ECLI:NL:RBHAA:2012:BY1962
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- H. de Jong
- T.A. de Hek
- J.M. van Kempen
- Rechtspraak.nl
Navordering inkomstenbelasting opties werknemer wegens nieuw feit en verlengde navorderingstermijn
Eiser was werknemer bij een Nederlandse dochtermaatschappij en kreeg opties toegekend door het Amerikaanse moederbedrijf. Hij gaf deze voordelen niet aan in zijn belastingaangiften over 1996, 1997 en 1998. De Belastingdienst legde navorderingsaanslagen op met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar vanwege het buitenlandse karakter van de optie-uitgifte.
De rechtbank stelde vast dat de bevoegde inspecteur pas in april 2000 kennis kreeg van de toekenning van de opties, zodat sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Voor 1998 was bovendien sprake van kwade trouw van eiser, omdat hij bewust geen inkomsten uit opties had aangegeven ondanks kennis van de situatie.
Verder oordeelde de rechtbank dat de inspecteur terecht de navorderingstermijn van twaalf jaar toepaste, omdat de opties buiten het zicht van de Nederlandse fiscus waren gehouden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en vermindering van heffingsrente faalden. De beroepen werden ongegrond verklaard, maar de rechtbank heropende het onderzoek voor een mogelijke immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen worden bevestigd.