De werknemer was sinds 1 januari 2006 in dienst bij de werkgever als advocaat-medewerker. Partijen sloten op 29 november 2016 een vaststellingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2017 eindigde en een transitievergoeding werd overeengekomen.
De werkgever hield een bedrag in op de eindafrekening wegens vermeende schade door opzettelijk of roekeloos handelen van de werknemer. De werknemer vorderde betaling van het netto equivalent van het ingehouden bedrag en incassokosten, terwijl de werkgever een tegenvordering instelde.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever onvoldoende heeft aangetoond dat sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid. De verrekening werd daarom afgewezen en de werkgever werd veroordeeld tot terugbetaling van het ingehouden bedrag plus rente en proceskosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd eveneens afgewezen.