De veroordeelde is op grond van een Duitse veroordeling tot een gevangenisstraf van 2190 dagen en een Nederlandse veroordeling tot 4 maanden gevangenisstraf gedetineerd in Nederland. De voorwaardelijke invrijheidstelling zou op 16 november 2019 ingaan.
Het openbaar ministerie verzocht de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege te laten vanwege ernstige bezwaren, gebaseerd op de vondst van diverse drugs en middelen in de cel van de veroordeelde tijdens een inspectie op 27 februari 2019. De verdediging stelde dat de vordering niet onverwijld was ingediend en onvoldoende onderbouwd was.
De rechtbank oordeelde dat de vordering tijdig en ontvankelijk was ingediend. Gelet op de aangetroffen drugs en middelen achtte de rechtbank ernstige bezwaren aanwezig omtrent overtreding van de Opiumwet. De rechtbank vond het achterwege laten van de invrijheidstelling niet proportioneel en stelde deze daarom uit met een periode van zes maanden vanaf 16 november 2019. De vordering werd voor het overige afgewezen.