ECLI:NL:RBLEE:2005:AU5964
Rechtbank Leeuwarden
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening indicatiestelling huishoudelijke hulp en persoonlijke verzorging
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) waarin haar indicatie voor huishoudelijke verzorging werd beperkt en later geheel beëindigd. Het geschil betreft de vraag of de meerderjarige zoon van verzoekster tot de leefeenheid behoort en daarmee gebruikelijke zorg kan verlenen, waardoor de indicatie voor huishoudelijke hulp lager uitvalt.
De rechtbank stelt vast dat het Besluit zorgaanspraken AWBZ het begrip leefeenheid beperkt tot gehuwde verzekerden en minderjarige ongehuwde verzekerden die duurzaam een huishouden voeren. Het beleid van het CIZ om ook meerderjarige kinderen tot de leefeenheid te rekenen is daarmee in strijd. De voorzieningenrechter oordeelt dat de leefeenheid in dit geval alleen bestaat uit verzoekster en haar echtgenoot.
Op basis van het onderzoeksrapport blijkt dat verzoekster niet in staat is het huishouden adequaat te voeren en dat haar echtgenoot dit ook niet kan overnemen. Het CIZ heeft ten onrechte aangenomen dat gebruikelijke zorg aanwezig is. Gezien de dreigende financiële noodsituatie en de langdurige bezwaarprocedure wijst de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening toe voor huishoudelijke verzorging klasse 3.
Het verzoek om ook persoonlijke verzorging toe te wijzen wordt afgewezen, omdat hierover geen besluit is genomen en dit buiten het geding valt. Tevens wordt het griffierecht en de proceskosten aan verzoekster toegewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Verzoekster krijgt een voorlopige voorziening voor huishoudelijke verzorging klasse 3 toegewezen en het bestreden besluit wordt geschorst.