ECLI:NL:RBLIM:2018:12182

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
21 december 2018
Zaaknummer
7352082 AZ VERZ 18-182
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbindingsverzoek na ontslag op staande voet

De werknemer trad in september 2011 in dienst bij de werkgever als allround medewerker productie. Op 27 augustus 2018 werd hij op staande voet ontslagen. De werknemer verzocht vervolgens om vernietiging van dit ontslag, maar dit verzoek werd door de kantonrechter afgewezen, waarmee het ontslag rechtsgeldig bleef.

De werkgever diende daarop een voorwaardelijk verzoek in tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671b lid 1 BW, voor het geval het ontslag op staande voet niet stand zou houden. Nu het ontslag op staande voet wel standhield, trad deze voorwaarde niet in en hoefde het ontbindingsverzoek niet inhoudelijk te worden behandeld.

De kantonrechter wees het ontbindingsverzoek af en veroordeelde de werkgever in de proceskosten, begroot op €400 ten gunste van de werknemer. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter.

Uitkomst: Het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gebleven.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 7352082 \ AZ VERZ 18-182
Beschikking van de kantonrechter van 21 december 2018
in de zaak van:
[de vennootschap],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
werkgever,
gemachtigde mr. A.W.J.D. Ray-Engels,
verzoekende partij in het verzoek,
tegen:
[verweerder],
wonend [adresgegevens verweerder]
,
werknemer,
gemachtigde mr. R.E. de Vries,
verwerende partij in het verzoek.
Partijen zullen hierna [de vennootschap] en [verweerder] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 16 november 2018 ter griffie ontvangen verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling d.d. 23 november 2018.
1.2.
Daarna is beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is op 11 september 2011 bij [de vennootschap] in dienst getreden en vervult thans de functie van allround medewerker productie tegen een loon van € 2.137,75 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.
2.2.
[verweerder] is op 27 augustus 2018 op staande voet ontslagen. Bij verzoekschrift (zaaknummer 7301958/AZ/18-170), ingediend op 24 oktober 2018, heeft [verweerder] onder meer verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen. Bij beschikking van heden heeft de kantonrechter alle verzoeken afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
[de vennootschap] verzoekt voorwaardelijk – namelijk voor het geval het ontslag op staande voet in eerste aanleg geen stand houdt - de tussen haar en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met artikel 7:669 lid Pro 3, onderdelen e en g Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.2.
[verweerder] heeft verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Bij beschikking van heden is in de zaak tussen partijen met zaaknummer 7301958/AZ18-170 geoordeeld dat onder meer het verzoek van [verweerder] om vernietiging van het ontslag op staande voet is afgewezen. Het dienstverband tussen partijen is dan ook door het ontslag op staande voet van 27 augustus 2018 geëindigd.
4.2.
Het onderhavige verzoekschrift is voorwaardelijk ingediend, namelijk voor het geval het ontslag op staande voet in eerste aanleg geen stand houdt. Nu zoals hiervoor is weergegeven de verzoeken van [verweerder] zijn afgewezen en het ontslag op staande voet derhalve in stand is gebleven, is voornoemde voorwaarde niet ingetreden. Het verzoek behoeft daarom geen bespreking en wordt afgewezen.
4.3.
[de vennootschap] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden tot op heden begroot op € 400,00 als salaris voor de gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt [de vennootschap] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 400,00,
5.3.
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.
type: PL
coll: