Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
verwerende partij in het verzoek.
Rechtbank Limburg
De werknemer trad in september 2011 in dienst bij de werkgever als allround medewerker productie. Op 27 augustus 2018 werd hij op staande voet ontslagen. De werknemer verzocht vervolgens om vernietiging van dit ontslag, maar dit verzoek werd door de kantonrechter afgewezen, waarmee het ontslag rechtsgeldig bleef.
De werkgever diende daarop een voorwaardelijk verzoek in tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671b lid 1 BW, voor het geval het ontslag op staande voet niet stand zou houden. Nu het ontslag op staande voet wel standhield, trad deze voorwaarde niet in en hoefde het ontbindingsverzoek niet inhoudelijk te worden behandeld.
De kantonrechter wees het ontbindingsverzoek af en veroordeelde de werkgever in de proceskosten, begroot op €400 ten gunste van de werknemer. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter.
Uitkomst: Het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gebleven.