ECLI:NL:RBHAA:2008:BF2111
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verdeling latente inkomstenbelasting bij bedrijfsopvolgingsregeling successierecht
Eiseres maakte bezwaar tegen de aanslag en conserverende aanslag successierecht over de nalatenschap van haar overleden broer, waarbij toepassing werd gegeven aan de bedrijfsopvolgingsregeling. Centraal stond de vraag of de latent verschuldigde inkomstenbelasting terecht was toegerekend aan de geconserveerde waarden van de onderneming en, zo ja, op welke wijze deze toerekening moest plaatsvinden.
De rechtbank oordeelde dat de latente belastingschuld verband houdt met het ondernemingsvermogen en derhalve ook aan de geconserveerde waarden moet worden toegerekend, in lijn met de doelstelling van artikel 20, vijfde lid, Successiewet 1956. Vervolgens stelde de rechtbank vast dat de latente belastingschuld niet uitsluitend aan het voorwaardelijk onbelaste deel (artikel 35c, eerste en tweede lid) mag worden toegerekend, maar evenredig verdeeld moet worden over zowel het onbelaste als het belaste deel (artikel 35c, derde lid).
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar wegens onvoldoende motivering en stelde de conserverende aanslag vast op basis van deze evenredige toerekening. Tevens veroordeelde zij verweerder in de proceskosten van eiseres. De uitspraak bevestigt dat bij toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling de latente inkomstenbelasting proportioneel moet worden toegerekend aan de verschillende delen van de geconserveerde verkrijging.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en stelt de conserverende aanslag vast met een evenredige toerekening van de latente inkomstenbelasting.