ECLI:NL:RBGEL:2026:998

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
05/142865-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 41 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot taakstraf wegens medeplegen poging zware mishandeling met schadevergoeding

Op 25 april 2024 vond in Duiven een steekincident plaats waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer en verdachte, gewond raakten. Verdachte hield het slachtoffer vast terwijl deze werd geschopt en gestoken door anderen, wat leidde tot een veroordeling voor medeplegen poging zware mishandeling.

De rechtbank oordeelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op zwaar lichamelijk letsel, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het slachtoffer zwaar letsel zou oplopen. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen, aangezien de situatie niet voldeed aan de vereisten daarvoor.

De rechtbank legde een taakstraf van 120 uur op, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van materiële schade (€154,50) en smartengeld (€1.875) aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd met hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte en medeverdachten.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van de reclassering. Verdachte werd vrijgesproken van niet bewezen verklaarde onderdelen van de tenlastelegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en betaling van schadevergoeding wegens medeplegen poging zware mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/142865-24
Datum uitspraak : 10 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ,
raadsman: mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (hierna ook: [verdachte] ) is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 1] tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, heeft geschopt en/of
getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven
openlijk, te weten op/aan de Saffier en/of de kruising van de Saffier met de Aquamarijn,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door:
  • die [slachtoffer 1] vast te houden, terwijl die [slachtoffer 1] werd geslagen en/of getrapt en/of gestoken en/of gesneden en/of geprikt,
  • meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst/hartstreek en/of in de buik en/of in de flank en/of in de arm, althans in het lichaam van die [slachtoffer 1] te steken en/of snijden en/of prikken en/of
  • meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of op/tegen de benen en/of op/tegen/in de buik, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te trappen en/of te slaan, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond viel en/of lag.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 25 april 2024 heeft in Duiven een steekincident plaatsgevonden. Hierbij zijn drie personen gewond geraakt: [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [verdachte] zelf. Ook de zoon van [verdachte] , [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) was betrokken bij het incident. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank primair gevraagd om verdachte vrij te spreken, omdat hij geen geweld heeft gebruikt en geen opzet heeft gehad op de zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Subsidiair is een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces en is verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
De beoordeling door de rechtbank
Op 25 april 2024 gingen [medeverdachte] en [slachtoffer 2] naar de woning van [slachtoffer 1] . Zij hadden allebei een mes bij zich. [medeverdachte] en [slachtoffer 2] belden aan en de moeder van [slachtoffer 1] deed de voordeur open. Er werd over en weer geschreeuwd. [slachtoffer 1] kwam van de trap naar beneden met een schaar in zijn hand. Hij liep naar buiten naar [medeverdachte] en [slachtoffer 2] . De moeder van [slachtoffer 1] ging tussen de jongens in staan. De buurman van [slachtoffer 1] kwam erbij. [medeverdachte] zei tegen [slachtoffer 2] : “steek hem, steek hem”. De buurman hield [medeverdachte] en [slachtoffer 2] tegen. De moeder van [slachtoffer 1] belde de politie en begon te filmen. [medeverdachte] en [slachtoffer 2] renden weg. [3]
Toen de jongens weg waren, ging [slachtoffer 1] terug naar binnen. Hij pakte twee messen in de keuken. [slachtoffer 1] rende via de voordeur door het steegje de straat in. Hij rende over de Aquamarijn en stond uiteindelijk stil ter hoogte van [adres] . Hij had in zijn beide handen een mes. Een stukje verderop stonden [medeverdachte] , [verdachte] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] rende op [slachtoffer 1] af met een mes in zijn hand, waarna over en weer door hen werd gestoken. [4]
[medeverdachte] rende achter [slachtoffer 2] aan en [verdachte] volgde. Bij de confrontatie daarna, is [slachtoffer 1] op de grond terecht gekomen. [verdachte] hield [slachtoffer 1] toen vast terwijl [medeverdachte] [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd en buik schopte. [slachtoffer 2] stak ondertussen meerdere malen met een mes op [slachtoffer 1] in, terwijl [slachtoffer 1] ook werd geschopt en geslagen door alle drie. Door tussenkomst van getuige [getuige] kon [slachtoffer 1] wegkomen. [5]
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 1] heeft geschopt. Ook heeft hij [slachtoffer 1] vastgehouden toen hij met kracht werd geschopt door [medeverdachte] en meerdere malen met een mes werd gestoken door [slachtoffer 2] . Daarbij lag [slachtoffer 1] op de grond. De rechtbank moet nu beoordelen hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden.
Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte opzet of voorwaardelijk opzet heeft gehad op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat verdachte (vol) opzet op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] heeft gehad. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of verdachte voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. Volgens vaste rechtspraak is dit aanwezig als een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij is zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Het moet in alle gevallen gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen is.
In het voorgaande heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 1] heeft geschopt. Ook heeft hij [slachtoffer 1] vastgehouden, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, met kracht tegen zijn hoofd en lichaam werd geschopt door [medeverdachte] en meerdere malen met een mes werd gestoken door [slachtoffer 2] . Het is algemeen bekend dat trappen tegen een hoofd kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel, omdat het hoofd en gezicht een kwetsbaar deel van het lichaam zijn. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [slachtoffer 1] werd vastgehouden en op de grond lag tijdens het schoppen en zich moeilijk kon verweren of beschermen. Ook levert het steken met een mes in het bovenlichaam een aanmerkelijke kans op zwaar letsel op bij het slachtoffer, doordat schade kan ontstaan aan vitale structuren of organen. Door [slachtoffer 1] vast te houden terwijl hij tegen zijn hoofd werd geschopt en hij bovendien in zijn bovenlichaam werd gestoken met een mes, heeft verdachte een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan de zeer gewelddadige situatie en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank vindt dan ook dat voorwaardelijk opzet is bewezen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde medeplegen van de poging tot zware mishandeling is bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks25 april 2024 te Duiven
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 1]
tegen het hoofd, althansop/tegen het lichaam, heeft geschopt en/of
getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
primair:medeplegen van poging tot zware mishandeling.

5.De strafbaarheid van het feit

Namens verdachte is een beroep op noodweer gedaan. Op grond van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht moet voor een geslaagd beroep op noodweer sprake te zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs mocht verdedigen.
De officier van justitie heeft gesteld dat een beroep op noodweer niet kan slagen.
De rechtbank komt ook tot deze conclusie en verwerpt het beroep op noodweer.
[medeverdachte] en [slachtoffer 2] kwamen kort voor het steekincident bij [slachtoffer 1] aan de deur om ‘verhaal te halen’. [slachtoffer 2] en [medeverdachte] hadden op dat moment allebei een mes bij zich. Nadat [medeverdachte] en [slachtoffer 2] vertrokken bij de woning van [slachtoffer 1] , heeft [slachtoffer 1] in de keuken twee messen gepakt. Daarna is hij naar buiten gelopen, op zoek naar [medeverdachte] en [slachtoffer 2] . Toen [slachtoffer 1] verdachte bij zijn auto zag, bleef hij stilstaan. Direct daarna kwam [slachtoffer 2] met een mes op hem af rennen, op korte afstand gevolgd door [medeverdachte] en verdachte, en werd [slachtoffer 1] door [slachtoffer 2] gestoken. [6]
Kijkend naar de hiervoor beschreven situatie op straat is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 1] zich mocht verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] vloog immers met een mes op [slachtoffer 1] af, terwijl [slachtoffer 1] nog op enige afstand stilstond. Dat is een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verdedigde zich vervolgens met een mes waarbij ook [slachtoffer 2] is geraakt. Dit maakt echter niet dat [slachtoffer 2] een beroep op noodweer toekomt.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat geen sprake is van een wederrechtelijke aanranding als een verdachte zich op zijn beurt verdedigt tegen iemand die zelf in noodweer handelt als reactie op een daarvóór gepleegde aanranding. [7] Kort gezegd betekent dit dat de verdedigingshandeling van [slachtoffer 1] niet gezien kan worden als een wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer 2] . Dat verdachte en [medeverdachte] hebben gesteld dat zij [slachtoffer 2] wilden beschermen maakt dit niet anders omdat degene die de aanvaller (dat was [slachtoffer 2] ) helpt, zelf ook geen beroep op noodweer toekomt.
De rechtbank ziet wel dat [slachtoffer 1] een aandeel heeft in het ontstaan van de gehele situatie. De Hoge Raad heeft echter ook gezegd dat de enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel, onvoldoende is om een beroep te doen op eigen schuld. [8] Dit betekent dat [slachtoffer 1] weliswaar heel onverstandig handelde door na het gebeuren bij zijn voordeur de straat op te gaan met messen om [slachtoffer 2] en [medeverdachte] te zoeken maar dat betekent niet dat hij zoveel eigen schuld heeft dat hem geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.
De rechtbank overweegt in dit verband dat zij onder de strafbaarheid van de feiten al heeft geoordeeld dat in beide zaken niet is gebleken van een noodweersituatie. Om deze reden kan ook het beroep op noodweerexces van verdachte niet slagen.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van 3 jaar met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer 1] . De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, moet wat de officier van justitie betreft van de op te leggen taakstraf worden afgetrokken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gewezen op onder meer de ouderdom van het strafbare feit, dat verdachte drie dagen heeft vastgezeten, zelf ook gewond is geraakt en een tijdje niet kon werken. Het gebeuren heeft erg veel impact op het gezin gehad en zij zijn naar een andere plaats verhuisd. Een gevangenisstraf is volgens de LOVS-oriëntatiepunten niet aan de orde bij openlijk geweld en in deze situatie gezien de omstandigheden ook niet passend.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 19 januari 2026 (het strafblad),
  • het rapport van Reclassering Nederland van 24 september 2025.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
De rechtbank stelt vast dat verdachte eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Deze veroordeling is van latere datum dan het bewezenverklaarde feit in deze strafzaak. De rechtbank laat dit meewegen in de strafafdoening (artikel 63 Sr Pro).
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Hij heeft zich bemoeid met een confrontatie tussen [medeverdachte] en [slachtoffer 2] enerzijds en [slachtoffer 1] anderzijds. Verdachte heeft [slachtoffer 1] daarbij geschopt. Ook heeft hij [slachtoffer 1] vastgehouden, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, werd geschopt door [medeverdachte] en gestoken met een mes door [slachtoffer 2] . Door [slachtoffer 1] te schoppen en vast te houden heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan het forse geweld tegen [slachtoffer 1] . Hoewel de rechtbank oog heeft voor de verklaring van verdachte dat het in eerste instantie zijn bedoeling was om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] uit elkaar te halen, constateert de rechtbank dat deze poging volledig uit de hand is gelopen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelwijze op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Daarnaast hebben verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer 2] met hun handelen gevoelens van afschuw en onveiligheid veroorzaakt in de wijk waar het geweld plaatsvond en in de samenleving als geheel.
Het advies van de reclassering
Door de ontkennende houding van verdachte is de reclassering beperkt in het doen van een passende inschatting van het recidiverisico. Desondanks zijn risicotaxatie instrumenten afgenomen. Daaruit volgt een laag tot matig recidiverisico. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Er worden geen specifieke zwaarwegende negatieve consequenties gezien bij de eventuele oplegging van een gevangenisstraf en er zijn geen contra-indicaties voor de eventuele uitvoering van een taakstraf of de oplegging van een geldboete.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 120 uur op, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De rechtbank vindt dat de ernst van het feit daarmee voldoende tot uiting komt en ziet in een voorwaardelijk strafdeel met een proeftijd onvoldoende meerwaarde.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) heeft in verband met de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 154,50 aan materiële schade en € 3.750,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de materiële schade van [slachtoffer 1] verband houdt met het steken door [slachtoffer 2] en dat de schade niet het gevolg is van de gedragingen van verdachte. Daarom heeft hij de rechtbank gevraagd [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in het materiële deel van de vordering. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte en [slachtoffer 1] elkaar over en weer iets hebben aangedaan, waardoor sprake is van eigen schuld. De officier van justitie is daarom van mening dat iedereen zijn eigen schade moet dragen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering in verband met de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het letsel en de materiële schade van [slachtoffer 1] is veroorzaakt door [slachtoffer 2] . Verdachte heeft geen geweld gebruikt, waardoor het causaal verband ontbreekt. Meer subsidiair is de raadsman van mening dat [slachtoffer 1] vanwege eigen schuld niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering of dat bij toekenning van enige bedrag aan schadevergoeding een fors lager bedrag moet worden vastgesteld dan door [slachtoffer 1] is gevorderd.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek op de terechtzitting is voldoende gebleken dat [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van (onder meer) verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Als medepleger van het geweld tegen [slachtoffer 1] is verdachte immers ook verantwoordelijk voor de schade die door [slachtoffer 2] en/of [medeverdachte] bij [slachtoffer 1] is veroorzaakt. De rechtbank overweegt dat de materiële schade door [slachtoffer 1] voldoende is onderbouwd en de schadeposten redelijk voor komen.
Voor de materiële schade is verdachte als medepleger van de poging tot zware mishandeling naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kleding en de kosten van fysiotherapie (€ 154,50) kan worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Door de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling heeft [slachtoffer 1] immers lichamelijk letsel opgelopen, in de vorm van meerdere steek- en snijverwondingen en is hij op andere wijze in de persoon aangetast.
Dit is mede aan verdachte toe te rekenen, omdat hij [slachtoffer 1] heeft vastgehouden terwijl [slachtoffer 2] aan het steken was en hij zelf [slachtoffer 1] toen ook heeft geschopt.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.875,- vaststellen, te weten de helft van het gevorderde bedrag. Bij de vaststelling van dit bedrag is meegewogen dat [slachtoffer 1] zelf een aandeel heeft gehad in de confrontatie die is ontstaan met (onder meer) verdachte. [slachtoffer 1] heeft immers kort na het vertrek van [medeverdachte] en [slachtoffer 2] bij zijn voordeur de woning verlaten met twee messen in zijn handen. Hij heeft opnieuw de confrontatie met [slachtoffer 2] en [medeverdachte] gezocht, waardoor de situatie verder is geëscaleerd en verdachte betrokken is geraakt. Dit handelen van [slachtoffer 1] staat niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer, maar dient naar het oordeel van de rechtbank wel te worden meegewogen bij de toekenning van het smartengeld.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 14 januari 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd en vanaf 25 april 2024 over het smartengeld.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op
een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
 beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht, twee uur in mindering worden gebracht;
 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan
de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 154,50 (honderdvierenvijftig euro en vijftig cent) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 1.875,- (duizend achthonderdvijfenzeventig euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 154,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en
€ 1.875,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 (twintig) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.S.M. Bak (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. M.G.J. Post (rechters), in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024188301 en PL0600-2024188576, gesloten op 18 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 20 januari 2026.
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 120, het proces-verbaal van getuige [getuige] , p. 106, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 1] , p. 360, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 1] door RC d.d. 29 april 2024, p. 2.
4.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 213, het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 269, het proces-verbaal van bevindingen, p. 312, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 1] , p. 361, het proces-verbaal van bevindingen, p. 85.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 84 en 85, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 20 november 2024, p. 2, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 103.
6.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 1] , p. 360, het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 269 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 85.
7.HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4475.
8.Zie in dit verband HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:715 en HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.