ECLI:NL:RBHAA:2006:BD5961
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.P.M. van Rijn
- J. Snitker
- A.M. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van navorderingsaanslagen en vergrijpboete over buitenlandse inkomsten en onderneming
Eiser werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1998, 1999 en 2000, inclusief vergrijpboetes. De inspecteur stelde dat eiser inkomsten uit Oostenrijk niet had opgegeven en dat hij de opbrengsten uit de ontwikkeling van een computerspel en werkzaamheden voor internetsites niet correct had aangegeven.
De rechtbank stelde vast dat eiser wel degelijk inkomsten had uit zijn werkzaamheden als skileraar in Oostenrijk en dat deze terecht in de Nederlandse belastingheffing waren betrokken. Voor het jaar 2000 beoordeelde de rechtbank of de activiteiten van eiser kwalificeerden als onderneming. De rechtbank concludeerde dat de werkzaamheden voor internetsites geen bron van inkomen vormden en dat de ontwikkeling van het computerspel geen onderneming was, maar inkomsten uit arbeid.
De vergrijpboete werd deels gehandhaafd, maar gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn voor afdoening van het bezwaar. De navorderingsaanslag premie Ziekenfondswet 2000 werd gehandhaafd, maar de boete daarvoor werd tot nihil verminderd. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan eiser.
Het beroep werd voor 1998 en 1999 ongegrond verklaard, voor 2000 deels gegrond, waarbij de boete werd verlaagd en de navorderingsaanslag aangepast. De uitspraak benadrukt het belang van correcte aangifte en de grenzen van het ondernemingsbegrip in belastingzaken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart beroep deels gegrond, vermindert de boete en bevestigt de navorderingsaanslagen over 1998 en 1999, maar niet voor 2000.