Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
verwerende partij in het verzoek.
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 400,00(2.0 punten x € 200,00 tarief)
Rechtbank Limburg
Werknemer is sinds januari 2010 in dienst bij werkgever en viel in januari 2016 arbeidsongeschikt uit. Na een periode van re-integratie bij de opdrachtgever en later bij werkgever zelf, weigerde werknemer structureel zijn re-integratieverplichtingen na te komen. Diverse gesprekken, loonopschorting en deskundigenoordelen van UWV bevestigden dat werknemer in staat was tot re-integratie, maar hij bleef weigeren mee te werken.
Werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel Pro e BW wegens verwijtbaar handelen van werknemer. Werknemer verscheen niet ter zitting en voerde geen verweer. De kantonrechter stelde vast dat werknemer behoorlijk was opgeroepen en dat werkgever aan alle wettelijke vereisten had voldaan, waaronder schriftelijke aanmaningen en loonopschorting.
De kantonrechter oordeelde dat de weigering van werknemer een redelijke grond vormt voor ontbinding en dat herplaatsing binnen redelijke termijn niet mogelijk is. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 mei 2017. Een verklaring dat werknemer geen recht heeft op transitievergoeding wordt afgewezen omdat het verwijtbaar handelen niet ernstig genoeg is. Werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens niet-nakomen van re-integratieverplichtingen met ingang van 1 mei 2017.