ECLI:NL:RBHAA:2007:BB3783
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.H.M. Bruin
- R.G. Kemmers
- J.M. van Kempen
- Rechtspraak.nl
Waarde van aandeel in Vereniging van Eigenaren voor rendementsgrondslag box 3
Eiser heeft twee appartementsrechten gekocht, waaronder een woning en een parkeerplaats, en is lid van de Vereniging van Eigenaren (VvE). De vraag was of het aandeel van eiser in het vermogen van de VvE als afzonderlijke bezitting moet worden gewaardeerd voor de rendementsgrondslag in box 3 van de Wet IB 2001, en zo ja, tegen welke waarde.
De rechtbank stelt vast dat het lidmaatschapsrecht van de VvE niet direct betrekking heeft op de onroerende zaak zelf, maar een afzonderlijk vermogensrecht vormt dat apart moet worden gewaardeerd. Dit is in lijn met de wettelijke bepalingen en eerdere jurisprudentie. Eiser stelde dat de waarde nihil is vanwege het niet-los overdraagbare karakter en het ontbreken van beschikkingsmacht, maar de rechtbank verwierp dit.
De rechtbank overweegt dat het aandeel in de reserves van de VvE wel degelijk waarde vertegenwoordigt, ook al is het niet direct opeisbaar. De nominale waarde is daarom de juiste waarderingsgrondslag. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het aandeel in het vermogen van de VvE wordt gewaardeerd tegen de nominale waarde voor de rendementsgrondslag in box 3.