Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
STICHTING HET ROBERTSHUIS,
1.De procedure
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling op 10 oktober 2017 ter gelegenheid waarvan partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.
Rechtbank Limburg
Verzoeker trad op 4 april 2016 in dienst bij De Visie B.V. met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die twee keer werd verlengd tot 3 juli 2017. De arbeidsovereenkomst vermeldde dat deze niet zou worden verlengd na afloop. Verzoeker vorderde van Robertshuis een vergoeding wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting volgens artikel 7:668 lid 1 BW Pro.
De kantonrechter stelde vast dat verzoeker de verkeerde partij had gedagvaard, aangezien de arbeidsovereenkomst met De Visie B.V. was gesloten en niet met Robertshuis. Daarom werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Ten overvloede oordeelde de rechter dat het verzoek inhoudelijk geen kans van slagen had, omdat uit de arbeidsovereenkomst bleek dat de aanzegging bij indiensttreding was gedaan, wat volgens parlementaire geschiedenis en rechtspraak als tijdige mededeling geldt.
De kantonrechter veroordeelde verzoeker tot betaling van de proceskosten van Robertshuis. De beslissing werd genomen door kantonrechter Erkens en in het openbaar uitgesproken door kantonrechter Hoekstra.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verkeerde procespartij en veroordeeld tot betaling van proceskosten.