Uitspraak
RECHTBANK limburg
1.De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
4.Bij brief van 21 oktober 2015 zijn eisers uitgenodigd voor een gesprek op
9.Eisers hebben op 29 december 2015 bijstand aangevraagd. Deze aanvraag is op
- Het onroerend goed bekend als [woning 1] is verkocht voor 82.000 TL terwijl op het bankafschrift 50.000 TL is ontvangen. Onduidelijk is op welke wijze het resterend bedrag van 32.000 TL is ontvangen.
- Voornoemde woning is getaxeerd op € 53.500,-. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de woning ten tijde van de verkoop minder waard zou zijn.
- De andere woning is verkocht voor 13.000 TL (€ 4.635,80). Er is geen bewijs hoe dit bedrag is betaald en/of besteed.
- Voorts is de waarde van laatstgenoemde woning eerder vastgesteld op € 33.333,-. Niet aangetoond is dat dit onroerend goed een lagere taxatiewaarde heeft. Eiser heeft nog altijd het vruchtgebruik van deze woning. Hiervan zijn evenmin gegevens overgelegd.
- 1 oktober 2015 tot en met 2 december 2015; hierover heeft al besluitvorming plaatsgevonden. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd waarom hiervan zou moeten worden teruggekomen.
- 3 december 2015 tot en met 3 maart 2016 en 24 mei 2016 tot en met 24 juli 2016; volgens vaste rechtspraak wordt in beginsel geen bijstand verleend met terugwerkende kracht. Van bijzondere omstandigheden om van dit uitgangspunt af te wijken is niet gebleken.
- 4 maart 2016 tot en met 23 mei 2016; over deze periode heeft al besluitvorming plaatsgevonden. Er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd op grond waarvan op het eerdere besluit van 23 mei 2016 zou moeten worden teruggekomen.
- Ten aanzien van het tijdvak van 25 juli 2016 (datum melding) tot en met 8 september 2016 dienen eisers aannemelijk te maken dat er gewijzigde omstandigheden zijn. Volgens vaste rechtspraak geldt dat na intrekking van een bijstandsuitkering het op de weg van de aanvrager ligt om aan te tonen dat zich na de intrekking een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat inmiddels wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De overdracht van het onroerend goed in Izmir is weliswaar een gewijzigde omstandigheid maar deze wijziging leidt er niet toe dat er nu wel is voldaan aan de vereisten om in aanmerking te komen voor bijstand. Primair wordt de aanvraag afgewezen wegens de aanwezigheid van vermogen boven de vermogensgrens. Subsidiair wordt de afwijzing gebaseerd op de overweging dat het recht op bijstand niet is vast te stellen omdat onvoldoende informatie is verstrekt.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2017.