Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
Rechtbank Limburg
Eisende partij, werkzaam als jeugdbeschermer sinds 2001, vordert vergoeding van gemaakte kosten voor dienstreizen die hij te laat heeft gedeclareerd. De werkgever hanteert een regeling reis- en verblijfkosten, vastgesteld in overleg met de ondernemingsraad, waarin een vervaltermijn van drie maanden is opgenomen voor het indienen van declaraties.
Eisende partij heeft declaraties over verschillende periodes te laat ingediend en beroept zich op een verjaringstermijn van vijf jaar volgens artikel 3:307 BW Pro. De werkgever wijst de declaraties af vanwege overschrijding van de termijn. De ondernemingsraad heeft in 2015 wel kritiek geuit op de termijn, maar deze is niet aangepast.
De kantonrechter oordeelt dat de regeling onderdeel is van de arbeidsovereenkomst en dat de belangen van de werknemer voldoende zijn gewaarborgd. Eisende partij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hem het onmogelijk was om tijdig te declareren. De toepassing van de vervaltermijn leidt niet tot een onaanvaardbaar resultaat. De vordering wordt daarom afgewezen en eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot vergoeding dienstreizen wordt afgewezen wegens overschrijding vervaltermijn van drie maanden.