ECLI:NL:RBHAA:2004:AR5017
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.M. Visser
- Rechtspraak.nl
Kantonrechter bevestigt vereiste gezamenlijke ouderlijke macht niet in strijd met artikel 8 EVRM
In deze zaak verzocht verzoeker om gezamenlijk met verweerster belast te worden met het ouderlijk gezag over hun buiten huwelijk geboren minderjarige kind. Verweerster oefende sinds de geboorte het gezag alleen uit en verzoeker had het kind erkend. De kantonrechter oordeelde dat het verzoek niet ontvankelijk is omdat het wettelijke vereiste dat een verzoek om gezamenlijke ouderlijke macht alleen gezamenlijk door beide ouders kan worden gedaan, niet is geschonden.
Verzoeker stelde dat dit vereiste in strijd is met zijn recht op bescherming van het gezinsleven zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM Pro. Verweerster verwees naar een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin een gelijksoortig beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen. De kantonrechter sloot zich aan bij het standpunt van het hof Arnhem en verwierp het beroep van verzoeker.
De kantonrechter overwoog verder dat het verzoek niet kan worden gezien als een wijziging van gezagsbeslissing op grond van artikel 1:253o BW, omdat verweerster het gezag van rechtswege heeft. Ook het verzoek op grond van artikel 1:252 BW Pro vond geen toepassing omdat verzoeker niet zelfstandig een verzoek tot aantekening van gezamenlijk gezag bij de griffier had ingediend. De kantonrechter verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk en bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om gezamenlijk ouderlijk gezag.