Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.Het onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
- is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;
- is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;
- zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;
- zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.
4.De beoordeling van het bewijs
- zijn vriend [Betrokkene] met [Slachtoffer] in discussie was;
- hij deze discussie wilde beëindigen en [Slachtoffer] tegen de borst stompte om op die manier een einde aan de discussie te maken;
- hij zag dat [Slachtoffer] in elkaar zakte, maar verwachtte dat hij gewoon weer zou opstaan.
- in plaats van naar zijn auto te lopen – hij wilde immers naar de [Discotheek] te Beek gaan –, achter zijn vriend [Betrokkene] aanliep, wetende dat deze verhaal wilde halen bij [Slachtoffer];
- zag dat [Betrokkene] een arm om de schouders van [Slachtoffer] had geslagen;
- zich oppompte, dan wel oplaadde, waarbij hij zijn vuisten balde en zich breed maakte;
- daarbij bedacht om [Slachtoffer] een stomp te geven;
- vervolgens een afstand van vier of vijf meter overbrugde en daarna [Slachtoffer] tegen de borst stompte.
- voor een bewezenverklaring van het dodelijke gevolg moet worden vastgesteld dat er een causaal verband bestaat tussen het handelen van de verdachte en de dood van [Slachtoffer];
- niet zonder meer kan worden vastgesteld dat een gedraging van de verdachte in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg;
- er immers een mogelijkheid bestaat dat er een andere oorzaak dan een hartritmestoornis is geweest die tot de vochtophoping in de hersenen heeft geleid;
- het, indien de rechtbank van oordeel is dat de vochtophoping in de hersenen wel het gevolg is geweest van een hartritmestoornis, niet vaststaat waardoor deze stoornis is veroorzaakt, nu een genetische afwijking, zoals een erfelijke afwijking aan gen SCN5A – een kennelijk in Zuid Limburg vaker voorkomende afwijking – niet is uit te sluiten.
Het toetsingskader
Was de stomp een noodzakelijke factor voor het overlijden van [Slachtoffer]?
- indien [Slachtoffer] lijdende was aan een ziekelijke afwijking van het hart of indien hij een ziekte of stoornis had vanwege een genetische afwijking aan zijn hart, hij hiervan tijdens zijn leven last gehad zou hebben;
- uit het medische dossier van [Slachtoffer] is gebleken dat hij niet bekend was met cardiaal (hart) en/of pulmonaal (longen) lijden, dat hij zijn huisarts louter bezocht voor kleine kwaaltjes van voorbijgaande aard en dat hij een fervent voetballer was;
- [Slachtoffer] niet in staat zou zijn geweest actief te voetballen, als hij lijdende was aan een ziekelijke afwijking van het hart of indien hij een ziekte of stoornis had vanwege een genetische afwijking aan zijn hart.
- het verweer van de verdediging dat een genetische afwijking aan het hart, als oorzaak van het overlijden, niet kan worden uitgesloten;
- het verweer van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging van de verdachte in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg.
Is verdachte verantwoordelijk voor de dood van [Slachtoffer]?
- de plaats van de stomp (op de borststreek),
- de kracht van de stomp (voldoende krachtig om het hart te bereiken) én
- het moment van de stomp tijdens de hartcyclus (waarbij het gaat om milliseconden).
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie
6.De strafbaarheid van de verdachte
- De verdachte is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken. Hiervan was sprake ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.
- Er bestaat een verband tussen deze persoonlijkheidstrekken en het ten laste gelegde. Er was sprake van deels functionele en deels impulsieve agressie. Hierbij was hij niet helemaal vrij in de sturing van zijn gedrag.
- De verdachte heeft de overtuiging dat hij handelend moet optreden bij conflicten en problemen. Vanuit zijn jeugd heeft hij zichzelf dit pathologisch handelingspatroon aangeleerd. Hij komt snel tot ‘oplossingen’ door fysiek te handelen.
- De verdachte kon grotendeels zijn gedrag in vrijheid bepalen. Zijn impulsiviteit werd vergroot door overmatig alcoholgebruik, terwijl hij kon weten wat daarvan de effecten waren. Gezien de jarenlange toepassing van geweld kan echter gesproken worden van een ingeslepen gedragspatroon van denkfouten en tekortschietende oplossingsmethoden. Deze hebben de vrijheid van handelen in enige mate beperkt.
7.De oplegging van straf
- het systeem van de straftoemeting in de artikelen 300 tot en met 304 van het Wetboek van Strafrecht,
- de maximumstraf van negen jaar die de wetgever heeft gesteld op mishandeling gepleegd met voorbedachte raad, indien het feit de dood ten gevolge heeft,
- de publieke opinie,
- (en bij repliek) het strafblad van de verdachte waarop enkele eerdere veroordelingen prijken, en
- het feit dat de verdachte het feit heeft gepleegd gedurende de proeftijd die hem bij een eerdere veroordeling is opgelegd,
- de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte,
- de plaats van de stomp (op de borststreek),
- de kracht van de stomp (voldoende krachtig om het hart te bereiken) én
- het moment van de stomp tijdens de hartcyclus (waarbij het gaat om milliseconden).
- het feit dat de verdachte, die pas 26 jaar oud is, al vijfmaal is veroordeeld voor mishandeling, eenmaal is veroordeeld voor wederspannigheid, meermalen gepleegd, en eenmaal een strafbeschikking heeft gekregen voor wederspannigheid;
- het feit dat de verdachte dit feit heeft gepleegd terwijl hij een half jaar daarvoor (op 11 januari 2012) voor mishandeling is veroordeeld tot – kort gezegd – een werkstraf van 60 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en deze proeftijd nog liep.
andere strafopleggen dan de officier van justitie heeft gevraagd. Dat zal niet louter een onvoorwaardelijke straf zijn, maar een zogenoemde gecombineerde straf, dat wil zeggen een deels voorwaardelijke en een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
8.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
- de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 1] en[Benadeelde partij 2] toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte een onrechtmatige daad heeft begaan, de benadeelde partij ten gevolge hiervan concrete schade heeft geleden en dat de gevorderde schade proportioneel is.
- de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 3] toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte een onrechtmatige daad heeft begaan, de benadeelde partij ten gevolge hiervan concrete schade heeft geleden en de vordering op de wet kan worden gebaseerd.
- de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 4] niet toe te wijzen, nu de vordering niet op de wet is gebaseerd en de benadeelde partij niet bij de mishandeling aanwezig is geweest.
- zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 1] en[Benadeelde partij 2];
- zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 3] met betrekking tot de kosten voor psychologische zorg en de begrafeniskosten. Daarnaast heeft de verdediging verzocht het gevorderde bedrag van gederfde inkomsten te matigen.
- zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 4];
- de benadeelde partij [Getuige 2] in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de posttraumatische stress-stoornis, als hiervan al sprake is geweest, inmiddels kennelijk bijna is verdwenen.
9.De vordering tot tenuitvoerlegging
10.De wettelijke voorschriften
11.De beslissing
- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de verdachte voor het einde van
- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte
- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de
- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [Benadeelde partij 1] en[Benadeelde partij 2] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden [Benadeelde partij 1] en[Benadeelde partij 2] een bedrag van € 4.487,82 (zegge: vierduizendvierhonderdzevenentachtig euro en tweeëntachtig eurocent) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 54 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2012;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [Benadeelde partij 1] en[Benadeelde partij 2] vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de
- verklaart de benadeelde partij [Benadeelde partij 3] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Benadeelde partij 3] in het kader van deze procedure gemaakt, begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande [Benadeelde partij 3] een bedrag van € 421,77 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro en zevenenzeventig eurocent) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [Benadeelde partij 3] vervalt en omgekeerd;
- verklaart
- veroordeelt de benadeelde partij [Benadeelde partij 4] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;
- verklaart
- veroordeelt de benadeelde partij [Getuige 2] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;
- gelast dat de voorwaardelijke straf, te weten een
- beveelt dat indien de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 dagen.