ECLI:NL:PHR:2010:BL7268
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rendementsgrondslag lidmaatschapsrechten Vereniging van Eigenaren in box 3
Belanghebbende bezit twee appartementsrechten, waarvan één als eigen woning kwalificeert en één wordt verhuurd. Het geschil betreft de fiscale behandeling van het aandeel in het vermogen van de Vereniging van Eigenaren (VvE) dat aan belanghebbende toekomt. De vraag is of dit aandeel als een afzonderlijke bezitting moet worden aangemerkt voor de rendementsgrondslag in box 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en hoe deze gewaardeerd moet worden.
De Rechtbank en het Hof hebben geoordeeld dat het aandeel in het VvE-vermogen een zelfstandige bezitting vormt en dat deze op nominale waarde moet worden gewaardeerd. Belanghebbende stelde in cassatie dat deze kwalificatie onjuist is. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van de lagere instanties en verduidelijkt dat het lidmaatschapsrecht van de VvE civielrechtelijk een afzonderlijk vermogensrecht is dat in de vermogensrendementsheffing moet worden betrokken.
De Hoge Raad benadrukt dat het aandeel in het VvE-vermogen niet tot de eigenwoningwaarde in box 1 behoort, maar tot de rendementsgrondslag in box 3. De waarde van het aandeel wordt niet beïnvloed door de beperkte beschikkingsmacht over de reserves, omdat de vooruitbetaling voor onderhoud leidt tot een recht op toekomstige vermindering van kosten. De uitspraak heeft belangrijke fiscale consequenties voor de waardering van appartementsrechten en de fiscale positie van appartementseigenaren.
Uitkomst: Het aandeel in het vermogen van de Vereniging van Eigenaren behoort tot de rendementsgrondslag van box 3 en moet op nominale waarde worden gewaardeerd.