabel waren, waardoor het vertrouwen tussen partijen was verbroken. Het ontslag was onverwijld gegeven en de reden was direct en helder meegedeeld. De persoonlijke omstandigheden van de werknemer konden niet leiden tot een andere uitkomst.

Daarom werd het ontslag op staande voet als rechtsgeldig beoordeeld, werden de verzoeken tot vernietiging van het ontslag en toekenning van een transitievergoeding afgewezen. Wel werd de arbeidsomvang van de werknemer vastgesteld op 103,3 uur per maand. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig gegeven wegens ernstige bedreigingen, waardoor geen transitievergoeding wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 12206808 \ HA VERZ 26-85
Beschikking van 17 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mrs. S. el Yahiaoui en [gemachtigde] .
tegen
[verweerder] ,handelend onder de naam [bedrijf] ,
te [woonplaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M. Djamal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek- en verweerschrift
- het aanvullende verzoekschrift van [verzoeker] van 1 juli 2026 en van 3 juli 2026
- aanvullende stukken van [verweerder] van 4 juli 2026
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waar mr. El Yahiaoui en [verweerder] het woord hebben gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde spreekaantekeningen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 2002, is sinds 1 januari 2025 in dienst bij [verweerder] . De functie van [verzoeker] is servicemedewerker.
2.2.
Op 23 februari 2026 heeft een telefoongesprek plaatsgehad tussen [verzoeker] en [verweerder] . Tijdens dat gesprek zijn, voor zover van belang, de volgende uitlatingen gedaan door [verzoeker] :
“ik ga jouw moeder neuken man”
“ik ga jouw moeder laten huilen”
“Op mijn moeder op mijn vader jouw vrouw gaat jou scheiden je gaat zien”
2.3.
[verzoeker] is direct na voornoemd telefoongesprek op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) Hierbij delen wij u mee dat wij uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen wegens een dringende reden in de zin van artikel 7:677 en Pro 7:678 van het Burgerlijk Wetboek.
De dringende reden bestaat uit het volgende:
1. U heeft ons onder druk gezet om met terugwerkende kracht een onterechte ziekmelding
te doen, terwijl u in de betreffende periode gewoon werkzaamheden heeft verricht. Dit
verzoek is dus onrechtmatig en kan leiden tot fraude.Hiervan is bewijs.
2. U heeft ernstige bedreigingen geuit richting werknemers en ons privéleven, waaronder
het dreigen langs te gaan bij het huis van onze ouders, partner en/of kinderen. Dit gedrag
is onacceptabel, intimiderend en mogelijk strafbaar.Hiervan is bewijs.
3. Door dit handelen heeft u het vertrouwen onherstelbaar geschaad en een veilige
werkomgeving onmogelijk gemaakt.
Wij hebben deze gedragingen zorgvuldig beoordeeld en zijn tot de conclusie gekomen dat
voortzetting van het dienstverband niet langer mogelijk is. Uw arbeidsovereenkomst eindigt
daarom per direct op 23 februari 2026. (…)”

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
het ontslag op staande voet te vernietigen,
[verweerder] te veroordelen tot doorbetaling van het salaris vanaf 23 februari 2026, vermeerderd met emolumenten, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,
[verweerder] te veroordelen om [verzoeker] binnen twee dagen na de beschikking toe te laten tot de werkvloer voor zijn gebruikelijke werkzaamheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag, althans een gedeelte daarvan, met een maximum van € 10.000,00,
Subsidiair
[verweerder] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding, alle bedragen vermeerderd met de wettelijke rente,
Meer subsidiair
voor recht te verklaren dat het ontslag niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] en [verweerder] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding met wettelijke rente,
Uiterst subsidiair
[verweerder] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding met wettelijke rente, omdat het niet toekennen hiervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
In alle gevallen
voor recht te verklaren dat de arbeidsomvang van [verzoeker] 103,3 uur per maand bedraagt,
[verweerder] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de eigen bijdrage voor rechtsbijstand van € 188,00,
[verweerder] te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
[verzoeker] legt, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag dat [verweerder] hem ten onrechte op 23 februari 2026 op staande voet heeft ontslagen.
3.3.
[verweerder] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de verzoeken, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze zaak ligt de vraag voor of het aan [verzoeker] op 23 februari 2026 verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
4.2.
Op grond van de wet is een ontslag op staande voet alleen geldig als er sprake is van een dringende reden, het ontslag onverwijld is gegeven en de reden meteen aan de werknemer is meegedeeld. Omdat de gevolgen voor een werknemer groot zijn, gelden hier strenge eisen. Een dringende reden betreft gedragingen die maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling daarvan moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang worden gewogen.
4.3.
In de ontslagbrief heeft [verweerder] een samengesteld feitencomplex aan het ontslag ten grondslag gelegd, bestaande uit het 1) onder druk zetten van [verweerder] tot het doen van een onterechte ziekmelding met terugwerkende kracht en 2) het uiten van ernstige bedreigingen richting de familie van [verweerder] en zijn medewerkers.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat wanneer een werkgever zo’n samengestelde reden hanteert, maar uiteindelijk slechts een deel van de feiten vast komt te staan, het ontslag volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad toch stand kan houden. Wel moet dan aan drie strikte voorwaarden worden voldaan. Allereerst moet het gedeelte van de feiten dat wel vaststaat op zichzelf beschouwd kunnen worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet. Daarnaast moet de werkgever aannemelijk maken dat deze de werknemer ook slechts om dat overblijvende deel op staande voet zou hebben ontslagen. Tot slot moet dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van de brief en de overige omstandigheden van het geval direct zo duidelijk zijn geweest dat daar redelijkerwijs geen twijfel over kon bestaan.
4.5.
De kantonrechter stelt vast dat de geuite bedreigingen en het onder druk zetten tot het doen van een onterechte ziekmelding twee op zichzelf staande verwijten zijn. Omdat de kantonrechter van oordeel is dat de bedreigingen het ontslag op staande voet zelfstandig kunnen dragen, wordt deze grond als eerste beoordeeld. In dat verband overweegt de kantonrechter als volgt.
4.6.
Vaststaat dat [verzoeker] tijdens het telefoongesprek op 23 februari 2026 de vastgestelde grove uitlatingen heeft gedaan aan het adres van [verweerder] . Hoewel [verzoeker] heeft aangevoerd dat deze uitlatingen moeten worden geplaatst in de context van een hoog opgelopen conflict en hij slechts emotioneel reageerde, kan dit zijn gedrag op geen enkele wijze rechtvaardigen. Zelfs in het licht van een geëscaleerd conflict is het uiten van zulke intimiderende en diep kwetsende bewoordingen over de moeder en de echtgenote van [verweerder] volstrekt onacceptabel.
4.7.
Het verweer van [verzoeker] dat zijn uitspraak over de echtgenote geen intimidatie of bedreiging was, maar slechts een aankondiging dat hij haar wilde informeren over vermeende fraude door [verweerder] , overtuigt evenmin. Dit standpunt is in het licht van het gehele gesprek feitelijk niet te volgen. De bewuste uitlating kan niet los worden gezien van de direct daaraan voorafgaande grove beledigingen aan het adres van de moeder van [verweerder] . In onderlinge samenhang bezien zijn de uitlatingen naar hun aard overduidelijk intimiderend en bedreigend bedoeld. Een dergelijke vorm van verbale agressie maakt het noodzakelijke vertrouwen voor een gezonde werkrelatie in één klap onmogelijk en levert een dringende reden op voor een ontslag op staande voet.
4.8.
[verweerder] heeft daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat hij [verzoeker] ook uitsluitend vanwege deze bedreigingen op staande voet zou hebben ontslagen. Het uiten van dergelijke ernstige bedreigingen vormde voor [verweerder] een absolute grens. [verzoeker] heeft in dit verband betoogd dat [verweerder] eerst een lichtere maatregel had moeten inzetten, zoals een waarschuwing. De kantonrechter oordeelt echter dat de ernst van de gedragingen zo groot is, dat van [verweerder] in redelijkheid niet kon worden gevergd het dienstverband nog een dag te laten voortbestaan. Een voorafgaande waarschuwing was dan ook niet vereist.
4.9.
[verzoeker] heeft aangevoerd dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, omdat [verweerder] zich in de ontslagbrief en het verweerschrift mede baseert op eerdere WhatsApp-berichten en gedragingen die [verweerder] al langer bekend waren. Ook dit verweer slaagt niet. De kantonrechter overweegt dat de directe aanleiding voor het ontslag op staande voet was gelegen in de hernieuwde, ernstige escalatie tijdens het telefoongesprek op 23 februari 2026. [verweerder] heeft direct na dit incident het ontslag verleend en de ontslagbrief opgesteld. Het ontslag is derhalve onverwijld gegeven.
4.10.
De kantonrechter overweegt voorts dat de reden voor het ontslag direct en helder aan [verzoeker] is meegedeeld. De geuite bedreigingen staan immers duidelijk in de ontslagbrief omschreven. Gelet op de ernst en de aard van deze uitlatingen kon er bij [verzoeker] redelijkerwijs geen enkele twijfel over bestaan dat dit intimiderende gedrag de directe en doorslaggevende reden was voor zijn onmiddellijke ontslag. Het moest voor hem meteen duidelijk zijn dat [verweerder] hem alleen al om deze reden op staande voet zou ontslaan. Daarmee staat vast dat deze reden voor [verzoeker] , in het licht van de gehele inhoud van de brief en de overige omstandigheden van het geval, direct zo duidelijk is geweest dat daar redelijkerwijs geen twijfel over kon bestaan.
4.11.
De kantonrechter heeft de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] , waaronder zijn jonge leeftijd en de ingrijpende financiële gevolgen van het ontslag op staande voet, in de beoordeling betrokken. De ernst van de gedraging is in dit geval echter zo groot dat deze persoonlijke omstandigheden niet tot het oordeel kunnen leiden dat het ontslag op staande voet een te zware maatregel was. Het belang van [verweerder] bij een onmiddellijke beëindiging van het dienstverband weegt hier zwaarder.
4.12.
Nu de bedreigingen het ontslag op staande voet zelfstandig kunnen dragen en aan alle vereisten voor de geldigheid van een ontslag op basis van één vaststaande dringende reden uit een opsomming van meerdere dringende redenen is voldaan, behoeven de overige door partijen aangevoerde standpunten geen bespreking meer.
4.13.
De conclusie is dat het ontslag op staande voet op 23 februari 2026 rechtsgeldig is gegeven. Dit betekent dat de primaire verzoeken van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet, doorbetaling van het loon vanaf 23 februari 2026 en toelating tot de werkvloer inclusief de gevorderde dwangsom worden afgewezen. Uit artikel 7:681 lid 1 onder Pro a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel
7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, zal het subsidiaire verzoek van [verzoeker] om toekenning van die billijke vergoeding worden afgewezen. Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt afgewezen, nu hier geen sprake van is. De onder dit subsidiaire verzoek eveneens gevorderde transitievergoeding deelt de inhoudelijke beoordeling van het meer subsidiaire verzoek en zal hierna worden behandeld.
4.14.
Ook het meer subsidiaire verzoek om voor recht te verklaren dat het ontslag niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt afgewezen. De feiten en omstandigheden die de dringende reden voor het ontslag vormen, brengen in dit geval mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [verzoeker] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Hoewel een dringende reden niet in alle gevallen direct leidt tot ernstige verwijtbaarheid, is dat hier wel het geval. [verzoeker] heeft zich schuldig gemaakt aan grove, intimiderende en diep kwetsende uitlatingen aan het adres van de familieleden van [verweerder] . Het zo grof aanspreken en intimideren van (de familie van) [verweerder] is een ernstige overschrijding van wat van een goed werknemer mag worden verwacht. Dit gedrag is zo grensoverschrijdend dat het zonder meer als ernstig verwijtbaar moet worden gekwalificeerd. Nu het eindigen van de arbeidsovereenkomst het directe gevolg is van dit gedrag kan [verzoeker] geen aanspraak maken op de transitievergoeding.
4.15.
De kantonrechter ziet ook geen reden om de transitievergoeding aan [verzoeker] toe te kennen op grond van artikel 7:673 lid 8 BW Pro, zoals door [verzoeker] uiterst subsidiair is verzocht. Zijn stelling dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat hij direct zonder inkomen zit, is onvoldoende om in afwijking van artikel 7:673 lid 7 onder Pro c BW de transitievergoeding toe te kennen. De zware financiële gevolgen zijn inherent aan de maatregel en het rechtstreekse gevolg van zijn eigen ernstig verwijtbare gedrag.
4.16.
[verzoeker] verzoekt voorts een verklaring voor recht dat zijn arbeidsomvang 103,3 uur per maand bedraagt. Nu hiertegen door [verweerder] geen verweer is gevoerd, zal de kantonrechter het verzoek als op de wet gegrond toewijzen. Voor zover [verzoeker] heeft verzocht deze verklaring voor recht uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wordt dat deel van het verzoek afgewezen. Een verklaring voor recht kan immers naar haar aard niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat zo’n beslissing zich niet leent voor feitelijke tenuitvoerlegging.
4.17.
[verzoeker] vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
4.18.
[verzoeker] verzoekt tot slot [verweerder] te veroordelen tot betaling van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand van € 188,00. Nu [verzoeker] hier geen grondslag voor heeft gesteld wordt dit verzoek afgewezen.
4.19.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de arbeidsomvang van [verzoeker] 103,3 uur per maand bedraagt,
5.2.
wijst af het meer of anders verzochte,
5.3.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
26396 \ 53854