ECLI:NL:RBLEE:2011:BU2841
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsvordering wegens corrosieschade aan schip afgewezen voor gederfd vaargenot
Eiser [X] kocht in mei 2006 een schip en sloot daarop een casco watersportverzekering af bij Achmea. Na het constateren van corrosieschade aan de Z-drive van het schip vorderde hij vergoeding van de schade, gederfd vaargenot, incassokosten en andere kosten. Achmea stelde zich op het standpunt dat de schade was veroorzaakt door geleidelijke inwerking van vocht, wat volgens de polisvoorwaarden was uitgesloten.
De rechtbank liet een deskundigenrapport opstellen waaruit bleek dat de corrosie het gevolg was van een combinatie van elektrolytische corrosie door spanningsverschillen en zwerfstroom, en dat de schade niet het gevolg was van geleidelijke inwerking van vocht zoals bedoeld in de polis. Ook was eiser volgens het rapport voldoende zorgvuldig geweest in het onderhoud van het schip.
De rechtbank oordeelde dat de uitsluitingsclausule niet van toepassing was en dat de schade onder de polisdekking viel. De vordering tot vergoeding van gederfd vaargenot werd echter afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering tot incassokosten werd deels toegewezen volgens het rapport Voor-werk II. De vorderingen tegen [Y] wegens wanprestatie werden afgewezen. Achmea werd veroordeeld tot betaling van €14.919,49 plus wettelijke rente en incassokosten van €1.158,-, alsmede in de proceskosten.
Uitkomst: Achmea wordt veroordeeld tot betaling van €14.919,49 schadevergoeding en incassokosten, terwijl de vordering tot gederfd vaargenot wordt afgewezen.