Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
SAM S.T. B.V.,
1.De procedure
- het exploot van dagvaarding d.d. 8 mei 2019
- de op 21 mei 2019 ter griffie ontvangen nagezonden productie van de zijde van [eiser]
- de mondelinge behandeling ter zitting van 23 mei 2019.
Rechtbank Limburg
Eiser trad op 7 januari 2019 in dienst bij Sam S.T. B.V. als chauffeur met een bruto-uurloon van €11,40 voor 15 uur per week. Eind februari 2019 viel eiser ziek uit, waarna hij het loon over februari ontving, maar niet meer over maart en april 2019. Eiser sommeerde werkgever tot betaling, zonder resultaat, waarna hij een kort geding aanspande.
Werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd per 31 maart 2019 op basis van een beëindigingsovereenkomst, waarvan eiser de handtekening betwist en als vervalst beschouwt. De kantonrechter oordeelde dat de echtheid van de handtekening niet aannemelijk is en dat een onderzoek daarnaar in kort geding niet passend is.
Daarnaast weegt mee dat een goed werkgever een zieke werknemer behoedt voor het tekenen van nadelige overeenkomsten, waardoor de geldigheid van de beëindigingsovereenkomst in een bodemprocedure waarschijnlijk zal worden verworpen. Er is geen ander bewijs van beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter concludeert dat de arbeidsovereenkomst nog van kracht is en wijst de loonvordering toe, inclusief wettelijke verhogingen, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kantonrechter wijst de loonvordering toe en veroordeelt werkgever tot betaling van achterstallig loon, kosten en rente.