ECLI:NL:RBHAA:2012:BY1620
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- H. de Jong
- T.A. de Hek
- J.M. van Kempen
- Rechtspraak.nl
Navordering inkomstenbelasting opties werknemer onder verlengde termijn
Eiser, werknemer van een Nederlandse dochteronderneming van een buitenlands moederbedrijf, ontving stockopties die niet in zijn belastingaangiften over 1997-1999 waren opgenomen. De Belastingdienst legde navorderingsaanslagen op voor deze jaren. De kern van het geschil betrof of sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde, of kwade trouw aanwezig was, en of de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar van toepassing was.
De rechtbank stelde vast dat de bevoegde inspecteur pas in april 2000 op de hoogte was van de toekenning van opties aan eiser, zodat voor 1997 en 1998 sprake was van een nieuw feit. Voor 1999 werd kwade trouw vastgesteld omdat eiser bewust geen inkomsten uit opties had aangegeven ondanks kennis van de situatie. De rechtbank oordeelde dat de opties door het buitenlandse moederbedrijf waren toegekend en dat de inkomsten buiten het zicht van de Nederlandse fiscus waren gebleven, waardoor de verlengde navorderingstermijn van toepassing was.
Verder werd geoordeeld dat de keuze van de Belastingdienst om navordering bij eiser toe te passen in plaats van naheffing bij de werkgever niet in strijd was met beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen ongelijke behandeling was aangetoond. De heffingsrente was correct berekend en een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd heropend voor nader onderzoek.
De beroepen werden ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen bevestigd. De rechtbank gaf aan dat de Staat in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te laten over het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen worden ongegrond verklaard en de aanslagen bevestigd.