Beoordeling door de rechtbank
Wat is het wettelijk kader?
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een omgevingsvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken is gedaan op 17 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. Artikel 2.33, tweede lid, van de Wabo luidt als volgt:
“Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover:
a. gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.”
Wat is de omvang van het geding?
5. De aanvraag bepaalt de omvang van het geding. De rechtbank stelt vast dat het intrekkingsverzoek van 17 mei 2022 alleen betrekking heeft op de vleeseenden. Het verzoek en het bestreden besluit heeft dus geen betrekking op de schapen, scharrelkippen, geiten, pauwen en duiven waarvoor ook een milieuvergunning is verleend.
Wat is het toetsingskader?
6. Uit de tekst van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo en uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de intrekking van een omgevingsvergunning op grond van deze bepaling geen verplichting is, maar een bevoegdheid. Deze bevoegdheid tot het (gedeeltelijk) intrekken van de milieuvergunning bestaat als er gedurende tenminste drie aaneengesloten jaren minder dieren zijn gehouden dan het aantal waarop de omgevingsvergunning recht geeft. Daarbij moet niet het aantal dieren per stal worden bekeken, maar het aantal dieren dat per diercategorie in de inrichting als geheel mag worden gehouden.
Bij de toepassing van deze bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. Daarbij moet het college in een individueel geval een gemotiveerde afweging maken of het gelet op de betrokken belangen wel of geen gebruik wenst te maken van deze bevoegdheid. Bij de toepassing van deze bevoegdheid moet het college de relevante belangen inventariseren en afwegen, waaronder de belangen van de vergunninghouder, zoals zijn financiële en bedrijfsbelangen. Het college kan met het oog op de rechtszekerheid van de vergunninghouder aan zijn belangen bij het behoud van de vergunning een zwaarwegend gewicht toekennen. Daarbij mag het college verder in aanmerking nemen of het niet gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De rechter toetst vervolgens of het college redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen.
De beroepsgronden van eiseres
7. Eiseres betoogt dat het college de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens eiseres heeft het college alleen de (financiële) belangen van vergunninghouder in de afweging betrokken en de milieubelangen, zoals de verbetering van de geursituatie en de vermindering van ammoniakdepositie, niet. Volgens eiseres is de verwachting dat vergunninghouder in de nabije toekomst volledig gebruik van de veranderingsvergunning zal maken niet onderbouwd met stukken en is ook onduidelijk hoe het college heeft meegewogen of het niet (geheel) gebruik maken van de vergunning de vergunninghouder kan worden aangerekend.
De nadere motivering van het college
8. Het college heeft op de zitting een controlerapport van 28 november 2025 overgelegd met daarin gegevens uit AVINED. In het rapport staan de verplaatsingsdatum, de geboortedatum en het aantal eenden dat wordt aan- en afgevoerd in de periode tussen 1 december 2022 en 2 oktober 2025. Het college heeft aangegeven dat de meitellingen het gemiddelde over het jaar weergeven. Dat kan, anders dan bij rundvee en varkens, een vertekend beeld geven. Dat is de reden dat in het nieuwe controlerapport voor de aanwezige dieraantallen naar gegevens uit AVINED is gekeken in plaats van naar de meitellingen, zoals in het bestreden besluit is gedaan.
Is het college bevoegd om de milieuvergunning in te trekken?
9. In het bestreden besluit heeft het college het standpunt ingenomen dat hij bevoegd is om de milieuvergunning gedeeltelijk in te trekken, maar daar vanwege de belangenafweging van afziet. Daarbij is niet concreet gemaakt voor welk aantal eenden het college zich bevoegd acht. Verder blijkt uit het nieuwe controlerapport en de toelichting op de zitting dat de aantallen dieren in het bedrijf sterk wisselen. Vergunninghouder heeft ook toegelicht dat eieren worden aangeleverd en dat de exacte aantallen eenden wisselen omdat niet alle eieren uitkomen. In normale tijden gaat het om (gemiddeld) rond de 7.000 eenden per cyclus. De eenden in een cyclus blijven ongeveer zes weken in de stallen en gaan dan op hetzelfde moment weg. Dit houdt in dat er tegelijkertijd twee cycli in de stallen zitten, eenden van ongeveer 1 tot 3 weken oud en eenden van 3 tot 6 weken oud, tezamen dus ongeveer 14.000 eenden. Het aanleveren van een nieuwe cyclus en het weghalen van de oudste eenden gebeurt echter niet altijd op hetzelfde moment. Het kan gebeuren dat de oudste eenden al zijn weggehaald voordat de nieuwe eenden arriveren en er dus tijdelijk maar één groep aanwezig is. Ook kan het gebeuren dat oudste eenden nog aanwezig zijn als de nieuwe groep aankomt, zodat er dan drie cycli aanwezig zijn: de net aangekomen eenden, eenden van ongeveer 3 weken oud en eenden van ongeveer 6 weken oud. Dan kunnen er dus tijdelijk aanzienlijk meer dan 14.000 eenden aanwezig zijn.
10. De rechtbank overweegt dat uit deze gegevens en de gegeven toelichting blijkt dat het maar de vraag is of het college wel bevoegd was om de milieuvergunning in te trekken. De bevoegdheid tot het (gedeeltelijk) intrekken van de milieuvergunning bestaat immers pas als er gedurende tenminste drie aaneengesloten jaren minder dieren zijn gehouden dan het aantal waarop de omgevingsvergunning recht geeft. Het had op de weg van het college gelegen om bijvoorbeeld aan de hand van de AVINED-gegevens te onderbouwen dat in de drie jaar voorafgaand aan het besluit van 13 februari 2023 daadwerkelijk minder dan 17.190 eenden werden gehouden, en dat het college dus bevoegd was om de milieuvergunning gedeeltelijk in te trekken en zo ja, tot welk aantal vleeseenden.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Is de belangenafweging afdoende gemotiveerd?
10.1.Als het college zich op het standpunt stelt dat er een bevoegdheid bestaat om de milieuvergunning gedeeltelijk in te trekken, dan dient het college de relevante belangen in kaart te brengen. Aan de ene kant zijn dat de belangen van vergunninghouder en aan de andere kant de (positieve) milieugevolgen van deze gedeeltelijke intrekking, zoals de verbetering van de geluid- of geursituatie voor omwonenden of de vermindering van de ammoniakdepositie.In het bestreden besluit is op de positieve milieugevolgen in het geheel niet ingegaan, waardoor de belangenafweging een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek kent.
De omstandigheid dat in de milieuvergunning de milieugevolgen zijn beoordeeld maakt, anders dan het college heeft betoogd, niet dat deze milieugevolgen bij een intrekkingsbesluit niet in kaart hoeven te worden gebracht. Dit standpunt zou er namelijk op neerkomen dat (positieve) milieugevolgen nooit een belang vormen om mee te nemen in het intrekkingsbesluit. Dat stikstofdepositie in de natuurvergunning een rol speelt, maakt daarnaast niet dat dit milieugevolg niet ook bij de intrekking van een milieuvergunning moet worden meegewogen. Ammoniakdepositie vormt immers ook bij het verlenen van de milieuvergunning een milieuaspect dat dient te worden beoordeeld.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college in het bestreden besluit de verwachting dat vergunninghouder in de nabije toekomst volledig gebruik zal maken van de milieuvergunning onvoldoende heeft onderbouwd. De beroepsgrond slaagt. Of de toelichting die de vergunninghouder en het college op de zitting hebben gegeven wel voldoende is, bespreekt de rechtbank hierna.