ECLI:NL:RBGEL:2026:757

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
ARN 24/1542
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:106 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArtikel 3, eerste lid, Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging UWV-besluit afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende motivering

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering per 7 november 2023, welke door het UWV is afgewezen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De afwijzing is gebaseerd op een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek, waarbij de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opstelde die uitgaat van een belastbaarheid die volgens de rechtbank onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts de beperkingen van eiser heeft onderschat door uit te gaan van een therapeutisch oogpunt dat eiser meer moet bewegen, terwijl het onderzoek zich moet richten op de belastbaarheid op de datum in geding. De combinatie van morbide obesitas en hernia en de feitelijke klachten van eiser, die hoofdzakelijk liggend de dag doorbrengt, zijn onvoldoende meegenomen in de motivering.

Het UWV heeft na een tussenuitspraak en aanvullende vragen van de rechtbank geprobeerd het besluit nader te onderbouwen, maar de motivering blijft ontoereikend. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, met inachtneming van deze uitspraak. Het griffierecht wordt aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het UWV-besluit tot afwijzing van de WIA-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/1542

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: R.V. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Eiser krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering met ingang van 7 november 2023. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 10 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 februari 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.
2.4.
In de tussenuitspraak van 7 augustus 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het UWV heeft daarvoor vier weken de tijd gekregen.
2.5.
Het UWV heeft gereageerd op de tussenuitspraak en het bestreden besluit nader onderbouwd.
2.6.
De rechtbank heeft, alvorens eiser de gelegenheid te geven op de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) te reageren, een aanvullende vraag aan de verzekeringsarts b&b gesteld. Het UWV heeft opnieuw vier weken de tijd gekregen om de vraag te beantwoorden.
2.7.
Het UWV heeft gereageerd op de aanvullende vraag.
2.8.
Eiser heeft schriftelijk gereageerd op de reacties van de verzekeringsarts b&b.
2.9.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiser heeft zich met ingang van 9 november 2021 wegens gezondheidsklachten ziekgemeld, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangt. Eiser heeft voorafgaand aan zijn WW-uitkering gewerkt als magazijnmedewerker gedurende gemiddeld 30,80 uren per week. Met het besluit van 9 februari 2022 is aan eiser, na dertien weken van arbeidsongeschiktheid, ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Eiser heeft na twee jaren arbeidsongeschiktheid per 7 november 2023, zijnde de datum in geding, een WIA-uitkering aangevraagd.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Bij besluit van 10 november 2023 heeft het UWV eisers aanvraag om een WIA-uitkering afgewezen, omdat hij op de datum in geding minder dan 35% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag, gebaseerd op een medisch onderzoek van de verzekeringsarts en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige. Van het onderzoek van de verzekeringsarts is verslag gedaan in een medische rapportage van 19 oktober 2023. De verzekeringsarts heeft de door hem/haar geconstateerde beperkingen vertaald in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 oktober 2023. Aan de hand van die rapportage en FML concludeert de arbeidsdeskundige, dat eiser 0% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA.
5. Met het bestreden besluit van 15 februari 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag, gebaseerd op een medisch onderzoek van arts bezwaar en beroep (b&b) en de verzekeringsarts b&b, en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige b&b. Van het onderzoek van de (verzekerings)artsen b&b is verslag gedaan in een medische rapportage van 25 januari 2024. Naar aanleiding van het onderzoek, zijn de beperkingen van eiser aangescherpt in de FML van 25 januari 2024. Aan de hand van die rapportage en de nieuwe FML, overweegt de arbeidsdeskundige b&b dat de reservefuncties niet passend zijn, maar dat voldoende van de eerder geduide functies passend zijn. Eiser wordt daarom onverminderd 0% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA geacht.
Beoordeling
6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [1]
6.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank – kort gezegd – het volgende overwogen. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts het belastbaarheidsprofiel van eiser heeft opgemaakt, met de gedachte dat eiser er goed aan doet om te bewegen. De verzekeringsarts overweegt dat de claimklachten passend zijn bij het ziektebeeld, maar dat de beperkingen iets minder zwaar worden aangenomen dan geclaimd. Voor zijn ziekte is het namelijk niet helpend om zo weinig te bewegen. De vicieuze cirkel moet worden doorbroken, onder meer door werk, door eiser in beweging te krijgen. Hoewel de rechtbank de overwegingen van de verzekeringsarts begrijpt, gaan deze eraan voorbij dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek ertoe strekt vast te stellen of eiser ten gevolge van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot werken. [2] Het doel van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is het in kaart brengen van de beperkingen en mogelijkheden tot het verrichten van arbeid die een betrokkene op de datum in geding heeft. Uit het rapport van de verzekeringsarts begrijpt de rechtbank dat de verzekeringsarts het uit therapeutisch oogpunt gewenst acht, dat eiser meer gaat bewegen en overdag niet gaat liggen. De verzekeringsarts benoemt dat eiser morbide obesitas heeft, dat hij in aanmerking komt voor een gecombineerde leefstijlinterventie, en dat de verwachting is dat de belastbaarheid dan met grote stappen kan verbeteren. De vraag waar het bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid om gaat is echter hoe de belastbaarheid van eiser is op de datum in geding. Deconditionering wordt over het algemeen niet als een beperking ten gevolge van ziekte of gebrek gezien, maar de vraag is of de fysieke gesteldheid van eiser nog als deconditionering kan worden aangemerkt, mede gelet op de morbide obesitas in combinatie met de hernia, en het feit dat een gecombineerde leefstijlinterventie aangewezen is om zijn fysieke conditie te verbeteren. Uit de anamnese bij de primaire verzekeringsarts blijkt dat eiser hoofdzakelijk zijn dag liggend moet doorbrengen, vanwege de pijn. Eiser kan wel lopen, maar krijgt dan pijn aan de binnenkant van zijn benen. In dat licht is, zonder nadere motivering, niet zonder meer begrijpelijk, dat eiser in staat is om te bewegen volgens de mogelijkheden in de FML en dat eiser in staat is om zonder liggen de dag door te brengen. [3]
De rechtbank stelt vast dat de overwegingen van de (verzekerings)artsen b&b in het verlengde liggen van de overwegingen van de verzekeringsarts. Hetgeen is overwogen met betrekking tot de verzekeringsarts geldt daarom ook voor de beoordeling door de (verzekerings)artsen b&b. [4]
6.2.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Er is een zogenoemde ‘bestuurlijke lus’ toegepast.
Voldoende deugdelijk gemotiveerd?
7. De verzekeringsarts b&b overweegt in de aanvullende rapportage van 14 augustus 2025 als volgt:
“Vanuit de aandoening en de huidige gezondheidstoestand geredeneerd is er geen medische reden om aan te nemen dat klant de belastbaarheid zoals tot uiting komt in de opgestelde FML, niet kan opbrengen. Dit ondanks het feit dat klant verdergaande belemmeringen ervaart en zijn klachten zo heeft geïnterpreteerd dat hij liggend [de] dag doorkomt. Als klant zich gaat belasten zoals in de FML tot uiting komt is er gezondheidswinst te verwachten. Bovendien is er niets aan mis als klant middels een lifestyle programma zijn gezondheidstoestand verbeterd om in de toekomst nog beter belastbaar te zijn als in het geding zijnde FML tot uiting komt. Voorgaande houdt echter niet in dat de medische mogelijkheden die er zijn niet worden beschreven.”
7.1.
Naar aanleiding van die reactie heeft de rechtbank, alvorens eiser de gelegenheid te geven te reageren, een aanvullende vraag aan de verzekeringsarts b&b gesteld. De rechtbank heeft daarbij het volgende aan de verzekeringsarts b&b voorgehouden:
“In de tussenuitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat zij, uit hetgeen de (primaire) verzekeringsarts heeft overwogen, afleidt dat de Functionele mogelijkhedenlijst van 20 oktober 2023 is opgemaakt met de gedachte dat het voor eiser aangewezen is om in beweging te komen, zodat eisers rugspieren worden versterkt. De verzekeringsarts overweegt met zoveel woorden:
“De claimklachten zijn passend bij het ziektebeeld, echter neem ik de beperkingen iets minder zwaar aan dan hoe de client ze zelf aangeeft. Voor zijn ziekte is het namelijk niet helpend om zo weinig te bewegen.”
en:
“Client hoeft mijns inziens tussendoor niet te gaan liggen, omdat dit de rugspieren niet versterkt. Het zou juist goed zijn wanneer client, ook door werk, meer in beweging komt. Het belastbaarheidsprofiel wordt dan ook op deze manier ingestoken.”
Het gaat er daarentegen niet om wat aangewezen is voor eiser. Van belang is wat de functionele mogelijkheden van eiser zijn op de datum in geding.
De verzekeringsarts b&b heeft in de reactie van 14 augustus 2025 overwogen:
“Vanuit de aandoening en de huidige gezondheidstoestand geredeneerd is er geen medische reden om aan te nemen dat klant de belastbaarheid zoals tot uiting komt in de opgesteld FML, niet kan opbrengen. Dit ondanks het feit dat klant verdergaande belemmeringen ervaart en zijn klachten zo heeft geïnterpreteerd dat hij liggend de dag doorkomt.”
Als het standpunt van de verzekeringsarts b&b is dat eiser op de datum in geding, met inachtneming van de morbide obesitas en de hernia, en vóórdat hij een gecombineerde leefstijlinterventie heeft gehad, in staat is de dag door te komen zonder te liggen, is dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De verzekeringsarts b&b overweegt namelijk slechts dat er vanuit de aandoening en huidige gezondheidstoestand geredeneerd geen medische reden is.
Voor zover de verzekeringsarts b&b het standpunt inneemt dat eiser op de datum in geding in staat was de dag door te komen zonder te liggen, verzoekt de rechtbank om een nadere motivering.”
7.2.
De verzekeringsarts b&b overweegt in de aanvullende rapportage van 23 september 2025 als volgt:
“Gedoseerd bewegen is volgens het protocol/richtlijn dat over de aandoening van klant handelt, het devies. Liggen zoals klant daar zelf invulling aangeeft hoort daar niet bij. Klant kan zijn rug strekken door te verzitten, en te gaan staan of even een paar pasjes te lopen. Langdurig achtereen statisch zitten moet worden vermeden. Dit alles is in arbeid mogelijk voordat klant de gecombineerde leefstijlinterventie heeft gehad.”
7.3.
In zijn reactie handhaaft eiser zijn standpunt.
7.4.
De rechtbank overweegt het volgende.
Eiser heeft een hernia en morbide obesitas. De vraag is welke beperkingen dit geeft op de datum in geding, 7 november 2023.
Uit het rapport van de verzekeringsarts van 19 oktober 2023 leidt de rechtbank af dat bij het opstellen van de FML niet is uitgegaan van de beperkingen die ten gevolge van de hernia en de morbide obesitas per einde wachttijd aanwezig waren, maar dat minder beperkingen zijn aangenomen om eiser te stimuleren om méér te bewegen. De rechtbank verwijst ook naar hetgeen hiervoor onder 6.1 en 7.1 is overwogen. De rechtbank begrijpt uit het rapport van de verzekeringsarts dat bij het opstellen van de FML is uitgegaan van een verbetering van de mogelijkheden van eiser, waarvan de verzekeringsarts verwacht dat die zal kunnen plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank is dat een onjuiste benadering. De rechtbank wil wel aannemen dat het goed is voor eiser om meer te bewegen, dat hij voor de obesitas een behandeling zou kunnen ondergaan die uit de basisverzekering wordt vergoed, en dat hij in aanmerking komt voor een gecombineerde leefstijlinterventie, en dat dit alles zijn belastbaarheid zal verbeteren. Echter, per datum in geding moeten de medische beperkingen worden vastgesteld zoals ze op dát moment zijn. Indien verbetering van de belastbaarheid plaatsvindt kan de FML later worden aangepast.
Ter verduidelijking een voorbeeld. Bij de anamnese heeft eiser aangegeven dat hij ‘een halfuurtje, maximaal een uur’ kan zitten (rapport van de verzekeringsarts pagina 8 bovenaan). In de FML is opgenomen dat eiser 2 uur achtereen kan zitten, en maximaal 8 uur per werkdag. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt de onderbouwing dat eiser hiertoe medisch gezien op de datum in geding in staat is, nu de verzekeringsarts voor de hogere dan door eiser aangegeven belastbaarheid uitdrukkelijk heeft overwogen, dat het voor de ziekte van eiser niet helpend is om zo weinig te bewegen, en de FML dus kennelijk (mede) op therapeutische gronden is opgesteld.
In de rapporten van de verzekeringsarts b&b is de motivering ook niet opgenomen. Enkel is vermeld dat eiser medisch gezien belastbaar is volgens de FML, maar niet waarom. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat zij geen (medische) deskundigheid op het gebied van morbide obesitas en hernia heeft, en dus ook geen inzicht in de vraag welke beperkingen te verwachten zijn bij de morbide obesitas en hernia zoals eiser die heeft. Het is aan het UWV om voldoende inzicht en toelichting te geven, zodat navolgbaar is dat eiser met zijn morbide obesitas en hernia belastbaar is volgens de FML. Dat inzicht en die toelichting ontbreken en dus is het bestreden besluit nog steeds onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat zij niet de medische kennis in huis heeft om de belastbaarheid van eiser per datum in geding vast te stellen.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 15 februari 2024;
- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en die van 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2.Artikel 3, eerste lid, Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
3.Rechtsoverweging 3.2. van de tussenuitspraak.
4.Rechtsoverweging 3.4. van de tussenuitspraak.