Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
- verzoekster is gedurende haar gehele arbeidzame leven als kapster werkzaam geweest;
- schriftelijke arbeidsovereenkomsten zijn niet voorhanden, anders dan de door verweerster bij haar verweerschrift als productie 1 overgelegde overeenkomst d.d. 30 september 2009;
- verweerster is de laatste opvolgend werkgeefster van verzoekster geweest door en na overname van de kapsalon aan de [adres verweerster] te [woon- en vestigingsplaats verweerster] in of omstreeks september 2015;
- verweerster heeft om toestemming voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst met verzoekster verzocht op grond van, kort gezegd, bedrijfseconomische redenen en, na verkregen toestemming, de arbeidsovereenkomst opgezegd – nader – tegen 1 mei 2018;
- verweerster heeft de aan verzoekster toekomende transitievergoeding berekend, mede op grond van het in artikel 7: 673d burgerlijk wetboek bepaalde (regeling kleine werkgevers); uit dien hoofde heeft verweerster verzoekster ter zake van transitievergoeding een bedrag van € 2868,70 bruto uitbetaald.