ECLI:NL:RBLEE:2012:BW5828
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding met toepassing onweerlegbaar rechtsvermoeden
Eiseres ontving sinds 1995 bijstand en werd door verweerder geconfronteerd met herziening en terugvordering van deze uitkering op grond van een vermeende gezamenlijke huishouding met [A], met wie zij een zoon heeft. Verweerder baseerde dit op het onweerlegbare rechtsvermoeden uit artikel 3, vierde lid, onder b, van de WWB, waarbij werd aangenomen dat bij een gezamenlijk kind sprake is van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank onderzocht de feiten en concludeerde dat eiseres en [A] van 1 januari 2000 tot 15 oktober 2002 en van 1 januari 2007 tot 1 november 2010 een gezamenlijke huishouding voerden, gebaseerd op getuigenverklaringen, observaties, bankafschriften en verklaringen van partijen. Voor de periode van 25 oktober 2002 tot 1 januari 2007 was het bewijs onvoldoende en werd de herziening en terugvordering vernietigd.
De rechtbank oordeelde dat het onweerlegbare rechtsvermoeden niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij sociale zekerheidsmaatregelen. Tevens werd vastgesteld dat de terugvordering niet verjaard was. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen conform deze uitspraak en werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Besluit tot herziening en terugvordering bijstand gedeeltelijk vernietigd voor periode 25 oktober 2002 tot 1 januari 2007; nieuw besluit wordt opgelegd.