ECLI:NL:RBGEL:2026:737

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
24-3299
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.33 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6:20 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering intrekking milieuvergunning eendenhouderij wegens onvoldoende motivering

Eiseres verzocht het college om gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning voor een eendenhouderij, omdat minder dieren werden gehouden dan vergund. Het college weigerde dit en motiveerde het besluit onvoldoende, met name door het ontbreken van een afweging van milieubelangen zoals geur- en ammoniakreductie.

Tijdens de beroepsprocedure overhandigde het college nieuwe gegevens over dierenaantallen, waarmee het motiveringsgebrek deels werd hersteld. De rechtbank oordeelt dat het college mogelijk bevoegd was tot intrekking, maar dat het onvoldoende heeft onderbouwd of en in hoeverre deze bevoegdheid bestond en welke belangen zijn meegewogen.

De rechtbank stelt dat het college de belangen van vergunninghouder en milieubelangen moet afwegen en dat de positieve milieugevolgen niet zijn betrokken. Toch acht de rechtbank het college redelijk in het besluit om de vergunning niet in te trekken, mede omdat vergunninghouder sinds 2018 de vergunning volledig gebruikt.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van intrekking van de milieuvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3299

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen, eiseres

(gemachtigde: mr. M. Woudwijk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten, het college

(gemachtigde: E. Verbree).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [plaats], vergunninghouder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om de aan vergunninghouder verleende milieuvergunning van 26 september 2011 gedeeltelijk in te trekken. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat het besluit niet goed genoeg is gemotiveerd. De rechtbank laat echter vanwege de nadere motivering in het verweerschrift en de toelichting op de zitting de rechtsgevolgen in stand. Dat betekent dat deze procedure ten einde is.

Procesverloop

2. Vergunninghouder exploiteert op het perceel [locatie] te [plaats] een eendenhouderij. Het college heeft op 26 september 2011 aan vergunninghouder een veranderingsvergunning verleend waarin de volgende dieraantallen zijn vergund:
2.1.
Eiseres heeft in de aanvraag van 17 mei 2022 aangegeven dat uit de meitellingen uit de periode van 2010 tot op heden blijkt dat minder vleeseenden worden gehouden dan vergund. Eiseres verzoekt het college daarom om de veranderingsvergunning van 26 september 2011 (hierna: de milieuvergunning) gedeeltelijk in te trekken. Het college is daartoe volgens eiseres bevoegd op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.2.
In het primaire besluit van 13 februari 2023 heeft het college geweigerd om de milieuvergunning in te trekken.
2.3.
Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend.
2.4.
Op 9 september 2023 heeft een controle plaatsgevonden op het perceel.
2.5.
Eiseres heeft op 21 mei 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank omdat niet tijdig op het bezwaarschrift is beslist.
2.6.
In het bestreden besluit van 16 juli 2024 heeft het college het besluit van 13 februari 2023 in stand gelaten met de volgende motivering:
“Zoals de commissie terecht overweegt in haar advies zijn er in de afgelopen 3 jaar beperkt minder dieren gehouden in de inrichting. Uit de rechtspraak blijkt dat wij bij het maken van een afweging om al dan niet gebruik te maken van onze bevoegdheid om een toestemming geheel of gedeeltelijk in te trekken wij alle relevante belangen inventariseren en af te wegen.
Wij ontvingen van de heer [persoon A], een overzicht van het aantal dieren dat gemiddeld wordt gehouden. Uit dit overzicht blijkt dat in 2021 gemiddeld meer dan 12.000 vleeseenden werden gehouden (de piekbezetting was dus meer dan 12.000 vleeseenden). In 2022 was dit aantal minder door de vogelgriep. Tijdens een controle van 9 september 2023 is vastgesteld dat alle vergunde stallen in gebruik zijn en dat er in die stallen op dat moment ongeveer 11.500 vleeseenden werden gehouden. Ten opzichte van de vergunde situatie is dit relatief een beperkt aantal vleeseenden minder dan de vigerende vergunning toestaat (17.190 stuks). Wel is dit fors meer dan het aantal vleeseenden in 2019 en 2020. In deze jaren werden blijkens de "meitellingen" 6.971 en 6.681 vleeseenden gehouden. Ook zien we dat de bezetting ten opzichte van 2022 (vogelgriep) al weer fors is toegenomen.
Het college stelt vast dat de vergunde milieusituatie niet afwijkt van de ruimtelijke bestemming. Bezwaarmaker stelt overigens niet dat dit anders is.
Uit een verklaring van [naam bedrijf] blijkt dat de reële verwachting is dat op momenten de stallen optimaal bezet worden. Hierbij overwegen we dat de vergunde situatie ziet op het maximaal aantal dieren dat tijdens een piekbezetting gehouden mag worden. Bij een bedrijfsvoering in overeenstemming met de vergunning zal het dus gebruikelijk zijn dat het aantal eenden dat daadwerkelijk in de stallen aanwezig is, minder is dan het vergunde aantal eenden. De kans is reëel dat in de nabije toekomst de vergunning weer volledig gebruikt gaat worden. Dit afwegende tegen de belangen van de verzoeker en de algemene belangen maakt dat wij het onevenredig bezwarend vinden om gebruik maken van onze bevoegdheid tot het gedeeltelijk intrekken van de vergunning.”
2.7.
Het beroep heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op dit alsnog genomen besluit. Eiseres heeft beroepsgronden ingediend en het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Op deze zitting zijn ook twee beroepen van eiseres tegen vergelijkbare weigeringsbesluiten van het college behandeld (zaaknummers 24/3301 en 24/3302). Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en namens vergunninghouder [persoon A] en [persoon B].

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het wettelijk kader?
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een omgevingsvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken is gedaan op 17 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. Artikel 2.33, tweede lid, van de Wabo luidt als volgt:
“Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover:
a. gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.”
Wat is de omvang van het geding?
5. De aanvraag bepaalt de omvang van het geding. De rechtbank stelt vast dat het intrekkingsverzoek van 17 mei 2022 alleen betrekking heeft op de vleeseenden. Het verzoek en het bestreden besluit heeft dus geen betrekking op de schapen, scharrelkippen, geiten, pauwen en duiven waarvoor ook een milieuvergunning is verleend.
Wat is het toetsingskader?
6. Uit de tekst van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo en uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de intrekking van een omgevingsvergunning op grond van deze bepaling geen verplichting is, maar een bevoegdheid. Deze bevoegdheid tot het (gedeeltelijk) intrekken van de milieuvergunning bestaat als er gedurende tenminste drie aaneengesloten jaren minder dieren zijn gehouden dan het aantal waarop de omgevingsvergunning recht geeft. Daarbij moet niet het aantal dieren per stal worden bekeken, maar het aantal dieren dat per diercategorie in de inrichting als geheel mag worden gehouden.
Bij de toepassing van deze bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. Daarbij moet het college in een individueel geval een gemotiveerde afweging maken of het gelet op de betrokken belangen wel of geen gebruik wenst te maken van deze bevoegdheid. Bij de toepassing van deze bevoegdheid moet het college de relevante belangen inventariseren en afwegen, waaronder de belangen van de vergunninghouder, zoals zijn financiële en bedrijfsbelangen. Het college kan met het oog op de rechtszekerheid van de vergunninghouder aan zijn belangen bij het behoud van de vergunning een zwaarwegend gewicht toekennen. Daarbij mag het college verder in aanmerking nemen of het niet gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De rechter toetst vervolgens of het college redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen. [1]
De beroepsgronden van eiseres
7. Eiseres betoogt dat het college de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens eiseres heeft het college alleen de (financiële) belangen van vergunninghouder in de afweging betrokken en de milieubelangen, zoals de verbetering van de geursituatie en de vermindering van ammoniakdepositie, niet. Volgens eiseres is de verwachting dat vergunninghouder in de nabije toekomst volledig gebruik van de veranderingsvergunning zal maken niet onderbouwd met stukken en is ook onduidelijk hoe het college heeft meegewogen of het niet (geheel) gebruik maken van de vergunning de vergunninghouder kan worden aangerekend.
De nadere motivering van het college
8. Het college heeft op de zitting een controlerapport van 28 november 2025 overgelegd met daarin gegevens uit AVINED. In het rapport staan de verplaatsingsdatum, de geboortedatum en het aantal eenden dat wordt aan- en afgevoerd in de periode tussen 1 december 2022 en 2 oktober 2025. Het college heeft aangegeven dat de meitellingen het gemiddelde over het jaar weergeven. Dat kan, anders dan bij rundvee en varkens, een vertekend beeld geven. Dat is de reden dat in het nieuwe controlerapport voor de aanwezige dieraantallen naar gegevens uit AVINED is gekeken in plaats van naar de meitellingen, zoals in het bestreden besluit is gedaan.
Is het college bevoegd om de milieuvergunning in te trekken?
9. In het bestreden besluit heeft het college het standpunt ingenomen dat hij bevoegd is om de milieuvergunning gedeeltelijk in te trekken, maar daar vanwege de belangenafweging van afziet. Daarbij is niet concreet gemaakt voor welk aantal eenden het college zich bevoegd acht. Verder blijkt uit het nieuwe controlerapport en de toelichting op de zitting dat de aantallen dieren in het bedrijf sterk wisselen. Vergunninghouder heeft ook toegelicht dat eieren worden aangeleverd en dat de exacte aantallen eenden wisselen omdat niet alle eieren uitkomen. In normale tijden gaat het om (gemiddeld) rond de 7.000 eenden per cyclus. De eenden in een cyclus blijven ongeveer zes weken in de stallen en gaan dan op hetzelfde moment weg. Dit houdt in dat er tegelijkertijd twee cycli in de stallen zitten, eenden van ongeveer 1 tot 3 weken oud en eenden van 3 tot 6 weken oud, tezamen dus ongeveer 14.000 eenden. Het aanleveren van een nieuwe cyclus en het weghalen van de oudste eenden gebeurt echter niet altijd op hetzelfde moment. Het kan gebeuren dat de oudste eenden al zijn weggehaald voordat de nieuwe eenden arriveren en er dus tijdelijk maar één groep aanwezig is. Ook kan het gebeuren dat oudste eenden nog aanwezig zijn als de nieuwe groep aankomt, zodat er dan drie cycli aanwezig zijn: de net aangekomen eenden, eenden van ongeveer 3 weken oud en eenden van ongeveer 6 weken oud. Dan kunnen er dus tijdelijk aanzienlijk meer dan 14.000 eenden aanwezig zijn.
10. De rechtbank overweegt dat uit deze gegevens en de gegeven toelichting blijkt dat het maar de vraag is of het college wel bevoegd was om de milieuvergunning in te trekken. De bevoegdheid tot het (gedeeltelijk) intrekken van de milieuvergunning bestaat immers pas als er gedurende tenminste drie aaneengesloten jaren minder dieren zijn gehouden dan het aantal waarop de omgevingsvergunning recht geeft. Het had op de weg van het college gelegen om bijvoorbeeld aan de hand van de AVINED-gegevens te onderbouwen dat in de drie jaar voorafgaand aan het besluit van 13 februari 2023 daadwerkelijk minder dan 17.190 eenden werden gehouden, en dat het college dus bevoegd was om de milieuvergunning gedeeltelijk in te trekken en zo ja, tot welk aantal vleeseenden.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Is de belangenafweging afdoende gemotiveerd?
10.1.
Als het college zich op het standpunt stelt dat er een bevoegdheid bestaat om de milieuvergunning gedeeltelijk in te trekken, dan dient het college de relevante belangen in kaart te brengen. Aan de ene kant zijn dat de belangen van vergunninghouder en aan de andere kant de (positieve) milieugevolgen van deze gedeeltelijke intrekking, zoals de verbetering van de geluid- of geursituatie voor omwonenden of de vermindering van de ammoniakdepositie. [2] In het bestreden besluit is op de positieve milieugevolgen in het geheel niet ingegaan, waardoor de belangenafweging een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek kent.
De omstandigheid dat in de milieuvergunning de milieugevolgen zijn beoordeeld maakt, anders dan het college heeft betoogd, niet dat deze milieugevolgen bij een intrekkingsbesluit niet in kaart hoeven te worden gebracht. Dit standpunt zou er namelijk op neerkomen dat (positieve) milieugevolgen nooit een belang vormen om mee te nemen in het intrekkingsbesluit. Dat stikstofdepositie in de natuurvergunning een rol speelt, maakt daarnaast niet dat dit milieugevolg niet ook bij de intrekking van een milieuvergunning moet worden meegewogen. Ammoniakdepositie vormt immers ook bij het verlenen van de milieuvergunning een milieuaspect dat dient te worden beoordeeld.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college in het bestreden besluit de verwachting dat vergunninghouder in de nabije toekomst volledig gebruik zal maken van de milieuvergunning onvoldoende heeft onderbouwd. De beroepsgrond slaagt. Of de toelichting die de vergunninghouder en het college op de zitting hebben gegeven wel voldoende is, bespreekt de rechtbank hierna.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd vanwege strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Finale geschilbeslechting
11.1.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen kan vanwege de gegevens en toelichting over de aantallen eenden die worden gehouden, maar die grotendeels dateren van ná het primaire besluit, worden betwijfeld of het college wel bevoegd was om de milieuvergunning in te trekken. Omdat de rechtbank dit op basis van de aangeleverde gegevens niet vast kan stellen, kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien door te oordelen dat het college onbevoegd was om de milieuvergunning in te trekken.
Ook als het college bevoegd zou zijn geweest om de milieuvergunning in te trekken, dan is de rechtbank echter van oordeel dat het college in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de milieuvergunning niet gedeeltelijk in te trekken. Vast staat dat vergunninghouder sinds de bedrijfsovername in 2018 de bedoeling heeft om de milieuvergunning volledig te gebruiken en dat hij dat in een normale bedrijfssituatie ook doet. Uit het op de zitting overlegde controlerapport met AVINED-gegevens blijkt dat vergunninghouder in ieder geval ná het primaire besluit volledig gebruik heeft gemaakt van de milieuvergunning. Daarmee is alsnog afdoende gemotiveerd dat het aannemelijk is dat de vergunninghouder volledig gebruik zal maken van de veranderingsvergunning. [3] Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande in redelijkheid het belang van vergunninghouder bij het niet intrekken van de milieuvergunning zwaarder kunnen laten wegen.
Omdat met de nadere motivering het motiveringsgebrek is hersteld, laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat de weigering om de milieuvergunning in te trekken in stand blijft en dat deze procedure met deze uitspraak ten einde is gekomen.
Proceskosten en griffierecht
12. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder is niet gebleken van kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 16 juli 2024;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. A.L.M. Steinebach-de Wit en mr. S.E.M. Lichtenberg, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2142), overweging 4.3 en 7.
2.Zie overweging 7.2 van de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1892).
3.Zie ter vergelijking overweging 17 uit de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:213).