De zaak betreft het beroep van Coöperatie Mobilisation for the Environment tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Putten om de aanvraag tot gedeeltelijke intrekking van een milieuvergunning voor een eendenhouderij te weigeren. De milieuvergunning was verleend in 2011 en betrof onder meer het houden van vleeseenden.
Eiseres stelde dat er sinds 2017 geen vleeseenden meer werden gehouden en verzocht het college om de vergunning gedeeltelijk in te trekken. Het college weigerde dit, met als motivering dat de agrarische bedrijfsvoering stil lag vanwege onder meer de coronapandemie, stikstofproblematiek en vogelgriep, en dat het bedrijf mogelijkheden onderzoekt voor voortzetting van agrarische activiteiten. De rechtbank oordeelt dat het college de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd, met name door het ontbreken van een afweging van de positieve milieugevolgen van intrekking en onvoldoende onderbouwing van de plannen van vergunninghouder.
De rechtbank stelt vast dat het college bevoegd is de vergunning gedeeltelijk in te trekken omdat er drie aaneengesloten jaren geen vleeseenden zijn gehouden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en bepaalt dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast is het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten en wijst op de mogelijkheid van overleg tussen partijen over de voortzetting van de procedure.