De burgemeester van Kerkrade heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten een woonwagen en de daarbij behorende schuur te sluiten voor twintig weken vanwege de aanwezigheid van 3.860 gram hasj, een handelshoeveelheid softdrugs. Verzoekster, de bewoonster, maakte bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening om de sluiting uit te stellen tot het bezwaar was behandeld.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat het spoedeisend belang voldoende was aangetoond. De omvang van de aangetroffen drugs en de aanwezigheid van een boksbeugel in de woonwagen duiden op drugshandel en overlast. De sluiting is noodzakelijk om een signaal af te geven tegen drugscriminaliteit en om het woon- en leefmilieu te beschermen.
Hoewel verzoekster stelde niet op de hoogte te zijn van de drugs en wees op haar minderjarige kind en bijzondere persoonlijke omstandigheden, achtte de voorzieningenrechter dit onvoldoende om de sluiting onevenredig te achten. Verzoekster kon redelijkerwijs wel op de hoogte zijn van de drugs. De aanwezigheid van het kind en de coronasituatie leiden niet tot een ander oordeel.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid en dat het besluit voorlopig stand houdt. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.