ECLI:NL:RBHAA:2006:AX7093
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- A.J. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Verkoper niet gebonden aan schriftelijkheidsvereiste bij mondelinge koopovereenkomst woning
S. en A. waren gezamenlijk eigenaar van een woning die zij in verband met hun relatiebeëindiging te koop aanboden via een bemiddelaar van de Rabobank. Kopers G. en S. deden een bod van €260.000, waarop S. en A. een tegenbod van €265.000 deden via de bemiddelaar T. Kopers gingen akkoord met dit bod, maar verkopers stelden dat er een financieringsvoorbehoud was gemaakt dat niet was vervuld.
Er ontstond discussie over de vraag of een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand was gekomen, mede omdat niet was voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 lid 1 BW Pro. De rechtbank oordeelde dat dit vereiste niet geldt voor de verkoper om gebonden te zijn, anders dan voor de koper die drie dagen bedenktijd heeft.
De rechtbank stelde vast dat het onduidelijk was of S. tegenover T. het financieringsvoorbehoud had gemaakt, wat essentieel was voor de vraag of een overeenkomst bestond. Omdat een kort geding zich niet leent voor getuigenverhoren en er geen dringende reden was om de bodemprocedure niet af te wachten, werd de gevraagde voorziening tot levering geweigerd.
G. en S. werden veroordeeld in de proceskosten van S. en A. ter hoogte van €1.064,00. Het vonnis werd gewezen door mr. A.J. van der Meer en op 6 juni 2006 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De gevraagde voorziening tot levering van de woning wordt geweigerd wegens onduidelijkheid over het financieringsvoorbehoud.