Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het verzoekschrift d.d. 17 juni 2016 met producties
- de mondelinge behandeling ter zitting van 30 augustus 2016, waarbij door [verzoeker] een pleitnota is overgelegd.
Rechtbank Limburg
De werknemer was sinds medio augustus 2015 werkzaam als kok bij de werkgever, aanvankelijk op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst en vervolgens schriftelijk met stilzwijgende verlenging tot 30 juni 2016. Op 4 mei 2016 beëindigde de werkgever de arbeidsovereenkomst zonder opgave van reden, zonder toestemming van het UWV en zonder instemming van de werknemer, en stopte met loonbetaling.
De werknemer stelde dat de opzegging in strijd was met artikel 7:671 BW Pro en vorderde een billijke vergoeding, betaling van het loon over de opzegtermijn, vakantiegeld en vakantiedagen, alsmede proceskosten. De werkgever voerde enkele verwijten aan het adres van de werknemer, maar kon deze niet concreet onderbouwen.
De rechtbank stelde vast dat de opzegging onrechtmatig was omdat de werkgever de werknemer niet had aangesproken op het vermeende gedrag en de reden van opzegging niet had medegedeeld. Gezien de omstandigheden kende de rechtbank een billijke vergoeding van € 500 toe. Tevens werd de werkgever veroordeeld tot betaling van het loon over de opzegtermijn, het opgebouwde vakantiegeld en de vakantiedagen, en de proceskosten.
Uitkomst: Opzegging onrechtmatig verklaard; werknemer ontvangt billijke vergoeding, loon over opzegtermijn, vakantiegeld, vakantiedagen en proceskosten.