ECLI:NL:CRVB:2008:BD5848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onjuiste indicatie huishoudelijke verzorging door onjuiste leefeenheiddefinitie en niet horen huisgenoten
Betrokkene, met beperkingen door rug- en hartklachten, ontving tot 2005 huishoudelijke verzorging. Na vervallen ex-AAW regeling werd een indicatie voor huishoudelijke verzorging klasse 1 toegekend, waarbij leefeenheid werd gedefinieerd inclusief meerderjarige zoon. Betrokkene maakte bezwaar omdat haar man en zoon weinig tot geen bijdrage konden leveren.
De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar gegrond en oordeelde dat de meerderjarige zoon geen deel uitmaakt van de leefeenheid. Appellante stelde in hoger beroep dat het begrip leefeenheid in het Protocol Gebruikelijke Zorg (PGZ) ruimer is dan in het Besluit Zorgaanspraken AWBZ (BZA). De Raad oordeelde dat de voorzieningenrechter een onjuiste maatstaf hanteerde en dat het beleid van appellante niet in strijd is met de AWBZ.
Daarnaast stelde betrokkene dat haar zoon niet is gehoord bij het indicatieonderzoek, wat in strijd is met het PGZ. De Raad bevestigde dat dit horen noodzakelijk is en dat appellante ten onrechte heeft afgezien van het horen en onderzoek naar overbelasting.
De Raad vernietigde het besluit van 11 april 2006 wegens strijd met de Awb en het BZA, veroordeelde appellante tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten en bepaalde dat een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit van 11 april 2006 wordt vernietigd en appellante wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten en het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.